zondag 18 februari 2018

Zondagochtendmuziek - Han Bennink - Wes Montgomery: FINE JAZZ TUNE

Vrijdagavond een geweldig optreden van het duo Joris Roelofs - Han Bennink. Zie op de website van Joris Roelofs de documentaire over dit duo. Die begint met Joris Roelofs die zegt "Ik zat op de basisschool en was alleen maar naar Charley Parker aan het luisteren. Tot verbazing van iedereen om me heen. Wat ik achteraf gezien ook wel begrijp."

Maar nu even terug naar het verre verleden van misschien de grootste drummer ooit: Han Bennink speelt met Wes Montgomery en de gebroeders Jacobs. Update. Ik aarzelde even bij dat de grootste drummer ooit. Omdat ik ook zo houd van, heel anders, Kenny Clarke. En laat die nou in die documentaire ook voorbij komen. "Mijn lievelingsdrummer Kenny Clarke."

vrijdag 16 februari 2018

Over de euro en het eenzijdig voorgelichte kiezersvolk - in Duitsland en in Nederland

Of de bedreigingen voor de democratie in de Verenigde Staten afgewend kunnen worden, dat staat nog te bezien. Het valt te hopen dat de speciale aanklager Robert Mueller zijn onderzoek af kan maken naar de Russische inmenging in de verkiezingen via het team-Trump en naar de mogelijk daarmee samenhangende financiële malversaties.

Maar ook in Europa is het spannend, want het rechts-extremistische gevaar is bepaald nog niet afgewend. Spannend is hoe de politieke ontwikkelingen in Duitsland zullen uitpakken. En daarmee direct samenhangend, of de leiders van de eurozone in staat zullen blijken te zijn om op tijd de fantasiewereld te verlaten waarin de euro werd uitgedacht en de muntunie zo te hervormen dat hij voor alle landen en voor alle burgers gaat werken.

Het regeerakkoord van CDU/CSU en SPD geeft blijk van het inzicht dat het zo met de euro niet verder kan. De eerste aanwijzing daarvoor was dat Wolfgang Schäuble door Merkel werd weggepromoveerd naar het voorzitterschap van de Bondsdag. En nu heeft Merkel zich door de SPD laten overtuigen dat een nieuwe regering er, samen met Macron, werk van moet maken om de euro te hervormen.

Maar ondertussen blijft de SPD dalen in de peilingen en is het nog maar de vraag of de leden van de partij met het akkoord zullen instemmen.

Wat bovendien meespeelt is dat het Duitse kiezersvolk al jaren lang zeer eenzijdig is voorgelicht. Dat is al begonnen toen Merkel na het uitbreken van de Grote Financiële Crisis zelfvoldaan de zuidelijke eurozonelanden de schuld toeschoof voor de problemen bij de Duitse banken en harde bezuinigingen oplegde als oplossing. Dat viel goed bij de Duitse kiezers en het is bekend dat Merkel zich altijd goed liet informeren over de uitkomsten van de laatste opiniepeilingen.

Dat de Duitse media aan die eenzijdige voorlichting hebben meegewerkt, blijkt ook uit deze interessante inhoudsanalyse van enkele grote Europese dagbladen: de Duitse Süddeutsche Zeitung, de Franse Le Monde, de Italiaanse La Stampa en de Spaanse El País: Tales from a crisis: diverging narratives of the euro area.

Het ging er speciaal om hoe in de berichtgeving de schuldvraag werd beantwoord. Welke oorzaken en welke schuldigen werden aangewezen voor de in de eurozone gerezen problemen?

Welnu, in de samenvattende woorden van de onderzoekers:
The analysis showed that Süddeutsche Zeitung blames everyone but Germany, the chief suspects being Greece and the European Central Bank; the paper stresses the need to return to a perceived status quo of stability and fairness. Le Monde blames everyone including the French political class, but largely refrains from criticism of European institutions such as the European Commission and the European Central Bank. La Stampa sees Italy as the victim of unfortunate circumstances, including the European Union austerity measures promoted by Germany, and Italy’s own politicians. El País primarily blames Spain for misconduct during the boom years preceding the crisis.
Volgens de Süddeutsche Zeitung lag de schuld bij iedereen, behalve bij de Duitsers.

Dat staat voor het grote probleem dat ontstaat als het kiezersvolk jarenlang door politici en daar achteraanlopende media verkeerd is voorgelicht. Als de politiek begint door te krijgen dat er een andere weg moet worden ingeslagen, hoe verkoop je dat dan weer aan de kiezers? En hoe doe je dat als de politici bovenal beducht zijn voor gezichtsverlies?

Het schijnt dat de Nederlandse politici zich met schrik beginnen te realiseren dat ze misschien ook de kiezers beter moeten gaan voorlichten.

En de vraag is of dit alles nog op tijd komt om het aan de deuren rammelende rechts-extremisme en nationalisme de kop in te drukken.

donderdag 15 februari 2018

Belangrijke studie naar macro-effecten van het onvoorwaardelijk basisinkomen

De pas verschenen studie The Labor Market Impacts of Universal and Permanent Cash Transfers: Evidence from the Alaska Permanent Fund levert een boeiende bijdrage aan de discussie over de voors en tegens van het onvoorwaardelijk basisinkomen.

De staat Alaska brengt een deel van de inkomsten uit oliewinning onder in een fonds, het Alaska Permanent Fund, waarvan sinds 1982 jaarlijks een deel hoofdelijk wordt verdeeld over alle inwoners van de staat. Dat wil zeggen, aan iedereen die tenminste een jaar in de staat woonachtig is. Het bedrag is afhankelijk van de opbrengsten in de voorgaande vijf jaren en is sinds 1996 meestal meer dan 1000 dollar. Omdat het aan de persoon is gekoppeld, kan het bedrag voor een gezin tot enkele duizenden dollars oplopen.

De onderzoekers bestuderen de effecten van deze vorm van basisinkomen door wat er in Alaska gebeurde na de invoering ervan te vergelijken met wat er in dezelfde tijd gebeurde in andere staten die vergelijkbaar zijn. (Die methode van vergelijking, de zogenaamde synthetic control method, is voor mij te ingewikkeld om precies te kunnen volgen.)

Dat is een boeiende exercitie, omdat ook macro-effecten in beeld kunnen komen. Bedenk dat zulks niet gebeurt in de experimenten met een soort basisinkomen die in ons land in verschillende gemeentes plaats vinden. Zie Wat kunnen we leren en wat kunnen we niet leren van lokale experimenten met het onvoorwaardelijk basisinkomen?

Uit de analyses blijkt dan dat de invoering van het basisinkomen niet of nauwelijks heeft geleid tot een vermindering van het arbeidsaanbod. Alleen in de exportsector nam het arbeidsaanbod iets af en nam het deeltijdwerk toe. De onderzoekers zien dat als een aanwijzing dat de door de invoering toegenomen consumptie zoveel meer vraag naar arbeid uitlokte dat een afname van arbeidsaanbod geheel werd gecompenseerd.

Anders gezegd, mensen gingen minder werken, maar gaven per saldo ook meer uit. En om aan die toegenomen vraag tegemoet te komen, gingen bedrijven meer arbeid aantrekken. (Met hogere lonen, neem ik aan. En/of met betere arbeidsomstandigheden.)

Je kunt je nog afvragen wat er gebeurd zou zijn als hetzelfde totale bedrag dat aan het basisinkomen werd uitgekeerd, door de overheid was uitgegeven. Maar de onderzoekers vinden er geen aanwijzingen voor de overheidsuitgaven aan onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur door het basisinkomen zijn afgenomen.

Ook was er geen afname van uitgaven ten behoeve van de sociale zekerheid (welfare and transfer spending). De invoering van het basisinkomen werkte dus niet verdringend op andere overheidsuitgaven.

zondag 11 februari 2018

Zondagochtendmuziek - The Smetana Quartet: Bedrich Smetana, String Quartet N.1 in E minor ("Fr...

We blijven nog even bij het strijkkwartet. Vorige week Jean Sibelius, nu de Tsjech Bedřich Smetana..

Heel Tsjechisch, maar toch een band met Scandinavië, omdat Smetana zich verschillende keren ophield in het Zweedse Göteborg. Maarten 't Hart schrijft daar fraai over in zijn Dienstreizen van een thuisblijver. Het betreffende hoofdstuk, Een dienstreis naar Göteborg, begint veelbelovend met de zin "Met echte schrijvers op stap, wie zou dat niet willen?"

Dit is het eerste van de twee strijkkwartetten die Smetana componeerde. Maarten 't Hart vindt ze allebei magnifiek. Hij schreef het op latere leeftijd, toen hij doof begon te worden. Het is een soort terugblik op zijn leven en draagt dan ook de titel "Z mého života" (From my life).

Gespeeld door het Smetana Quartet. Wanneer zou de opname gemaakt zijn? Het Smetana Quartet bestond tot 1989.

vrijdag 9 februari 2018

De onvolledige reflectie van Wim Kok

Wim Kok is voor het International Institute of Social History 16 uur geïnterviewd. Volgens Sheila Sitalsing toonde hij blijkens dit citaat Kokkiaanse reflectie:
Misschien zijn we te lang ervan uitgegaan dat de sociale zekerheid goed was voor de mensen en hebben we te weinig oog gehad voor de effecten: de hoge kosten, sommige mensen die te makkelijk gebruik maakten van voorzieningen. Daar ben ik misschien wat naïef in geweest.
Maar je kunt je afvragen of die reflectie niet sterk onvolledig is.

En of Wim Kok nu, in 2018, niet veel te naïef is over de nadelige effecten van het morrelen aan de sociale zekerheid en het afbouwen van de verzorgingsstaat, waar hij als premier van Paars I en Paars II (1994-2002) en leider van de sociaal-democraten zo aan heeft meegewerkt.

Want we weten ondertussen dat die sociale zekerheid en de verzorgingsstaat goed zijn voor mensen omdat ze bestaanszekerheid bieden. En mensen zitten zo in elkaar dat ze die bestaanszekerheid hard nodig hebben.

Laten we nog even de (empirisch aangetoonde) nadelige effecten van toegenomen bestaansonzekerheid (als gevolg van politieke keuzes) op een rijtje zetten (ontleend aan Heeft de, politiek gemotiveerde, toename van bestaansonzekerheid de tegenstellingen aangewakkerd?):
  • De mentale gezondheid gaat achteruit bij een toename van baanonzekerheid Van der Meer, Van Huizen en Plantenga, 2016)
  • Werkloos geweest zijn laat litteken na op welzijn, vooral door meer baanonzekerheid (Verhofstadt, Van Ootegem en VanderHaeghen, 2016)
  • Baanonzekerheid hangt samen met groter risico op slechte gezondheid (László, Pikhart, Ko et al, 2010)
  • Flexibel contract verhoogt stress en verslechtert gezondheid (Bender en Theodossiou, 2017)
  • Toenemende werkloosheid maakt ook werkenden onzekerder en ongelukkiger (World Happiness report, 2013)
  • Werkloosheid vader heeft negatieve effecten op school- en arbeidsloopbaan kinderen (Gregg, MacMillan en Nassim, 2012)
  • Door armoede gaat cognitief functioneren achteruit (Mani, Mullainathan, Shafir et al, 2013)
  • Bij verhoging van ouderdomsuitkeringen ging het cognitieve functioneren erop vooruit (Ayyagari en Frisvold, 2015)
  • Als mensen zich onveiliger voelen, zijn ze minder bereid tot samenwerking (Rand, Kraft-Todd en Gruber, 2015)
  • Door minder verzorgingsstaat ook minder onderlinge hulpverlening (Brandt en Deindl, 2013; Boberg-Fazlic en Sharp, 2015)
  • Door meer baanonzekerheid meer sympathie voor extreemrechtse partijen (Stijnen en De Witte, 2011)
  • Bij minder bescherming tegen kosten en risico's van werkloosheid meer succes van rechts-extremistische partijen (Vlandas en Haikiopoulou, 2016)
  • In Duitsland: bij meer statusangst en controleverlies grotere kans op stem voor AfD
  • Bij meer bestaansonzekerheid en statusangst: meer anti-immigrantensentiment (Jetten, Mols en Postmes, 2015)
Je zou wensen dat Wim Kok, en andere voormalige sociaal-democraten, van dit alles kennisnamen en het tot zich lieten doordringen. Iedereen kan fouten maken en een verkeerde weg inslaan. Ik dacht indertijd ook dat Wim Kok gelijk had toen hij vond dat de PvdA zijn ideologische veren moest afschudden. Maar jee, wat weten we nu veel meer dan toen.

donderdag 8 februari 2018

Terug naar het ambacht? Over ons lage welzijn als we werken - Marx' vervreemding is nog lang niet opgeheven

Ryan Avent, de auteur van THE WEALTH OF HUMANS. Work, Power, and Status in the Twenty-first Century, wijst op de trend dat witte boordenwerknemers hun baan opzeggen en een nieuw leven beginnen als ambachtsman of - vrouw.

Zie Crafting a Life, waarin het gaat over IT-professionals, managers, PR-consultants, juristen en lobbyisten, die nu ambachtelijk whiskey distilleren, bier brouwen, potten bakken, koffie branden, kleren maken, tafelzuur produceren of leer verwerken.

Op de schaal van de gehele economie is het natuurlijk nog slechts een onbeduidende ontwikkeling, maar Avent vraagt zich toch af of het niet het begin zou kunnen zijn van een lange termijn-verandering van de wereld van de arbeid. Waarin mensen weer controle hebben over hun werk en waarin hun prestaties niet voortdurend aan die van hun collega's worden afgemeten. Waarin ze persoonlijke relaties met leveranciers en klanten kunnen hebben. Waarin ze niet in een hiërarchie te hoeven functioneren.

Terug dus naar een tijd waarin je nog niet van je arbeid en van de producten van je arbeid was vervreemd. Die term doet aan Karl Marx (1818-1883) denken en die naam komt dan ook voorbij:
The living conditions of Washington’s professionals are incomparably better than those of the 19th-century workers Karl Marx observed, yet his notion that capitalism deprived labour of the deep satisfaction work can provide has a contemporary resonance in downtown Washington.
Stof tot nadenken over hoe wij de wereld van de arbeid hebben georganiseerd en hoe wij die ervaren.

Want als zo'n ontwikkeling als Ryan Avent die schildert inderdaad zou doorzetten, dan is dat niet verrassend als je bedenkt dat werk ons maar een heel laag welzijn oplevert. Ondanks dat de arbeidsomstandigheden over het algemeen veel beter zijn dan in de 19-de eeuw.

Het welzijn dat we ervaren als we aan het werk zijn, kun je meten zoals Kahneman et al dat deden in 2004. Rudi Wielers, Peter van der Meer en ondergetekende haalden dat onderzoek aan in Verhoogt werk ons welzijn? Een bespreking van onderzoeksresultaten. Kahneman c.s. lieten ruim 900 werkende Texaanse vrouwen aangeven welke activiteit ze de vorige dag hadden verricht en hoe ze zich daarbij hadden gevoeld. Daaruit kwam naar voren dat de bezigheid van het werken bij positieve gevoelens (geluk, plezier, warm/vriendelijk) op de op een na onderste plek stond, net boven woon-werkverkeer. En bij negatieve gevoelens (gefrustreerd, depressief, vijandig, bezorgd, bekritiseerd) stond werk onbedreigd bovenaan.

Nu kun je nog denken dat het hier gaat om een merkwaardige onderzoeksgroep, alleen vrouwen en alleen uit Texas.

Maar twee jaar geleden verscheen ook de in Engeland uitgevoerde studie Are You Happy While You Work?, met een veel grotere onderzoeksgroep. (Bij een voorpublicatie ervan stond ik stil in dit bericht.) Het betrof 26.682 personen, die via een op hun telefoon geïnstalleerde app gemiddeld 60 keer, tussen de 2 en 5 keer per dag, aangaven hoe ze zich voelden op een willekeurig gekozen moment. Daarbij ging het om hoe gelukkig ze zich voelden, hoe ontspannen en hoe wakker.

En ook daaruit komt ondubbelzinnig naar voren hoe weinig welzijn werk oplevert in vergelijking met andere activiteiten. Want werk stond op de voorlaatste plaats, net boven "ziek in bed liggen".

Bedenk daarbij dat in de onderzoeksgroep de hogere inkomens waren oververtegenwoordigd. En die hebben over het algemeen banen met betere arbeidsomstandigheden en ze kunnen hogere eisen stellen. In een representatieve steekproef zouden de uitkomsten voor werk dus waarschijnlijk nog slechter zijn uitgevallen.

Sinds de 19-de eeuw zijn de fysieke arbeidsomstandigheden ongetwijfeld sterk verbeterd. Maar arbeid zou natuurlijk aan veel hogere eisen moeten voldoen. Denk even aan de drie fundamentele levensbehoeften volgens de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan: verbondenheid met anderen, gevoel van autonomie en gevoel van competentie. Dan snap je meteen dat verlangen naar ambachtelijkheid waar Ryan Avent op wijst.

dinsdag 6 februari 2018

Het publiek onderschat de negatieve gezondheidseffecten van eenzaamheid

Ergens in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw begon het wetenschappelijk onderzoek naar de negatieve gezondheidseffecten van eenzaamheid op gang te komen.

Aanvankelijk overheerste nog de gedachte dat de gezondheidsproblemen eruit voortkwamen dat mensen niet genoeg sociale steun ontvingen. Maar later drong het besef door dat het meer ging om de afwezigheid van relaties waarin steun werd uitgewisseld, die het gevoel geven dat er anderen zijn waar je op kan rekenen, maar ook het gevoel dat jij iemand bent waar anderen op kunnen rekenen.

Daarmee werd ook duidelijk dat mensen negatieve relaties kunnen hebben, vaak meer vluchtig van aard, die een gevoel van onveiligheid uitlokken omdat ze in het teken staan van onderlinge competitie.

En we weten ondertussen veel over hoe het gemis aan relaties (sociaal isolement) en de aanwezigheid van competitieve relaties de stress van eenzaamheid voortbrengen en hoe die stress tot gezondheidsproblemen leidt. Er valt een lijstje op te stellen van de lichamelijke mechanismen waarlangs dat effect zich voltrekt:
  1. hart- en vaatproblemen (hogere vasculaire weerstand),
  2. verhoogde bloeddruk,
  3. verhoogd cortisolniveau 's ochtends (het stresshormoon),
  4. minder weldadige slaap,
  5. slechtere werking van het immuunsysteem (en daardoor meer ontstekingen),
  6. cognitieve achteruitgang en verhoogde kans op Alzheimer,
  7. verhoogde kans op depressie.
Maar je kunt je afvragen in hoeverre die wetenschappelijke kennis tot het algemene publiek is doorgedrongen. Het lijkt soms alsof daar, ook door gebrekkige of verkeerde voorlichting, het zogenaamde medische model nog gangbaar is: als je ziek wordt, heeft dat een fysieke oorzaak en de oplossing bestaat er dan uit dat de dokter je beter maakt, door middel van "medisch handelen". Een pilletje of leefstijladviezen als meer bewegen en gezonder eten.

Het nieuwe onderzoek Social cure, what social cure? The propensity to underestimate the importance of social factors for health bevestigt die indruk. De onderzoekers legden mensen een lijst voor met 11 factoren waarvan de gezondheidsbeschermende werking bekend is. Je ziet ze in het plaatje opgesomd. Mensen werd gevraagd om die factoren te rangorden naar belangrijkheid.

De uitkomst is afgebeeld in de vorm van de rode stippen. We zien dat mensen denken dat niet roken de belangrijkste beschermende factor is en sociale steun de minst belangrijke. De groene stippen geven de rangordening weer zoals die naar voren komt uit een recente wetenschappelijke overzichtsstudie.


Wat meteen in het oog springt, is dat de twee sociale factoren, sociale steun en sociale integratie, in  die wetenschappelijke studie bovenaan staan. Terwijl ze bij de mensen die aan het (online-)onderzoek deelnamen op de laatste en de voorlaatste plaats staan.

Er lijkt dus nog wel een opvallend groot verschil te bestaan tussen de wetenschappelijke inzichten in het verband tussen eenzaamheid en gezondheid en de indruk die het publiek daarvan heeft.

zondag 4 februari 2018

Zondagochtendmuziek - Jean Sibelius Voces intimae string quartet op. 56 Casal Quartet

Gisteren was de laatste dag van de Eerste Strijkkwartet Biënnale in het Muziekgebouw aan 't IJ. Nu ik het programma bekijk, bedenk ik me dat ik daar eigenlijk had moeten zijn.

Wat er niet gespeeld werd, is dit strijkkwartet "Voces Intimae" dat Jean Sibelius in 1908/1909 componeerde. Het is het enige strijkkwartet dat Sibelius (1865-1957) op rijpere leeftijd schreef. Waarbij je moet bedenken dat hij de laatste 30 jaar van zijn leven niet meer componeerde.

Sibelius is niet mijn favoriete componist. Wat anderen zo in hem aantrekt, dat je vaak al na een paar minuten geen idee meer hebt hoe je terechtgekomen bent waar je dan bent, ervaar ik juist als een bezwaar.

Maar dit strijkkwartet, hier uitgevoerd door het Zwitserse Casal Quartet, vind ik wel heel spannend.

vrijdag 2 februari 2018

De neurochemische grondslag voor de menselijke persoonlijkheidsstijl die samenwerking en delen mogelijk maakte

De cruciale veranderingen in het sociale gedrag van onze verre voorouders, vergeleken met de Laatste Gemeenschappelijke Voorouder die we met de chimpansees en de bonobo's delen, bestonden eruit dat we in egalitaire groepen groepen van vertrouwde anderen samenwerkten en deelden. Onderdeel van dat sociale arrangement was dat we collectief de pogingen van enkelingen om een statushiërarchie te vestigen, met de daarbij behorende monopolisering van de voortplanting, onderdrukten.

En daarmee hing weer samen dat we, als jagers-verzamelaars, min of meer monogaam werden en dat vaders (en andere groepsleden) meehielpen bij het grootbrengen van de kinderen, die langer zorg nodig hadden (cooperative breeding). Hetgeen weer gepaard ging met de ontwikkeling van empathie, pro-sociaal gedrag en van taal.

De nieuwe studie A neurochemical hypothesis for the origin of hominids geeft inzicht in de veranderingen in de hersenstructuur en de neurochemie die dat sociale gedrag mogelijk maakten. Als een eenvoudig socioloog begrijp ik daar niet alles van, maar wel net genoeg om het uiterst fascinerend te vinden.

Want de auteurs maken het aannemelijk dat die onderliggende anatomische en neurochemische veranderingen een op een dopamine-gedomineerd striatum gebaseerde persoonlijkheidsstijl in het leven riep.

En dat is een persoonlijkheid waarbij het gedrag sterk door externe factoren wordt gemotiveerd. Dat zijn aan de ene kant de sociale factoren die behoren tot het leven in een groep, waarin, zoals gezegd, samengewerkt en gedeeld wordt. Wil zo'n groep functioneren, dan moeten de groepsleden sterk op elkaar en op elkaars gedrag en op elkaars bedoelingen betrokken zijn. Er moet dus veel aandacht zijn voor wat anderen doen en een grote bereidheid om zich daar wat van aan te trekken.

Dat lijkt de grondslag te zijn voor de specifiek menselijke gedeelde intentionaliteit. Zie in dat verband het bericht Menselijk vermogen tot samenwerking en pro-sociaal gedrag is aanpassing aan onderlinge afhankelijkheid, met een verwijzing naar het onderzoek van Michael Tomasello. En bedenk dat verlegenheid als persoonlijkheidstrek (in tegenstelling tot stoutmoedigheid) daarmee belangrijk werd. Zie Het menselijke temperament: verlegenheid, eveneens met een verwijzing naar onderzoek van Tomasello.

Maar aan de andere kant moet die motivatie om door externe factoren te worden gemotiveerd, ook zijn uitwerking hebben gehad op onze houding ten opzichte van de fysieke omgeving. Een houding die onze voorouders ertoe aanzette om die omgeving te verkennen en beter te leren kennen, ook los van de directe behoefte van honger hebben en eten gaan zoeken. Onze neiging dus tot kennisverwerving en exploratie van de wereld. Die de grondslag legde voor de ontwikkeling van cultuur en wetenschap.

Dat is fascinerend. Ons pro-sociale gedrag en onze geneigdheid tot kennisverwerving en wetenschap zijn kennelijk onderdeel van een en hetzelfde pakket van aanpassingen dat voor onze overleving cruciaal was..

En fascinerend is dat het onderzoek van Tim Kasser naar wat mensen in het leven nastreven hiermee
geheel overeenkomt. Want volgens dat onderzoek kun je mensen indelen naar of ze meer gemeenschapsaspiraties hebben of meer statuscompetitie-aspiraties. De gemeenschapsmensen streven naar naar zaken als goede relaties met anderen, iets goeds doen voor de maatschappij en anderen bijstaan, terwijl de statuscompetitiemensen erop uit zijn om veel geld te verdienen en om een hoge status te hebben. 

En wat blijkt? Het zijn de gemeenschapsmensen, en niet de statuscompetitiemensen, die het belangrijk vinden om zichzelf te ontplooien, dus om hun kennis te vergroten en zichzelf te ontwikkelen. 

Die statuscompetitiemensen worden meer gemotiveerd door de interne en individuele drijfveren van geld, status en roem, voor de verwerkelijking waarvan je juist wat minder met anderen rekening moet houden. Zie het bericht Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven? voor de negatieve gezondheidseffecten daarvan.

woensdag 31 januari 2018

De verschuiving van full employment naar full employability loopt tegen zijn grenzen aan - Over de taaleis, de sollicitatieplicht en de tegenprestatie

De verschuiving van het na-oorlogse sociaal-economische beleid gericht op volledige werkgelegenheid en verzorgingsstaat naar het neoliberale beleid van het geloof in de markt en de kleine overheid begon zo omstreeks 1970. Een prachtige beschrijving van die verschuiving gaven Bill Mitchell en Joan Muysken al in 2008 in Full employment abandoned: shifting sands and policy failures (zie hier voor de boekuitgave).

Een aspect van die verschuiving ligt op het vlak van de rechten waar je als burger op mag rekenen. Het Keynesiaanse beleid gericht op volledige werkgelegenheid ging samen met de opbouw van de verzorgingsstaat en in het bijzonder met de bijstandswet. Als je geen andere bron van inkomsten had, was er een recht op een bijstandsuitkering. Met als voorwaarde dat je werk moest zoeken en passend werk moest accepteren. Grote problemen leverde dat niet op, want er was immers die overheidsverantwoordelijkheid voor volledige werkgelegenheid. Banen waren er. En de overheid trad op als werkgever in laatste instantie. Tot de jaren 70 was de werkloosheid dan ook laag.

Dat veranderde dus daarna. Volledige werkgelegenheid als doelstelling van (macro-)economisch beleid verdween uit het zicht. De markt moest immers zijn werk doen. Werkloos zijn betekende dat je je eisen die je aan een baan stelde, nog niet genoeg naar beneden had bijgesteld. Werkloosheid was een keuze en werd dus ook in de economische modellen als "vrije tijd" beschouwd. De overheidsverantwoordelijkheid voor banen verdween en daarvoor in de plaats kwam de individuele verantwoordelijkheid voor inzetbaarheid (employability).

Dat leidde inderdaad tot hogere werkloosheid en daarmee op den duur tot de afbraak van rechten. Dat begon met verschillende aanpassingen van de bijstandswet. En meer recentelijk hebben we de tegenprestatie leren kennen en de taaltoets. Burgers hebben niet meer een voor ieder geldend recht op bijstand, maar er kan van hen worden verlangd dat ze "in ruil voor hun uitkering" een "maatschappelijk nuttige tegenprestatie verrichten". Of dat ze voldoende goed Nederlands spreken en dus met succes een taaltoets afleggen.

We lopen nu tegen de grenzen aan van waar dit soort beleid toe kan leiden. Want het handhaven van de eis van een tegenprestatie leidde aanvankelijk tot misstanden. Zie Mensenrechten van bijstandsgerechtigden geschonden?  Waarna, voor zover bekend, de gemeenten de uitvoering ervan versoepelden. Monique Kremer, Jelle van der Meer en Marcel Ham schreven daarover in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken: Werkt de zachte hand in de bijstand? Voor ruwweg de helft van de mensen in de bijstand krijgt de tegenprestatie vorm als vrijwilligerswerk, mantelzorg of werken aan je schulden of gezondheid.

En gisteren was er het bericht dat gemeenten de wettelijke taaleis voor de bijstand niet of nauwelijks handhaven: Gemeenten negeren wettelijke taaleis bijstand, taaltoets nauwelijks afgenomen. Handhaving zou inhouden dat bij het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal of het zich niet voldoende inspannen om die taal te leren, de uitkering gekort zou moeten worden. De eis is door de landelijke politiek bedacht, maar de gemeenten lopen aan tegen de grenzen van de uitvoering ervan.

Heel langzaam wordt duidelijk wat die neoliberale verschuiving van overheidsverantwoordelijkheid naar individuele verantwoordelijkheid allemaal concreet inhoudt. En komt de vraag op of we dat eigenlijk wel willen.

En natuurlijk kunnen dan de pleidooien voor de invoering van het onvoorwaardelijke basisinkomen geen verrassing meer zijn.