maandag 22 januari 2018

Pesten een weeffoutje in de menselijke natuur? Nee, een aanpassing aan een omgeving waarin statuscompetitie overheerst

Aleid Truijens bespreekt in de Volkskrant het onderzoek naar pesten onder scholieren van Loes Pouwels, waar het in het vorige bericht over ging. Zie Lees het pestonderzoek en kijk naar groepen pubers als naar een roedel dieren.

Aan de hand van deze ene zin aan het eind:
Het is een weeffoutje in de menselijke natuur: in de smaak willen vallen bij de top
valt fraai de veel voorkomende en foute denkgewoonte te illustreren om een bepaald gedrag toe te schrijven aan "de menselijke natuur".

De fout bestaat eruit dat de rol van de omgeving over het hoofd wordt gezien.

Want het is zeker zo dat de neiging tot statuscompetitie en tot het zich bewegen in een statushiërarchie behoren tot het menselijke gedragsrepertoire.

Maar de onderdelen van dat repertoire worden uitgelokt in een sociale omgeving waarin statuscompetitie en statushiërarchie overheersen. We worden dan getriggered om voor onszelf op te komen. Om met anderen te concurreren om een hogere positie in de hiërarchie te bereiken. Of om in ieder geval niet onderaan te belanden. Niets ergers dan een loser te zijn.

We zijn dan onvermijdelijk elkaars tegenstander. Dus proberen we om elkaar de loef af te steken. Pesten is een manier om hogerop te komen of om je positie te verstevigen. Dat blijkt dus ook uit dat onderzoek van Loes Pouwels. En zie ook Pesten is een vorm van statuscompetitie - Nieuwe aanwijzingen voor eerder onderzoek.

Maar de menselijke sociale natuur is natuurlijk complexer dan dat. Want we kunnen ons ook heel anders gedragen. In een vertrouwde sociale omgeving, waarin we signalen krijgen van veiligheid en elkaar bijstaan, worden we als vanzelf getriggered tot het daarbij behorende gedrag. Dan hebben we het over pro-sociaal gedrag of ook wel gemeenschapsgedrag. Anderen zijn dan geen tegenstanders, maar medestanders. Zie Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?

Kortom, de menselijke sociale natuur kent twee gedragspatronen die gemakkelijk worden uitgelokt, maar dan elk in de sociale omgeving die daarvoor geschikt is. Zie de berichten op dit blog achter het label Dual Mode-theorie.

Dat betekent natuurlijk dat je voor de verklaring van gedrag en voor de beïnvloeding van gedrag niet alleen moet kijken naar wat tot onze natuur behoort, maar vooral ook naar de sociale omgeving.

En voor het pesten op scholen betekent het dat je vooral ook moet kijken naar de sociale omgeving waarin onze scholieren zich moeten zien te handhaven en waarin ze zo goed mogelijk moeten proberen om een prettige schooltijd te hebben. Want we weten dat die sociale omgeving van leeftijdsgenoten bij uitstek statuscompetitie uitlokt.

En we weten dat als je die sociale omgeving anders vormgeeft, met leeftijdsgemengde groepen. zoals op Jenaplanscholen, dat dan inderdaad het pesten met de helft wordt teruggedrongen. Zie Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging. Het is een omgeving waarin oudere kinderen als vanzelf de jongere in bescherming nemen en waarin de jongeren aan dat gedrag een voorbeeld nemen.

Die menselijke sociale natuur, die kan dus tot heel verschillend gedrag leiden, afhankelijk van de aard van de omgeving waarin mensen terecht komen. Of de aard van de omgeving die we voor adolescenten hebben geconstrueerd.

donderdag 18 januari 2018

Pesten op scholen is eenvoudig met de helft terug te dringen - door leeftijdsgemengde groepen

De resultaten van het proefschrift THE GROUP PROCESS OF BULLYING: developmental, methodological & social-cognitive perspectives, waarop Loes Pouwels vandaag in Nijmegen promoveert, zijn geheel in lijn met de aanwijzingen dat pesten door scholieren in het teken staat van de strijd om status. Zie voor die aanwijzingen het bericht Pesten is een vorm van statuscompetitie - Nieuwe aanwijzingen en volg ook de links daarin.

Uit de studies waarover Loes Pouwels in haar dissertatie verslag doet blijkt dat scholieren die pesten (tegen de 9 procent) een hogere status in de groep hebben, gemeten aan hoe populair ze zijn. Tegelijkertijd worden ze het minst aardig gevonden, zijn ze weinig pro-sociaal (bereid tot samenwerking en helpen) en meer agressief. Dit alles geldt ook, maar in mindere mate, voor degenen die aan dat pesten meedoen (24 procent). Pesten wordt bewust gebruikt om er status mee te verwerven.

Daartegenover staan de slachtoffers van dat pesten (10 procent) onderaan in de statusrangorde en worden ze het minst aardig gevonden. Ze hebben ook de minste vrienden en trekken zich terug.

En dan heb je nog degenen die voor de slachtoffers in de bres springen. Dat zijn er gelukkig toch nog tegen de 20 procent. Zij zijn gemiddeld populair, het meest pro-sociaal en worden het aardigst gevonden.

Pesten komt meer voor, en hangt meer samen met status, in het voortgezet onderwijs. Ook levert het in de bres springen voor slachtoffers in het voortgezet onderwijs minder populariteit op. Dat het pestprobleem meer een probleem is in het voortgezet onderwijs, zou eruit kunnen voortkomen dat scholieren elkaar daar minder goed kennen. Zie ook het bericht Na, en door, overgang naar voortgezet onderwijs meer statuscompetitie onder leerlingen.

Wat ook aan dit onderzoek naar pesten opvalt, is dat het groepsproces van dat pesten door middel van vragenlijsten gedetailleerd in kaart wordt gebracht, maar dat er weinig of eigenlijk geen aandacht is voor de vraag waardoor dat pesten en die strijd om status, op scholen zoveel voorkomen. Daardoor levert dat onderzoek als aanbeveling om het pesten terug te dringen niet meer op dan dat scholieren moeten leren om niet te pesten. En dat leraren er meer aandacht aan moeten geven. Antipest-programma's en antipest-coördinatoren dus.

Dat is curieus, want het antwoord op die vraag mag zo langzamerhand wel eens bekend zijn. Pesten blijkt immers sterk samen te hangen met de leeftijdshomogene groepering die op de meeste scholen wordt gehanteerd. Door scholieren van dezelfde leeftijd bij elkaar te zetten, die elkaar bovendien zoals in het voortgezet onderwijs niet zo goed kennen, creëer je precies de sociale omgeving waarin gemakkelijk statuscompetitie ontstaat. Waar pesten dus een onderdeel van is.

Het grote bezwaar van die leeftijdshomogene groepering kwam wel heel duidelijk naar voren uit het proefschrift waarop Beau Oldenburg nu precies een jaar geleden in Groningen promoveerde. Zie het bericht Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging. Want daaruit bleek dat pesten de helft minder voorkomt op scholen met leeftijdsgemengde groepen, zoals de Jenaplan-scholen.

Dat pestprobleem waaraan we onze scholieren maar blijven blootstellen, zouden we in een klap met de helft kunnen terugdringen door over te stappen op wat die Jenaplan-scholen al van oudsher doen.

Zo moeilijk moet dat niet zijn. En dan zijn al die antipest-programma's en die antipest-coördinatoren helemaal niet meer nodig.

woensdag 17 januari 2018

Komt pro-sociaal gedrag eruit voort dat we ons laten leiden door wat het moreel juiste gedrag lijkt?

Pro-sociaal gedrag kennen we van onszelf en we zien het om ons heen. We zijn niet alleen maar egoïstisch en we houden rekening met anderen. En van anderen kennen we hetzelfde gedrag.

Hoewel we met dat gedrag vertrouwd zijn, is het niet zo duidelijk waar het precies uit voortkomt. In het sociaalwetenschappelijk onderzoek bestaat het idee dat het voortkomt uit een zorg over de uitkomst van ons gedrag ten aanzien van wie hoeveel krijgt.

Die zorg zou eruit kunnen bestaan dat we willen dat iedereen evenveel krijgt. Dat is het gelijkheidsbeginsel.

Of dat we willen dat iedereen erop vooruitgaat, eventueel de een wat meer dan de ander. Dat is, in economentaal, het efficiëntiebeginsel

In beide gevallen gaat het dus om een "voorkeur" ten aanzien van de uitkomsten van de keuze die we maken.

Maar nog een andere mogelijkheid is dat we een "voorkeur" hebben voor wat het moreel juiste gedrag is. We zouden dan niet tussen verschillende uitkomsten kiezen, maar tussen wat moreel juist lijkt en wat dat niet is. In dat geval zouden we ons laten leiden door aanwijzingen voor wat het moreel juiste gedrag lijkt te zijn.

Volgens het onderzoek Do the Right Thing: Experimental evidence that preferences formoral behavior, rather than equity or efficiency per se, drive humanprosociality zou dat laatste het geval zijn. We laten ons leiden door wat moreel juist lijkt, los van wat de uitkomsten daarvan zijn.

De onderzoekers, Valerio Capraro en David G. Rand, lieten mensen keuzes maken in een Gevangenendilemma en een Dictatorspel, keuzes die meer of minder pro-sociaal kunnen uitvallen. Daarnaast kregen mensen de keuze voorgelegd tussen een gelijke uitkomst voor henzelf en twee anderen (gelijkheidsbeginsel) of een uitkomst waarbij iedereen erop vooruitgaat, maar jij minder dan de andere twee (efficiëntiebeginsel).

Die laatste keuze werd echter op verschillende manieren voorgelegd. Zo werd bijvoorbeeld de optie van het efficiëntiebeginsel aangeduid met "wees aardig" of "wees ruimhartig". Het idee daarachter was dat als het pro-sociale gedrag door oftewel het gelijkheidsbeginsel oftewel het efficiëntiebeginsel werd bepaald, dat het dan niet zou uitmaken hoe je de verschillende opties aanduidde.

En dat bleek integendeel juist heel veel uit te maken. De gemaakte keuzes werden sterk beïnvloed door deze aanwijzingen voor wat het moreel juiste gedrag was (aardig zijn, ruimhartig zijn).

En dat zou dus betekenen dat wij als wij ons pro-sociaal gedragen, we worden geleid door wat de onderzoekers een generalized morality preference noemen. Een behoefte om het goede te doen. En dus te handelen volgens de aanwijzingen die we menen te zien voor wat het goede is.

Daar zou best wat in kunnen zitten. Je zou er bijvoorbeeld mee kunnen verklaren dat mensen tot gruwelijke wandaden in staat zijn, terwijl ze denken het goede te doen omdat hen dat door gezagsdragers zo is voorgehouden.

En er komt mee overeen dat mensen zich pro-socialer gedragen als je hen er aan herinnert wat het moreel juiste gedrag is.

maandag 15 januari 2018

We cannot be satisfied - in 2018 - Martin Luther King - I Have A Dream Speech - August 28, 1963

Het is vandaag Martin Luther King Day in de Verenigde Staten. Ik weet niet wat het is, maar ik voelde sterk de behoefte om die speech van hem op 28 augustus 1963 weer eens helemaal te beluisteren. Lees de tekst hier.

Ik ging in 1965 sociologie studeren in Groningen. Met een studiebeurs, deels als een renteloos voorschot. Ik schafte me een platenspeler aan en de eerste LP die ik kocht was die met deze speech.

Zeker nu, in 2018, geldt: "No, we cannot be satisfied."

Door persoonlijke contacten minder vooroordelen geldt niet met een rechts wereldbeeld

In deze tijd van toenemend rechts-extremisme, anti-immigrantensentiment en het aan hun lot overlaten van vluchtelingen in erbarmelijke omstandigheden staat het sociaalwetenschappelijke thema van de sociale contacthypothese weer opnieuw in de belangstelling. Volgens die hypothese is de kans op acceptatie van een andere dan de eigen groep groter naarmate er meer gelegenheid is geweest voor persoonlijk, sociaal contact met leden van die groep.

We hebben al gezien dat er veel aanwijzingen zijn dat die hypothese klopt. Zie voor overzichten van onderzoek het bericht Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt. Ook hebben we gezien dat een of twee positieve ervaringen met iemand van een outgroup al de empathie met die groep doet toenemen.

Het achterliggende mechanisme zal ermee te maken hebben dat
  • we er als sociale diersoort op zijn ingesteld om ons te bewegen in een groep van vertrouwde anderen, met wie we delen en samenwerken
  • we in ontmoetingen met vreemden aanvankelijk voorzichtig en achterdochtig zijn, zeker als er signalen zijn van vijandschap en bedreiging
  • positieve contacten met vreemden dat aanvankelijke wantrouwen verminderen
  • waardoor we hen zelfs kunnen toelaten tot onze kring van vertrouwdheid
  • en een positievere houding ontwikkelen tegenover de outgroup waartoe ze behoren.
Maar mensen kunnen natuurlijk verschillen in het gemak waarmee dit proces zich zal kunnen voltrekken. Sommigen zullen wantrouwender zijn dan anderen. Sommigen hebben (veel) meer positieve contacten nodig om hun vooroordelen te kunnen laten varen.

Uit de nieuwe studie Contact Reduces Immigration-Related Fears for Leftist but Not for Rightist Voters valt op te maken dat degenen die meer rechts georiënteerd zijn op het politieke links-rechts spectrum meer wantrouwend zijn en meer positieve contacten nodig hebben. Voor hen gaat de contacthypothese in mindere mate of zelfs geheel niet op.

In de twee landen waarin het onderzoek werd uitgevoerd, de Verenigde Staten en Duitsland, werd mensen gevraagd naar hun houding tegenover immigranten en naar hoeveel vrienden ze in het buitenland hadden en hoeveel vrienden die van een ander land afkomstig waren.

Het bleek toen dat die contacthypothese wel opging voor degenen die op een linkse politieke partij hadden gestemd (de Democraten in de V.S. en de SPD of Die Linken in Duitsland) en niet voor degenen die op een rechtse partij hadden gestemd (de Republikeinen in de V.S en de CDU, de FDP of de AfD in Duitsland).  In Duitsland was het effect van contacten zelfs averechts: het maakte de houding tegenover immigranten negatiever.

De onderzoekers gingen ook nog na waar het aan lag dat voor rechts de hypothese niet opging. Had het ermee te maken dat je op een rechtse partij stemde (denk aan de CDU van Merkel) of kwam het er speciaal uit voort dat je op een rechtse partij stemde die zich heel uitgesproken negatief uitlaat over immigranten (denk aan de AfD). 

Dat eerste bleek het geval. Er is kennelijk iets met dat politiek rechtse wereldbeeld aan de hand dat maakt dat het hebben van persoonlijke contacten niet zo gemakkelijk leidt tot minder negatieve vooroordelen.

zondag 14 januari 2018

Zondagochtendmuziek - J.B.HAGEN - Lute Music (The Augsburg Manuscript Music for Lute)

Het schijnt dat Bernhard Joachim Hagen (1720-1787) de laatste grote luitvirtuoos was voor de populariteit van het instrument begon af te nemen. Hij was daarnaast ook violist.

En componist. Hier speelt Robert Barto zijn zes luitsonates, waarvan het manuscript bewaard wordt in de Stadsbibliotheek van Augsburg.

Gek dat ik in mijn 75ste levensjaar ineens luitmuziek ontdek. En er weg van ben.

Luister ook nog eens naar deze zondagochtendmuziek: JS Bach Complete Lute Works,Konrad Junghanel



vrijdag 12 januari 2018

Nog een negatief gevolg van grotere scholen: meer stress bij scholieren die langer onderweg zijn

Update. Zie Minder pesten als leerlingen elkaar beter kennen - daarom moeten scholen kleiner en dichter bij huis en Kleinere scholen doen het beter. Doordat ze een betere sociale omgeving bieden voor andere negatieve gevolgen van grotere scholen.
Der Spiegel meldt dat volgens Duits onderzoek scholieren die langer onderweg zijn naar en van school meer gestresst zijn: Schon Schüler sind vom Pendeln gestresst.

De resultaten van dat onderzoek vond ik in de Nieuwsbrief van de Panelstudie Gesundheitsverhalten und Unfallgeschehen imSchulalter. Daaruit blijkt dat inderdaad scholieren statistisch significant meer melding maken van geïrriteerdheid en van concentratieproblemen hoe meer tijd ze kwijt zijn aan pendelen. Ook schatten ze hun gezondheid slechter in.

De onderzoekers wijzen erop dat de pendelende scholieren vroeger moeten opstaan en daardoor minder uren slapen. Dat slaaptekort kan een oorzaak zijn van die grotere stress.

Der Spiegel wijst erop dat dit probleem samenhangt met de toegenomen schoolgrootte in het voortgezet onderwijs. Het aantal scholen is sinds 1990 met 24 procent gedaald. Waardoor uiteraard de reistijd is toegenomen. Te verwachten valt dat in Nederland, waar de gemiddelde schoolgrootte ook is toegenomen, hetzelfde probleem bestaat.

Dat de woon-werk reisduur negatieve gevolgen heeft, wisten we al. Zo vonden Alois Stutzer en Bruno Frey dat werknemers die langer onderweg zijn systematisch een lager welzijn rapporteren: Stress That Doesn't Pay: The Commuting Paradox.

Naast die slaapproblemen kunnen ook effecten van de reisduur op het sociale leven een oorzakelijke rol spelen.

Want we weten al sinds Robert Putnams Bowling Alone uit 2000 dat de dagelijkse uitzwerming samengaat met fragmentatie van het sociale netwerk. Zie Hoeveel mensen zijn hier nu? Dagelijkse uitzwerming van uur tot uur te volgen. Je kent mensen uit je buurt en je kent collega's op het werk, maar die mensen kennen elkaar niet. En dat blijkt ermee samen te gaan dat je minder een sociaal leven hebt: Hoe verder mensen van hun werk wonen, hoe minder ze een sociaal leven hebben - en over hoe dat komt.

Omdat die Duitse onderzoekers de scholieren ook vroegen naar hun eenzaamheidsgevoelens, zou je verwachten dat scholieren die langer onderweg zijn, zich ook meer eenzaam voelen. Maar of dat zo is, daar maken ze geen melding van.

donderdag 11 januari 2018

Meer over het verband tussen het gebruik van sociale media en eenzaamheid

Marlies Maes reageerde op Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen met een verwijzing naar het overzichtsartikel Loneliness and Social Internet Use: Pathways to Reconnection in a Digital World?

Dat overzicht van onderzoek laat zien dat het gebruik van sociale media niet alleen samen kan gaan met meer eenzaamheid, maar ook juist met minder eenzaamheid. Het hangt er maar vanaf waar je die sociale media voor gebruikt.

Er zijn er die er hun bestaande sociale contacten beter mee weten te onderhouden of er zelfs nieuwe contacten mee weten te leggen, en dat vermindert dus de kans op eenzaamheid. Dat wil zeggen, onder de voorwaarde dat de online interacties maar genoeg worden aangevuld met de offline interacties. Dit eenzaamheidsreducerende effect bestaat opvallend vaak bij ouderen.

Maar bij anderen komt de activiteit op sociale media meer in de plaats van offline interacties en dat heeft een eenzaamheidsverhogend effect. Je hebt dan immers minder bevredigender en stimulerender interacties "in het echt", waardoor je je eenzamer gaat voelen.

Daar komt nog het tweerichtingsverkeer bij: niet alleen maakt sociale media-activiteit eenzamer, maar ook vergroot eenzaamheid het sociale mediagebruik. Degenen die al eenzaam zijn, trekken zich nog meer terug en gaan het internet op.

Al deze inzichten komen voort uit zogenaamd cross-sectioneel onderzoek, waarin mensen worden vergeleken die meer of juist minder actief zijn op de sociale media.

In het onderzoek van Jean Twenge waar het in Door sociale media grotere kans om je eenzaam en buitengesloten te voelen over ging, worden generaties vergeleken. En daaruit valt op te maken dat de generatie die is opgegroeid met internet en sociale media in vergelijking met de vorige generaties meer tijd doorbrengt met online interactie en minder met offline interacties. En zich daardoor meer eenzaam voelt en meer buitengesloten. Mezelf citerend:
Tussen 2000 en 2015 nam het aantal adolescenten dat bijna elke dag vrienden ontmoet met meer dan 40 procent af. Rondhangen met vrienden is sterk afgenomen. In plaats daarvan hangen ze meer rond op de sociale media.
En daarmee samenhangend nam de kans op symptomen van depressie en op zelfmoordgedachten toe. Ook weer in vergelijking met de vorige generaties.

Het zal dus zeker zo zijn dat er binnen deze generatie verschil is in de manier waarop de sociale media worden gebruikt. Sommigen zullen ze zo gebruiken dat ze er juist minder eenzaam door worden. Maar per saldo is de kans op eenzaamheid in vergelijking met de vorige generaties dus toegenomen.

dinsdag 9 januari 2018

Meer sociale wijsheid bij lagere klassen - En over hoe dat komt

Na de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog waren we nog zo verstandig om in te zien dat mensen bestaanszekerheid nodig hebben en dat een al te grote ongelijkheid heel vervelende gevolgen heeft. Vandaar dat we de verzorgingsstaat opbouwden en een sterk progressieve inkomstenbelasting kenden.

Maar die verstandige inzichten hebben we sindsdien losgelaten. Door allerlei politieke maatregelen, samen te vatten als de opkomst van het neoliberalisme, zijn de bestaansonzekerheid en de ongelijkheid sterk toegenomen.

Dat proces is nu al enkele tientallen jaren aan de gang. Lang genoeg om steeds beter inzicht te kunnen krijgen in de gevolgen ervan. Zo weten we dat meer inkomensongelijkheid de statuscompetitie aanwakkert en mede daardoor negatieve gezondheidseffecten heeft. Ook weten we dat grotere ongelijkheid slecht is voor stabiele economische groei.

Daarnaast is ook ons inzicht gegroeid in hoe ongelijkheid gedifferentieerd uitwerkt voor de armen en de rijken. In het bericht Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten vind je een opsomming van wat armoede met armen doet en rijkdom met rijken. Een opsomming die doet vermoeden dat een eenmaal in gang gezette ongelijkheid de neiging heeft om zichzelf te versterken.

Omdat we voorlopig van die grote ongelijkheid nog niet verlost zijn, mag je verwachten dat er meer inzichten in de gevolgen ervan naar boven zullen komen. Zo is er nu het onderzoek Social class and wise reasoning about interpersonal conflicts across regions, persons and situations, dat inzicht geeft in wat arm of rijk zijn doet met je vermogen om sociaal wijs te handelen. Zie ook The lower your social class, the ‘wiser’ you are, suggests new study voor een samenvatting van het onderzoek.

Het begrip sociale wijsheid maakt enige opgang in het sociaalwetenschappelijk onderzoek. Er wordt een combinatie van de volgende vijf vermogens onder verstaan:
  • erkenning van de beperkingen van de eigen kennis en intellectuele bescheidenheid
  • besef dat de wereld verandert en dat een situatie zich in verschillende richtingen kan ontwikkelen
  • een situatie kunnen bekijken vanuit de gunstiger positie van iemand anders
  • erkenning van gezichtspunt van anderen
  • bereidheid tot compromissen en inzien van belang van conflictoplossing
Lees Wisdom in Context voor meer toelichting.

De onderzoekers keken in twee verschillende studies naar het verband tussen de mate van sociale wijsheid en sociale klasse. Ze verwachtten bij lagere sociale klassen, die meer bestaansonzekerheid ervaren, daardoor meer afhankelijk zijn van elkaar en zich in het algemeen meer moeten aanpassen, meer sociale wijsheid aan te treffen. Doordat ze vaker te maken hebben met risico´s en bedreigingen, zullen ze bovendien meer aandacht hebben voor hun omgeving en wat daarin zou kunnen veranderen. 

En die verwachting bleek uit te komen. Zoals ze in hun conclusies samenvatten:
In contrast to a long line of research suggesting that higher social class is aligned with superior cognition [2,3], the present data indicated that higher class is associated with a lower propensity of reasoning wisely in interpersonal situations. Our results were systematic across group, individual and situational levels of analysis when controlling for regional differences in scholastic aptitude, population, urbanization, income inequality, demographic factors such as age and gender, and a host of individual differences in agreeableness, openness to new experiences, consideration of others' emotions and individualism–collectivism.
En:
while higher-class individuals may enjoy the cognitive benefits of status (e.g. environments that foster development in such areas as fluid cognition), those same environments may constrain their ability or motivation to reason wisely (e.g. acknowledge change, uncertainty, and the limits of their knowledge). Conversely, limited resources and other threats associated with lower class environments may promote wise reasoning about interpersonal affairs, enabling greater vigilance and management of uncertainty associated with such environments.
Ik vind het een boeiend resultaat. Er is wel een aanmerking. De onderzoekers gaan ervan uit dat het verschil tussen arm en rijk geheel tot stand komt door het zogenaamde beïnvloedingseffect: door arm te zijn en arm op te groeien, kom je meer terecht in omstandigheden waardoor je, bij wijze van aanpassing, sociale wijsheid ontwikkelt.

Maar het zou ook kunnen zijn dat meer sociale wijsheid jouw kans verkleint om rijk te worden. Dat zou het zogenaamde selectie-effect zijn. Volgens dat effect schop je het in onze maatschappij niet ver als je teveel compromissen zoekt, teveel conflicten probeert te vermijden, te bescheiden bent en teveel rekening houdt met het gezichtspunt van anderen.

Dat laatste is geen prettige gedachte.

zondag 7 januari 2018

Zondagochtendmuziek - ROCCELLA JAZZ FESTIVAL 2016 - ANDERSON - VAN KEMENADE - GLERUM - BENNINK...

Vanmiddag naar het optreden van Ray Anderson, trombone, Paul van Kemenade, altsax, Ernst Glerum, bas en Han Bennink, drums in TivoliVredenburg. Vier geweldige jazzmusici. Dat belooft wat.

Ik zocht even naar wat meer informatie over Ray Anderson en vond hier biografische gegevens: Artist Biography by arwulf arwulf. Eerste zin:
Ray Anderson is a living embodiment of the uninhibited and at times rambunctious approach to individualized expression that is a vital element dating back to the beginnings of jazz through Lester Bowie, Charles Mingus, Dizzy Gillespie, and Roy Eldridge to Fats Waller, Louis Armstrong, Jelly Roll Morton, and Bessie Smith.
En over zijn vroege invloeden:
Born to theologically inclined parents in Chicago's Hyde Park district on October 16, 1952, Anderson came up under the influence of his father's swing and Dixieland record collection. Inspired by the sounds of Vic Dickenson and Trummy Young, he started playing trombone when he was nine years old. Other early influences were gospel vocalist Mahalia Jackson, various folk singers, Broadway musicals, and Wolfgang Amadeus Mozart's horn concerti.
Hier bijna dezelfde formatie op het Roccella Jazz Festival 2016.