donderdag 23 maart 2017

De eurocrisis is grotendeels het gevolg van het eigenaardige Duitse anti-Keynesianisme

Europa heeft een probleem en het heet Duitsland. Dat wil zeggen; het Europese economische beleid, in het bijzondere het beleid van de eurozonelanden, wordt sterk beheerst door het eigenaardige Duitse, "ordoliberale", anti-Keynesiaanse denken en de overige landen bieden daartegen weinig tot geen weerstand. Een land als Nederland sluit zich er zelfs enthousiast bij aan.

Maar dat Duitse economische denken speelt zich af in een intellectueel isolement. Ik stond daar eerder bij stil in Marcel Fratzscher over het intellectuele isolement van de Duitse economen en politici en Hèt probleem van nu is niet Brexit, maar de Duitse dovemansoren - Over Eucken en Schacht. En door dat isolement krijgen denkfouten en verkeerde inzichten te weinig kans om gecorrigeerd en bijgesteld te worden.

Je vraagt je af hoe die opvallende ontwikkeling heeft kunnen plaats vinden. Iemand moet dat eens precies uitzoeken, bedacht ik zo nu en dan.

Welnu, dat is nu gebeurd. Jörg Bibow van het Levy Economics Institute of Bard College beschrijft de achtergronden van dat merkwaardige Duitse economische denken en van de fouten in dat denken in How Germany’s Anti-Keynesianism Has Brought Europe to Its Knees.

Ik heb het nu eenmaal doorgelezen en vind het fascinerende lectuur. Hopelijk krijgt het veel aandacht, ook in Nederland, waar de als knecht van de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble optredende Jeroen Dijsselbloem geheel ten onrechte voor een succesvol minister van Financiën wordt aangezien. Hier is de samenvatting:
This paper investigates the (lack of any lasting) impact of John Maynard Keynes’s General Theory on economic policymaking in Germany. The analysis highlights the interplay between economic history and the history of ideas in shaping policymaking in postwar (West) Germany. The paper argues that Germany learned the wrong lessons from its own history and misread the true sources of its postwar success. Monetary mythology and the Bundesbank, with its distinctive anti-inflationary bias, feature prominently in this collective odyssey. The analysis shows that the crisis of the euro today is largely the consequence of Germany’s peculiar anti-Keynesianism.
De eurocrisis is grotendeels het gevolg van het eigenaardige Duitse anti-Keynesianisme.

dinsdag 21 maart 2017

Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector

Mensen zijn van nature pro-sociaal, maar of ze zich ook pro-sociaal gedragen, hangt er ook vanaf of daartoe voldoende gelegenheid is.

In onze huidige, kapitalistische maatschappij is die gelegenheid er maar beperkt. Je kunt kijken naar waar mensen een baan zoeken. Dan zou je verwachten dat mensen die meer zoeken naar mogelijkheden om zich pro-sociaal te gedragen, liever in de publieke sector werken dan in de private sector. In de publieke sector, dus bij (semi-)overheidsinstellingen (bestuur, onderwijs, zorg, veiligheid), is je werk immers meer gericht op het dienen van het algemene belang, terwijl het in de marktsector meer gaat om het winstmotief.

En er zijn inderdaad sterke aanwijzingen dat werknemers in de publieke sector pro-socialer zijn dan in het bedrijfsleven. Daar kunnen we nu het onderzoek Serving the Public Interest in Several Ways:Theory and Empirics van Robert Dur en Max van Lent van het Tinbergen Instituut aan toevoegen.

Het gaat om een analyse van de data van de German Socio-Economic Panel Study, waarin de neiging tot pro-sociaal gedrag werd gemeten met de eenvoudige vraag "Hoe belangrijk vindt u het om er voor anderen te zijn?"

Het blijkt dan dat werkers in de publieke sector het belangrijker vinden om er voor anderen te zijn dan werkers in de marktsector. Dit blijft het geval als je de grens tussen publiek en markt op verschillende manieren trekt.

Verder bleek, zoals verwacht, dat degenen die er meer voor anderen willen zijn, meer geld doneren aan goede doelen.

En als je degenen vergelijkt die even pro-sociaal zijn, dan komt daaruit dat de publieke sector-werkers minder aan goede doelen geven dan de marktsectorwerkers. De onderzoekers interpreteren dat als een zogenaamd substitutie-effect: de marktsectorwerkers compenseren hun op winstgerichte werk door meer aan goede doelen te geven.

Máár: als je vervolgens rekening houdt met de inkomensverschillen tussen publieke en marktsector, dan valt dat effect vrijwel weg. In de marktsector liggen de inkomens hoger en een hoger inkomen gaat gepaard met meer geld doneren aan goede doelen.

Al met al zie je dus dat mensen die meer geneigd zijn tot pro-sociaal gedrag ook echt zoeken naar de mogelijkheid om zich volgens die neiging te gedragen. En in ons soort maatschappij houdt dat in dat ze liever in de publieke sector werken dan in de marktsector.

Daar moeten we misschien ook bij stilstaan als we het hebben over marktwerking en privatisering van overheidstaken.

maandag 20 maart 2017

Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

Voor het project "50 years" ben ik bezig met de vraag naar het leren van lessen uit het verleden. Die vraag kun je opvatten als de vraag naar persoonlijke ontwikkeling gedurende de levensloop. En die persoonlijke ontwikkeling kan betekenen dat je, zeg maar, beter leert te leven. Het leek me dat verschillende berichten op dit blog iets zouden kunnen vertellen over wat dat "beter leren te leven" inhoudt. Vandaar dat ik ze bij elkaar gezocht heb en hieronder heb weergegeven.


Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

(Blog 29 oktober 2011)

Iedereen wil graag gelukkig zijn, maar verstaan we wel hetzelfde onder geluk? Nee, er zijn verschillen tussen mensen in de betekenis die ze aan geluk geven. Een interessant verschil is dat naar leeftijd en dus naar hoeveel verleden iemand heeft om lessen uit te trekken.
Er zijn aanwijzingen (Mogilner, Kamvar en Aaker, 2011) dat jongeren bij geluk meer denken aan opwindende ervaringen ("excitement"), terwijl ouderen geluk meer opvatten als vredigheid ("peacefulness"). Dit lijkt er mee samen te hangen dat jongeren meer op de toekomst georiënteerd zijn en ouderen meer op het heden.

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Bij persoonlijke ontwikkeling kun je dus denken aan het leren van lessen uit je ervaringen met het oog op waar het in het leven echt om gaat.

(Blog 24 mei 2012)

Nieuw onderzoek (Brassen, Gamer, peters, Gluth en Büchel, 2012) wijst erop dat we met het succesvol ouder worden beter leren om met onze emoties om te gaan.

De onderzoekers lieten drie groepen proefpersonen, gezonde jongeren, gezonde ouderen en depressieve ouderen, keuzes maken die winst, maar ook verlies konden opleveren. Ze zagen op het computerscherm acht doosjes op een rij, die ze van links naar rechts konden openen. Elk doosje bevatte een opbrengst, behalve een per toeval bepaald doosje waarin een duiveltje bleek te zitten. Als je dat doosje opende, gingen alle tot dan toe verkregen opbrengsten verloren. Dat is natuurlijk spijtig en de onderzoekers gingen na hoe sterk mensen spijt en boosheid ervoeren en hoe ze reageerden.

In eerder onderzoek was gevonden dat jongeren, en niet ouderen, op spijt reageerden met in de volgende ronde meer risico te nemen. Dus met langer doorgaan doosjes te openen, met het steeds toenemende risico om een duiveltje te treffen. Omdat de plek van het duiveltje voor elke ronde opnieuw per toeval werd bepaald, en de proefpersonen hiervan op de hoogte waren, kun je deze reactie opvatten als door emoties van spijt en boosheid gedreven. In feite werd de kans op spijt in de volgende ronde erdoor vergroot. Als je je minder door de spijt laat leiden, dan geef je er blijk van in te zien dat je na elke ronde met een schone lei begint. En ouderen geven dus meer blijk van dat besef dan jongeren.

In dit nieuwe onderzoek werd ook een groep depressieve ouderen onderzocht en het bleek dat die vergelijkbaar reageerden als jongeren. Dat is er een aanwijzing voor dat succesvol ouder worden, in plaats van depressief ouder worden, gepaard gaat met een betere beheersing van emoties. Dit bleek ook uit de waarden van fysiologische stressmetingen tijdens het onderzoek: bij de depressieve ouderen (en bij de jongeren) namen de huidgeleiding en hartslag toe en bij de gezonde ouderen niet. 

En uit fMRI onderzoek bleek dat vooral bij gezonde ouderen het hersengebied van de anterior cingulate cortex werd geactiveerd. En daarvan is bekend dat het een rol speelt in de cognitieve beheersing van emoties en in het aandacht geven aan positieve gebeurtenissen, zeg maar, optimisme. Gezonde ouderen zouden daardoor beter in staat zijn om de oorzaak van mislukkingen niet alleen maar bij zichzelf te zoeken, beter dan jongeren en depressieve ouderen.

De onderzoekers speculeren dat het verschil tussen gezonde jongeren en gezonde ouderen adaptief is. In de zin dat jongeren nog een lang leven voor de boeg hebben en zich dus maar beter veel van mislukkingen kunnen aantrekken. Als je nog veel tijd te gaan hebt, dan "loont het" om je over je eigen gedrag zorgen te maken en te piekeren. Maar als je dat nog steeds doet als je oud bent, dan zou dat geen goede aanpassing zijn aan het kortere perspectief dat je nog voor je hebt. En zou het de kans op ouderdomsdepressie dus vergroten.

Dat kan. Maar het kan ook zijn dat wij in een leefomgeving opgroeien die zo afwijkt van onze natuurlijke leefomgeving dat we een flink deel van onze levensloop nodig hebben om er een goede weg in te vinden. Er is met andere woorden een lang leerproces nodig om onze emotionele reacties goed te leren beheersen, om minder stress te ondervinden en om je gelukkig te voelen en tevreden met je leven te zijn. Als dat zo zou zijn, dan hebben jongeren dus een achterstand in het leerproces van het leven op ouderen.

(Blog 21 maart 2014 en 7 januari 2013)

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er onderzoek waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd (Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. 2015). Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die
geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Brittannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het eraan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van word? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is. Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan. En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn.

We weten weliswaar dat met het ouder worden onze cognitieve vermogens achteruitgaan. We verwerken informatie minder snel en ons geheugen wordt slechter. Omdat het je verplaatsen in anderen (empathie) ook een cognitieve taak is, kan dat betekenen dat je ook daarin minder goed wordt. En daar zijn ook inderdaad aanwijzingen voor. Zo zijn ouderen minder goed in het oplossen van false belief tasks, wat wil zeggen dat ze zich minder goed kunnen verplaatsen in iemand die iets niet weet wat zij zelf wel weten. En ze blijken minder goed te zijn in het herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. Uit longitudinaal onderzoek blijkt dat deze vermogens ook inderdaad met het ouder worden achteruitgaan.

Maar net verschenen onderzoek werpt hier een nieuw en verrassend licht op. Want neem nu dat kunnen herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. De Chinese en Amerikaanse onderzoekers (Zhang, Fung, Stanley, Isaacowitz en Ho, 2013) gaven jongeren (tussen 18 en 29 jaar) en ouderen (tussen 60 en 82 jaar) een emotieherkenningstaak, aan de hand van een serie foto's van gezichten die oftewel boosheid, geluk of verdriet uitdrukten. Toen bleek inderdaad dat jongeren de emoties beter herkenden dan de ouderen.

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

En die grotere selectiviteit zou er weleens aan kunnen bijdragen dat ouderen de stress van de statuscompetitie achter zich kunnen laten.

Ik denk dus dat die U-vorm van geluk voortkomt uit de grote mate van statuscompetitie die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang-oetans zien we diezelfde U-vorm (Weiss, King, Inoue-Murayama, Matsuzawa en Oswald, 2012).

Samengevat: dat wij mensen zoiets als persoonlijke ontwikkeling kennen, en dat we dus lessen uit ons verleden leren, betekent dat we met het ouder worden (uiteindelijk) gelukkiger worden, onze authentieke behoeftes beter kennen, beter met onze emoties omgaan en selectiever worden. En dat alles hangt er weer mee samen dat we opgroeien in een statuscompetitieve maatschappij, dat wil zeggen in een mismatch tussen onze natuurlijke aanleg tot goedheid en de statuscompetitieve omgeving waarin we opgroeien.

Wat zijn eigenlijk die aanwijzingen voor onze natuurlijke goedheid? Daarover gaan de volgende drie blogberichten.

(Blog 29 december 2016)

Zijn wij van nature goed? Ja, volgens nieuw onderzoek is dat zo.

Daarover zo meteen meer. Eerst: wat betekent het eigenlijk om "van nature" iets te zijn of "van nature" iets te kunnen?

Ik dacht daarover na toen ik bij hoofdstuk 2 (The Testimony of the Senses) van David Eagleman's boek Incognito. The Secret Lives of the Brain) was aangekomen. Hersenonderzoeker Eagleman legt daarin uit hoe wij leren zien.

Dat gebeurt niet alsof wij met een leeg schoolbord in onze hersenen geboren worden waarop dan vervolgens alle binnenkomende prikkels worden geprojecteerd en opgeslagen. Dat zou betekenen dat er pas hersenactiviteit ontstaat als er van buiten prikkels arriveren.

Nee, er is in die hersenen al van alles aan de gang en die activiteit wordt veranderd en bijgesteld (gemoduleerd) door wat er binnenkomt.

Waarnemen is dus nooit alleen maar registreren. Het is het bijstellen van wat er al aan activiteit is. Eagleman (p. 45):
internally generated activity is modulated by sensory input. In this view, the difference between being awake and being asleep is merely that the data coming in from the eye anchors the perception. Asleep vision (dreaming) is perception that is not tied down to anything in the real world; waking perception is something like dreaming with a little more commitment to what's in front of you.
Hetgeen verklaart dat wij "hallucinaties" krijgen bij zintuiglijke deprivatie, zoals in een donkere en geluidsdichte kamer. We blijven dan waarnemen, maar zonder input van de buitenwereld.

We worden dus al waarnemend geboren, maar dat speelt zich dan nog af binnen het gesloten systeem van onze hersenen. Op grond daarvan gaan we de externe wereld waarnemen, doordat de interne "beelden" worden bijgesteld aan de hand van wat er binnenkomt.

Vergelijk dat met het programma voor lopen dat in ons zenuwstelsel bij de geboorte klaarligt. Leren lopen betekent dat dat programma wordt bijgesteld zodra een volwassene je onder je armpjes pakt en je met je voetjes op de vloer zet. Je hebt dan al van nature de neiging om een soort pasjes te maken. Wat je dan voelt, zijn de prikkels waarmee je loopprogramma wordt bijgesteld en verfijnd.

Nu terug naar de vraag of wij van nature goed zijn. Zijn wij net zoals op waarnemen en lopen ook voorbereid op een sociaal leven waarin mensen elkaar goedgezind zijn?

Je zou zulks kunnen verwachten omdat kinderen gedurende verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis geboren werden in (jagers-verzamelaars-)groepen waarin delen en samenwerken vanzelfsprekend waren. In de huidige samenleving is er daarnaast ook vrijwel altijd statuscompetitie en statushiërarchie, maar die toestand bestaat nog maar zo'n acht- tot tienduizend jaar.

Een aardig inzicht in onze natuurlijke goedheid geeft de studie The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture (Hepach, Vaish en Tomasello, 2017). Zie ook de eerdere studie Young children are intrinsically motivated to see others helped van dezelfde onderzoekers.

De onderzoekers lieten kinderen van twee en een half jaar een spelletje doen waarbij ze konden slagen of niet. De positieve emotie bij het slagen werd, volgens een bekende procedure, afgelezen aan de lichaamshouding en de gelaatsuitdrukking (glimlachen). Het bleek toen dat de kinderen net zo positief reageerden als ze zelf slaagden als wanneer ze een ander hadden geholpen met te slagen.

In die eerdere studie was al gebleken dat kinderen van twee jaar even positief reageerden als zij zelf iemand hadden geholpen dan wanneer een ander die persoon hielp. Een aanwijzing dat het er om ging dat iemand hulp kreeg. In plaats van dat jij je erop zou willen voorstaan dat jij had geholpen. In dat laatste geval zou het gaan om berekenend pro-sociaal gedrag.

Aanwijzingen dus dat wij van nature goed zijn. Dat we er op zijn voorbereid om anderen bij te staan en om het als plezierig te ervaren dat anderen worden geholpen.

En dat brengt je tot het inzicht dat het opgroeien en het opgevoed worden en het socialiseren in de maatschappij waarin wij leven, er in resulteert dat die natuurlijke goedheid wordt bijgesteld, veranderd en, ja, deels de kop ingedrukt.

Ik moest denken aan Picasso, die gezegd moet hebben dat elk kind als kunstenaar wordt geboren, waarna dat talent in de opvoeding en het onderwijs wordt verdrongen.

(12 januari 2017)

Een andere aanwijzing voor onze natuurlijke goedheid zou zijn als zou blijken dat wij meer pro-sociaal zijn als we minder tijd hebben om na te denken. Als het onze eerste impuls is om iemand te helpen die hulp kan gebruiken, dan wijst dat erop dat die goedheid als het ware is ingebakken. Zeker als zou blijken dat we minder zouden helpen als we meer tijd hebben. Het nadenken over wat het helpen ons zou kosten, zou dan tot gevolg moeten hebben dat we onze help-impuls onderdrukken.

Of dat zo werkt, is onderzocht in de studie Intuitive help and punishment in the field van onderzoekers van de Erasmus Universiteit (Artavia-Mora, Bedi en Rieger, 2017). Ze deden dat onderzoek op het Malieveld in Den Haag. Een van de onderzoekers stelde zich daar op en liet een handschoen op de grond vallen als er een voorbijganger naderde. Daarbij de indruk wekkend dat hij dat zelf niet merkte.Hij deed dat oftewel als die voorbijganger op 13 meter afstand was oftewel als die al tot 4,5 meter genaderd was.

Die afstanden waren gemarkeerd met fietsen die
daar onopvallend waren neergezet (er stonden meer fietsen). Op de foto zie je een situatie met een korte afstand.

Gekeken werd of de voorbijganger gewoon doorliep of op de ene of de andere manier hielp (de handschoen oppakken en aanreiken of erop attenderen dat de handschoen was gevallen). Naderhand werden alle voorbijgangers ondervraagd, waarbij bij degenen die gewoon waren doorgelopen gevraagd werd of ze het vallen van de handschoen hadden opgemerkt. Als dat niet het geval was, werden ze niet meegeteld.

Het bleek toen dat in die gevallen waarin de afstand 4,5 meter was, waarin je ongeveer 3,5 seconden de tijd hebt, meer voorbijgangers hielpen (74,6 procent) dan wanneer de afstand 13 meter was en je ongeveer 10 seconden de tijd hebt (56,5 procent), een statistisch significant verschil. Hoe minder tijd je hebt om na te denken, hoe groter de kans dat je helpt.

(21 mei 2012)

Er is meer onderzoek dat in deze richting wijst. Uit Are social value orientations expressed automatically? Decision making in the dictator game (Cornelissen, Dewitte en Warlop, 2011) valt op te maken dat als we niet te veel nadenken, zeg maar spontaan of automatisch handelen, pro-socialer zijn dan wanneer we weloverwogen handelen.

De onderzoekers baseren zich op de inzichten die we hebben in de verschillen tussen mensen in hun sociale waardenoriëntaties. Mensen lijken behoorlijk goed te kunnen worden ingedeeld in aanhangers van pro-sociale waarden en aanhangers van egoïstische waarden. Als je mensen vraagt om te kiezen tussen allerlei verdelingen over henzelf en "een andere persoon", dan blijken sommigen een voorkeur te hebben voor zo groot mogelijke en zo gelijk mogelijke opbrengsten voor beiden. Dit zijn de pro-socialen. Maar anderen, de egoïsten, geven er blijk van dat ze alleen maar zelf een zo hoog mogelijke opbrengst willen (de individualisten) of een zo groot mogelijk verschil met de andere persoon in hun eigen voordeel (de competitievelingen). Deze waarden blijken behoorlijk stabiel te zijn. En de meeste mensen blijken ingedeeld te kunnen worden als pro-sociaal of egoïstisch.

Van de 159 proefpersonen die aan dit onderzoek meededen, bleken er 80 voldoende consistent pro-sociaal te zijn en 70 voldoende consistent egoïstisch. Deze 150 personen kregen vijf munten van €0,20, die ze moesten verdelen over zichzelf en een willekeurige andere, anonieme, deelnemer, waarbij gold dat ze konden houden wat ze voor zichzelf hielden. Met andere woorden, ze speelden een zogenaamd Dictator Spel.

Voorafgaand aan dat spel kreeg de ene helft van de deelnemers de opdracht om dit getal van zeven cijfers te onthouden: 5684524. Terwijl de andere helft het getal 1234567 moest onthouden. Beide getallen waren gedurende 8 seconden op het computerscherm te zien. Deze opdracht was bedoeld om te kunnen nagaan wat het effect zou zijn van het cognitief afgeleid worden bij het spelen van het Dictator Spel. Uiteraard vergt het veel meer bewuste aandacht om dat eerste getal te onthouden dan het tweede. En de gedachte was dat daardoor de beslissing over hoeveel munten weg te geven veel meer automatisch en minder weloverwogen zou worden genomen.

Wat was het resultaat? De cognitieve afleiding zorgde er alleen bij de pro-socialen voor dat ze meer munten weg gaven. Als ze niet werden afgeleid, en er dus meer over na dachten, gaven ze minder weg en wel net zo veel als de egoïsten. De bestaande neiging tot pro-sociaal gedrag komt dus gemakkelijker tot uiting als je meer automatisch handelt.

Wat gebeurt er dan precies bij dat meer weg geven als je automatisch handelt? De onderzoekers vermoedden dat pro-socialen meer de neiging hebben om zich verbonden te voelen met anonieme, andere personen. En dat egoïsten minder die neiging hebben. Dat bleek in een vervolgonderzoek ook inderdaad het geval te zijn. (Voor de geïnteresseerden: ze deden dat met de Inclusion of Other in the Self Scale.) En bovendien bleek dat grotere gevoel van verbondenheid voor een deel te verklaren waarom pro-socialen meer weg gaven als ze werden afgeleid. Als pro-socialen er minder over nadenken, nemen ze gemakkelijker aan dat een anonieme andere persoon iemand is waar mee je je wel verbonden kunt voelen. En dus geven ze meer weg.

Dat werd tenslotte nog eens op een andere manier bevestigd door in een derde onderzoek de helft van de proefpersonen de indruk te geven dat ze het Dictator Spel speelden met een andere persoon die wat interesses en dagelijkse bezigheden sterk op hen leek. Uit veel onderzoek blijkt dat mensen zich gemakkelijker verbonden voelen met anderen die op hen lijken. En wat bleek? Degenen die speelden met iemand die op hen leek gaven meer weg dan degenen die speelden met iemand die juist weinig op hen leek, maar alleen als ze werden afgeleid. En dit gold niet alleen voor de pro-socialen, maar ook voor de egoïsten. Ook de egoïsten geven meer weg aan iemand waarmee ze zich verbonden voelen, maar alleen als ze er niet te lang over kunnen nadenken.

Wat leren we hiervan? Dat waarschijnlijk ook in situaties in het dagelijks leven waarin mensen meer of minder met anderen rekening kunnen houden, en waarin geen duidelijke normen bestaan over hoe je je hoort te gedragen, mensen die al pro-sociaal van aard zijn, zich pro-socialer gedragen als ze meer op de automatische piloot handelen. En dat laatste geldt zelfs ook voor egoïsten, maar alleen als ze zich met anderen verbonden voelen.

Dit alles lijkt mij te suggereren dat onze impuls tot pro-sociaal gedrag ook echt een impuls is. En dus vanuit een "dieper" niveau van onze hersenen afkomstig is dan daar waar we bewust en weloverwogen over ons gedrag nadenken.

(6 februari 2017)

Dat mensen van nature goed zijn, betekent natuurlijk niet dat ze zich altijd pro-sociaal gedragen. Belangrijk is of ze signalen waarnemen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen.

Want mensen zijn zowel in staat tot gemeenschapsgedrag als tot statuscompetitiegedrag en laten zich bij de "keuze" daartussen leiden door wat ze anderen zien doen.

Het mooie van pro-sociaal gedrag is dus dat je er dubbel goed mee doet: niet alleen doe je zelf iets goed voor anderen, maar je draagt er ook toe bij dat derden dat waarnemen en zich daardoor ook pro-sociaal gaan gedragen.
Dat dat zo werkt, blijkt nu weer eens uit het nieuwe onderzoek: Indirect reciprocity and prosocial behaviour: Evidence from a natural field experiment (Mujcic en Leibbrandt, 2017).

Het gaat om een experimenteel veldonderzoek, uitgevoerd op een grote parkeerplaats in een stad in Australië. Die parkeerplaats had een serie uitgangen naar een over de gehele breedte gelegen weg. Als je die parkeerplaats verlaat, dan kan het gebeuren dat er van rechts een auto komt aanrijden die jou wel of niet de gelegenheid geeft om de weg op te rijden. Als de bestuurder van die auto dat doet, dan is dat een vorm van pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers hadden het experiment zo opgezet dat ze eerst na gingen hoe vaak het gebeurde dat als een van hen de parkeerplaats wilde verlaten op het moment dat een auto aan kwam rijden, die automobilist inhield in plaats van door te rijden. Dat bleek in bijna 15 procent van de gevallen te gebeuren. Dat is, zou je kunnen zeggen, in deze situatie de hoeveelheid pro-sociaal gedrag die je als baseline kunt verwachten.

Maar wat gebeurde er als die automobilist die aan kwam rijden, even daarvoor zelf bij het verlaten van de parkeerplaats voorrang had gekregen? Dat gebeurde in die experimentele conditie door de andere onderzoeker die daar "toevallig" net kwam aanrijden en hoffelijk inhield.

In die gevallen verdubbelde het pro-sociale gedrag tot ruim 32 procent, een statistisch significant verschil.

We kunnen dus allemaal iets bijdragen aan een aardiger maatschappij. Door aardig gedrag van anderen uit te lokken door zelf aardig te zijn. Niet als een voor-wat, hoort-wat, maar gewoon als het goede voorbeeld. Als een herinnering aan hoe we zouden willen dat we met elkaar omgaan.

En ook dit onderzoek wijst erop dat we een natuurlijke neiging hebben tot pro-sociaal gedrag, maar dat die in werking treedt als we maar genoeg aanwijzingen krijgen voor de aanwezigheid van een sociale omgeving van wederzijdse hulpvaardigheid en goedgezindheid.

Literatuur
Artavia-Mora, L., Bedi, A.S. en Riger, M. (2017). Intuitive Help and Punishment in the Field. European Economic Review 92: 133-145
Brassen, S., Gamer, M., Peters, J., Gluth, S. en Büchel, C. (2012). Don’t Look Back in Anger! Responsiveness to Missed Chances in Succesful and Nonsuccesful Aging. Science 336: 612-614
Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. (2015). Longitudinal Evidence for a Midlife nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets. The Economic Journal 127: 126.142
Cornelissen, G., Dewitte, S. en Warlop, L. (2011). Are Social values Orientations Expressed Automatically? Decision Making in the Dictator Game. Personality and Social Psychology Bulletin 37: 1080-1090
Eagleman, D. (2016). Incognito. The Secret Lives of the Brain. Canongate Books, Edinburgh en Londen
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2012). Young children are intrinsically motivated to see others helped. Psychological Science 23: 967-972
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2017). The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture. Developmental Psychology 53: 100-113
Mogilner, C.; Kamvar, S.D. en Aaker, J. (2011). The Shifting Meaning of Happiness. Social Psychological and Personality Science 2: 395-402
Mujcic, R. en Leibbrandt, A. (2017). Indirect Reciprocity and Prosocial Behaviour: Evidence From a Natural Field Experiment. The Economic Journal Accepted manuscript online 24 Januari
Sheldon, K.M. en Kasser, T. (2001). Getting older, Getting Better? Personal Strivings and Psychological Maturity Across the Life Span. Developmental Psychology 37: 491-501
Stone, A.A., Schwartz, J.E., Broderick, J.E. en Deaton, A. (2010). A Snapshot of the Age Distribution of Psychological Well-Being in the United States. PNAS 107: 9985-9990
Weiss, A., King, J.E., Inoue-Murayama, M., Matsuzawa, T. en Oswald, A.J. (2012). Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being. PNAS 109: 19949-19952
Zhang, X., Fung, H.H., Stanley, J.T., Isaacowitz, D.M., en Ho, M.Y. (2013). Perspective Taking in Older Age Revisited: A Motivational Perspective. Developmental Psychology 49: 1848-1858

donderdag 16 maart 2017

Wilders heeft gewonnen. En over waarom de PvdA is geïmplodeerd

Twee commentaren op de verkiezingsuitslag springen er wat mij betreft uit.

Het ene is dat Geert Wilders in feite de verkiezingen gewonnen heeft. Rutger Bregman wijst daarop. Niet alleen heeft hij er vijf zetels bijgekregen, maar hij is er ook in geslaagd om andere partijen, met name VVD en CDA, inhoudelijk zijn kant op te trekken.

En hij heeft het voor elkaar gekregen dat mensenrechten in de Nederlandse politiek niet langer vanzelf spreken. Het is immers niet zomaar dat Amnesty International vandaag in de dagbladen een volle pagina heeft ingekocht om de politici te herinneren aan de 30 artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Me bekroop een gevoel van plaatsvervangende schaamte toen ik vanochtend die pagina opsloeg.

En het tweede commentaar dat mij trof, is dat van Merijn Oudenampsen, die zich buigt over de implosie van de PvdA, (Full disclosure: ik was lang een PvdA-stemmer, maar heb dit keer nummer 6 van GroenLinks gestemd.) Ik citeer maar even een passage:
De afgelopen twintig jaar heeft de PvdA aan haar aanhangers verteld dat zij hun verwachtingen moeten temperen. Dat een werkelijke linkse politiek niet mogelijk is. Dat burgers teveel kijken naar de overheid om problemen op te lossen en zorg te dragen voor kwetsbaren. Dat het antwoord, of het nu de zorg is, klimaatverandering of discriminatie, niet bij de overheid maar bij de markt gezocht moet worden.
De partij presenteerde dit niet als een bewuste politieke keuze maar als een technocratische noodzaak. We kunnen niet anders. We moeten realistisch zijn. Misschien is dat het probleem van de technocratische politiek, zoals die is voorgestaan door de PvdA in de afgelopen twintig jaar. Dat mensen erin zijn gaan geloven. Het probleem is niet de falende communicatie van de PvdA, zoals Lodewijk Asscher stelde op de avond van de uitslag. Het probleem is juist dat de PvdA haar kiezers overtuigd heeft. Dat ze ‘realistisch’ zijn geworden. Dat ze daarom überhaupt niet meer op links stemmen.
Je vertelt mensen dat er geen andere keuze is, dat je moet bezuinigen in crisistijd: dat de overheid niet kan investeren, geen werkgelegenheid kan creëren, niets werkelijk fundamenteels kan doen aan ongelijkheid, klimaatverandering en arbeidsmarktdiscriminatie. Wat als ze dat gaan geloven? Waarom zou je dan nog links stemmen?
En o, wat ben ik het daar mee eens. En ik moest denken aan de toespraak van Lodewijk Asscher gisteravond. Waarin hij verzekerde dat de sociaal-democratie weer zou opstaan, maar waarin hij ook de inhoud daarvan niet beter wist te omschrijven dan met het schamele "een fatsoenlijke samenleving".

En o, wat had het anders gekund. De sociaal-democratie had niet hoeven meebuigen met de neo-liberale golf. Er was alles voor te zeggen geweest om de sociaal-democratische verzorgingsstaat als hoeder van bestaanszekerheid, met verve en overtuiging te verdedigen en verder te ontwikkelen.

Door dat na te laten, heeft de PvdA sterk bijgedragen aan de verkleining van het politieke speelveld. Waardoor de SP, die eigenlijk de sociaal-democratische erfenis nog bewaakt, ten onrechte kon worden weggezet als "te radicaal".

Er valt van alles meer over te zeggen. Maar nu verwijs ik maar even naar:

De Nederlandse sociaal-democratie heeft zich nog niet aan de neo-liberale dominantie ontworsteld.
en
Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

dinsdag 14 maart 2017

Naast het ontvangen van steun is het geven van steun goed voor je

Toen sociaalwetenschappelijk onderzoekers zich bezig gingen houden met het verband tussen sociale omgeving en welbevinden en gezondheid, zaten ze aanvankelijk op het spoor dat het ontvangen van sociale steun voor dat verband verantwoordelijk is. Volgens die redenering is het hebben van relaties met familie en vrienden goed voor je doordat zij jouw (materiële en emotionele) steun geven als je die nodig hebt en is het die ontvangen steun die positieve effecten heeft. Zie Gezondheid en sociale omgeving (2): sociale steun ontvangen, waarnemen en geven.

Die redenering was nog gebaseerd op een economisch gedragsmodel van eigenbelang en het afwegen van kosten en baten. Ontvangen steun ligt aan de batenkant en het is dus "logisch" dat je je daardoor beter voelt.

Volgens diezelfde redenering zou dus het geven van steun aan anderen negatieve effecten moeten hebben. Het gaat immers om kosten. Maar dat bleek dus al gauw niet te kloppen. Als je in onderzoek mensen vraagt naar hoeveel steun ze ontvangen en hoeveel ze geven, dan komt daar eigenlijk altijd uit dat beide positief uitwerken op het welbevinden en de gezondheid en de levensduur.

En dat is in de sociale wetenschappen een van de aanleidingen geweest om dat economische gedragsmodel te vervangen door een evolutionair-psychologisch model van de mens als een sociale diersoort. Exemplaren van een sociale diersoort zijn voor hun overleving en reproductie afhankelijk van het hebben van goede relaties met anderen en zijn er op geselecteerd om het prettig te vinden die anderen bij te staan. Niet uit economische (!) berekening, maar doordat het goed voelt. Vandaar het inzicht dat mensen van nature goed zijn. Zie Zijn wij van nature goed? Ja, maar... en Zijn mensen van nature zorgverleners? Waarom voor een ander zorgen goed voor je is.

Het nieuwe onderzoek The psychological costs of social support imbalance: Variation across relationship context and age is de aanleiding om daar weer eens bij stil te staan. Uit analyses van het Midlife in the United States - project blijkt dat zowel het ontvangen als het geven van steun elk op zich samen gaan met minder stress, minder depressieve klachten, minder angstgevoelens en een betere stemming.

Wat er weer eens op wijst dat mensen van nature zorgverleners zijn. Denk er ook nog even aan dat een zinvol leven leiden, wat onder meer inhoudt dat je anderen bijstaat, beter voor je is dan gelukkig zijn (Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter).

In het onderzoek werd ook gekeken naar de effecten van onevenwichtigheid in het uitwisselen van steun, dus van het meer steun krijgen dan geven en andersom. Daaruit blijkt dat beide minder gunstig uitwerken in vergelijking met een toestand van evenwicht, dus niet alleen het minder krijgen dan geven, maar ook het minder geven dan krijgen. Maar dat laat onverlet dat het geven van steun goed voor je is.

vrijdag 10 maart 2017

Hoeveel mensen zijn hier nu? Dagelijkse uitzwerming van uur tot uur te volgen

Het CBS heeft een animatie gemaakt op basis van anonieme, geaggregeerde gegevens over de locaties per uur van mobiele telefoons. Als je die gegevens afzet tegen de gegevens over hoeveel mensen waar wonen, kun je verdeeld over de dag zien waar meer mensen aanwezig zijn dan er wonen en waar minder. Zie Hoeveel mensen zijn hier nu? en klik daar de animatie aan.

Wat zich dan voor je ogen afspeelt, is het proces van uitzwerming waar ik het in 2003 over had in Geld en 'de rest'. Over de noodzaak van gemeenschapsbeleid. Zie Deel I. De perfectionering van het kapitalisme en de teloorgang van gemeenschap en Deel II. Gemeenschapsachteruitgang en richtlijnen voor gemeenschapsbeleid.

Uitzwerming is het proces van toename van dagelijkse verplaatsingen en verplaatsingsafstanden tussen wonen, werk en andere activiteiten, zoals winkelen, onderhouden van face-to-face sociale contacten en vrijetijdsbestedingen. Die toename is een gevolg van de toename van functiescheiding tussen wonen en werken die na de Tweede Wereldoorlog optrad. Die had allerlei oorzaken, maar hing in ieder geval ook samen met processen van schaalvergroting en ruimtelijke concentratie van bedrijven, openbaar bestuur en voorzieningen.


Daardoor is de economie minder ruimtelijk over het land uitgesmeerd. In het dorp waar ik in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw opgroeide waren nog een zuivelfabriek, een slachterij en een veevoederfabriek. En er was een gemeentehuis en er waren gemeentelijke diensten. Veel dorpsbewoners konden daardoor lopend of op de fiets naar hun werk. Die menging van wonen en werken was bevorderlijk voor het elkaar kennen. Door schaalvergroting van bedrijven en door gemeentelijke herindelingen is daar niets meer van over. (Ik vertel er over op Finster op Fryslân.)


Dat hele proces was in puur economisch opzicht goed te rechtvaardigen. Daarom betitelde ik het ook als "perfectionering van het kapitalisme".

Maar het had sociale nadelen. De eerste die daar op wees was Robert Putnam in zijn geruchtmakende Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community (2000). Hoofdstuk 12 van dat boek is er aan gewijd en heeft als titel Mobility and Sprawl. Uitzwerming is mijn vertaling van dat sprawl.


Het resultaat van zijn analyse van onderzoeksgegevens valt te omschrijven als (ik citeer mezelf uit 2003):

Hoe meer tijd mensen besteden aan woon-werkverplaatsingen, hoe minder contact ze hebben met familie, vrienden en buurtgenoten, én hoe minder ze participeren in politiek, verenigingen en vrijwilligerswerk. Het opvallende daarbij is dat dit laatste niet alleen geldt voor de forenzen zelf, maar ook voor hun buurtgenoten die niet forenzen, bijvoorbeeld omdat ze gepensioneerd zijn. Hoe meer, en hoe langer, jouw buurtgenoten forenzen, hoe minder sociaal en maatschappelijk actief jij bent.
Dit zal er deels aan liggen dat forenzen minder tijd overhouden voor sociale en maatschappelijke activiteiten, en daardoor minder beschikbaar zijn om dat samen met buurtgenoten te doen. Maar voor een ander deel zal het komen doordat de sociale contacten van forenzen meer uit elkaar getrokken zijn. Je kent mensen van je werk en je kent mensen uit je buurt. Maar de kans dat mensen van je werk in jouw buurt wonen, is kleiner hoe verder je van je werk woont. En het is makkelijker om contacten met anderen te maken en te houden, hoe vaker, en in hoe meer hoedanigheden, je die personen tegenkomt. Anders gezegd: uitzwerming betekent fragmentatie van relaties en dat is schadelijk voor gemeenschap.
Afijn, dat proces van uitzwerming kun je dus nu in die animatie van het CBS van uur tot uur volgen. Ik stond daar al bij stil in de berichten Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt en Steeds minder ontmoetingsplekken door schaalvergroting en ruimtelijke concentratie.

Dat er ook nadelen zijn voor het fysieke milieu blijft dan nog buiten beschouwing.

donderdag 9 maart 2017

Leert het verleden lessen? En over sociale zeepbellen

Hoe na te denken over de toekomst? Zeg, over de komende vijftig jaar? Zie Wat stuur je in een tijdcapsule naar 2067?

Me dunkt, door naar het verleden te kijken en na te gaan welke lessen daaruit zijn te leren.

Dat geldt op het persoonlijke vlak. Door terug te kijken op wat je zoal gedaan hebt en hoe dat heeft uitgewerkt, kom je meer of minder bewust tot aanpassingen van je gedrag en tot nieuwe voornemens. Dat noemen we wel persoonlijke ontwikkeling. Samen met de notie van een mismatch tussen onze sociale natuur en de aard van de sociale omgeving waarin we na de geboorte terechtkomen, verklaart zulks dat we door de bank genomen gedurende onze levensloop iets gelukkiger worden. We leren te leven in een omgeving die niet naadloos past bij onze natuurlijke aanleg, zoals onze natuurlijke goedheid.

Zie Geluk en ouder worden, Succesvol ouder worden en omgaan met emoties en Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe. En zie over onze natuurlijke goedheid: Zijn wij van nature goed? Ja, maar..., Meer pro-sociaal gedrag als je minder tijd hebt om na te denken en
Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk.

Maar het geldt natuurlijk ook op het vlak van hoe we de maatschappij beter kunnen inrichten. Want het is onloochenbaar dat onze drijfveer om te werken aan een beter leven ook geactiveerd wordt als het gaat om het samenleven, om maatschappij-inrichting, beleid en politiek. De meeste mensen zijn niet alleen maar egoïstisch.

Als je met die blik nu, in 2017, naar de toekomst kijkt, welke lessen leert het verleden dan? Met die vraag in mijn hoofd bedacht ik me dat ik me al eens eerder met zulke lessen uit het verleden had beziggehouden. Dat was in 2003, toen ik onder de titel "Geld en 'de rest'. Over de noodzaak van gemeenschapsbeleid" een tweeluik schreef over het thema dat we na de Tweede Wereldoorlog er in economisch opzicht wel op zijn vooruitgegaan, maar in sociaal opzicht niet. Dat 'de rest' in de titel staat voor wat je sociale welvaart zou kunnen noemen.

Dat tweeluik is voor een deel gepubliceerd, in de Sociologische Gids. Ik las het nu weer eens door. Hier zijn de links naar de beide delen (het meeste van het tweede deel is daarmee nu voor het eerst openbaar toegankelijk):

Een les die ik daar nu uit leer is dat ik toen, in 2003, nog in zoiets geloofde als "de perfectionering van het kapitalisme". Die formulering was weliswaar licht ironisch bedoeld, maar ik moet toegeven dat ik toen nog wel dat het met het kapitalisme, puur economisch gezien, de goede kant op ging. Er zou meer aandacht moeten zijn voor sociale welvaart en niet zo eenzijdig voor alleen maar economische. Maar afgezien daarvan leek het mij dat de overheden de economische problemen wel aan konden.

Ik had beter kunnen weten. Er was immers al de internetzeepbel geweest, die in 2000 knapte en tot een, weliswaar lichte, recessie leidde. En er was het Enron-schandaal geweest. Maar er was toch nog de allesoverheersende consensus dat het de goede kant op ging. Er was nog het geloof in de Great Moderation

Er hing een optimisme in de lucht dat mij er toen toe aanzette om te denken dat we ons in een proces van perfectionering van het kapitalisme bevonden. En het belangrijkste leek om daar sociaalwetenschappelijke kanttekeningen bij te plaatsen.

Dat alles werd radicaal anders toen in 2008 de crisis uitbarstte, eerst in de Verenigde Staten en met wat vertraging overgewaaid naar Europa. Toen bleek dat veel van de welvaartsgroei op een zeepbel berustte.

En van de weeromstuit ging iedereen over sociale zeepbellen praten. Er was naast de financiële zeepbel de sociale zeepbel van het geloof in de weldaden van de ongebreidelde marktwerking, het neo-liberalisme. En ik begon in 2011 het geloof van politici in het bezuinigen als het beste antwoord op de crisis te karakteriseren als de bezuinigingszeepbel.

Een belangrijke les die je, kortom, uit het verleden kunt trekken, is dat de kans op sociale zeepbellen aanzienlijk is. Over het publieke domein zijn we nu eenmaal minder goed geïnformeerd dan over het persoonlijke domein. En in geval van gebrekkige informatie kijken we naar elkaar en naar wat de meerderheid lijkt te denken en zijn we sterk onderhevig aan sociale beïnvloeding.

Zo was ik in 2003 nog onderdeel van die neo-liberale sociale zeepbel en geloofde ik nog in de perfectionering van het kapitalisme.

woensdag 8 maart 2017

De overheidsbegroting is nog steeds geen huishoudboekje - Over onkunde in de politiek en de media

Je meende in een wereld te leven waarin eenmaal verworven inzichten in hoe de economie werkt en wat de rol van de overheidsbegroting daarin is, niet zo maar verloren kunnen gaan. Of door politici zomaar genegeerd kunnen worden.

Toch leven we in zo'n wereld. Simon Wren-Lewis staat daar vandaag maar weer eens bij stil. In Engeland gaat het tijdens de "Begrotingsdag" (Budget Day) weer alleen maar over hoeveel schuld er is en over hoeveel er geleend wordt. Alles gebaseerd op de onjuiste en zo vele malen empirisch weerlegde gedachte dat de overheid maar beter geen schulden kan maken en dat de gemaakte schulden een last op zijn op de ruggen van toekomstige generaties. En gebaseerd op de onjuiste gedachte dat je de overheidsbegroting als een huishoudboekje moet zien. Het is om wanhopig van te worden. Wren-Lewis daarover (in Budget Day Nonsense):
I can confidently forecast that today you will hear a great deal, at great length, about how the path of government borrowing has changed since the Autumn Statement. Journalists will ask endlessly whether he has done enough to reduce borrowing, or whether he had enough money to spend more. At the moment this is all utterly meaningless. In fact it is worse than that. It encourages people to think that government budgeting is just like household budgeting. It is, to be blunt, what gave us the disaster that was austerity.

What any macroeconomist should ask of this budget is has the Chancellor done enough to get UK interest rates off the zero lower bound: to get us out of what economists call a liquidity trap. When interest rates have gone as low as the Bank of England feels able to take them, then it has lost control of the economy. That is the situation right now. The only duty of the Chancellor in that situation is to give the Bank back control through a fiscal stimulus. [1] If he does do that the short term deficit and borrowing numbers that go with that stimulus are completely irrelevant. If he does not do that his budget has failed.

That is basic macroeconomics. But you will not hear any macroeconomics from the Chancellor, or most of the mainstream media. The idea that the Bank does macroeconomic stabilisation and the Chancellor does bookkeeping has become embedded in mediamacro, and even seven years in a liquidity trap has not been able to change this. Alas even the IFS, which is so brilliant at everything else, does not do macro and so reinforces the household budgeting metaphor.
Dat de overheid geen huishouden is en de overheidsbegroting geen huishoudboekje, zijn reguliere macro-economische inzichten, die je in elk handboek macro-economie aantreft. Maar het blijkt dat zulke belangrijke publieke kennis verloren kan gaan. Zie Jan Pen in 1965 en de onmiskenbare terugval in publieke kennis. Dat wil zeggen, kan worden genegeerd door politici en door de media. Door onkunde. Of wie weet, als gevolg van beïnvloeding door lobby's die menen belang te hebben bij zo weinig mogelijk overheidsinvloed op de economie.

Vandaar dat de bezuinigingszeepbel kon ontstaan. Mijn eerste bericht daarover dateert al weer van september 2011: De bezuinigingszeepbel. Met als gevolg dat het herstel na de crisis trager is dan ooit in de economische geschiedenis is opgetekend. Zie nu voor de eurozone: Is Europe Heading To A Eurosclerosis? Met alle menselijke ellende van onnodige werkloosheid en onnodige armoede en onnodige bestaansonzekerheid die daarmee samenhangt.

Wren-Lewis wijst er op dat het in Engeland nog slechter gesteld is dan in de eurozonelanden, omdat daar inmiddels, met uitzondering van het aan Griekenland opgelegde beleid, het pad van de bezuinigingen is verlaten.

Dat laatste, daar zit wel iets in. Zie mijn bericht Is er nu echt, eindelijk, dan toch, het einde van het bezuinigingsbeleid in Europa? Maar het is afgedwongen door de feitelijke ontwikkelingen dat het Begrotingspact van de eurozone niet meer zo halsstarrig wordt gehandhaafd. En het betekent niet dat de gemaakte fouten zijn toegegeven. Een aanwijzing voor bijgestelde inzichten is het niet.

In Duitsland heerst nog het Schäuble-regime van het begrotingsevenwicht, de schwarze Null. Waardoor de broodnodige overheidsinvesteringen, broodnodig voor Duitsland zelf en broodnodig voor de euro-partners, niet van de grond komen.

En in Nederland wordt minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem als succesvol en kundig gevierd omdat hij, economisch onzinnig, een begrotingsoverschot heeft weten te bewerkstelligen. En wordt Yanis Varoufakis, die in zijn korte loopbaan als Grieks minister van Financiën probeerde om zijn eurozone-collega's bij te praten over de stand van de macro-economische kennis, door de lijsttrekker van GroenLinks Jesse Klaver "een malloot" genoemd.

Waar kun je in ons land nog terecht als je een macro-economisch beleid volgens de handboeken voorstaat? Hoe groot kan onkunde zijn?

zondag 5 maart 2017

Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Op verzoek van het Trendbureau Overijssel schreef ik het essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding? Lees hieronder het begin en lees hier verder (pdf).


De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Inleiding: “De gemeenschap, georganiseerd in de staat …”

Na de Tweede Wereldoorlog vond er een klein wonder plaats. Vrijwel voor het eerst in de geschiedenis van staten werd besloten om de fundamentele morele intuïties van samenwerking en delen op het niveau van de nationale staat te institutionaliseren. Er was een les geleerd van de crisis van de jaren dertig en van het toen opkomen van het nationaalsocialisme. De vreselijke gevolgen van gebrek aan bestaanszekerheid op grote schaal waren duidelijk geworden, zowel individueel als maatschappelijk. Zo overweldigend groot dat er grote tegenstellingen, maatschappelijke ontwrichting, oorlog en zelfs genocide uit bleken te kunnen voortkomen. 
 
Het algemeen gedeelde gevoelen was dat de maatschappij moest worden ingericht met het oog op het tegengaan van grote tegenstellingen door het streven naar bestaanszekerheid voor iedereen en dat een cruciale rol van de overheid daarin onvermijdelijk was. De Commissie-Van Rhijn, die al gedurende de oorlog aan het werk was gezet (Kappelhof 2004), formuleerde dit als volgt:
‘De gemeenschap, georganiseerd in de staat, is aansprakelijk voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring te verschaffen.’
Dit werd het rechtsbeginsel voor de opbouw van de verzorgingsstaat (Giebels 2009). Het behelst de gedachte dat de staat uitvoerder is van de in de bevolking levende morele beginselen van de gemeenschap. De aansprakelijkheid “voor sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek” kun je lezen als het gemeenschapsbeginsel dat burgers elkaar via de omweg van de staat bijstaan in het streven naar bestaanszekerheid. Volgens datzelfde beginsel mogen burgers van elkaar verwachten dat ze “het redelijke” doen om te voorkomen dat ze die bijstand nodig hebben.

Zondagochtendmuziek - Historic Schubert Quintet played by Brainin, Carlyss, Farulli, Metz and ...

Vrijdagavond speelde in TivoliVredenburg het Dudok-kwartet, aangevuld met Pieter Wispelwey, het Strijkkwintet van Schubert. Misschien wel de allermooiste muziek die Schubert heeft geschreven. Het was een prachtige, "scherpe", uitvoering.

Maar dit is ook heel bijzonder: leden van vijf verschillende beroemde strijkkwartetten voor een keer samengekomen om dit geweldige stuk uit te voeren. Al weer uit 1991.