donderdag 30 mei 2013

Het zijn de juristen! Finanzkrise: Wo sind die Ökonomen? ZEIT ONLINE

Eindelijk een (mogelijke) verklaring voor het feit dat Duitsland een zo rampzalig economisch beleid aan Europa oplegt. Het zijn de juristen! Die Zeit laat zien dat de kring van adviseurs van de regering-Merkel vrijwel uitsluitend uit juristen bestaat. Volg de link onderaan. Macro-economen die snappen dat je een economie niet met alleen maar steeds nieuwe regeltjes en verdragen kunt besturen, maar dat je als overheid ook een actieve conjunctuurpolitiek moet voeren, die ontbreken geheel. Hoe groot kan de onwetendheid zijn. En hoe rampzalig de gevolgen.

Finanzkrise: Wo sind die Ökonomen? | Wirtschaft | ZEIT ONLINE:

'via Blog this'

dinsdag 28 mei 2013

Krugman komt naar Nederland! Wie heeft de sleutel?

Paul Krugman komt naar Nederland. Hij gaat op 19 juni in Den Haag in gesprek met Bas Jacobs en Sweder van Wijnbergen en geeft zijn aanbevelingen voor een beleid dat Nederland uit de crisis zal helpen. Een mooi initiatief van Whitebird. Zie de link onderaan, ook voor aanmelden.

Als de hele regering daar nou eens naar toe ging. En de hele Tweede Kamer. Als ze niet willen lezen, moeten ze maar luisteren.

Wie heeft de sleutel?:

'via Blog this'

zondag 26 mei 2013

Muziek voor de zondagochtend - Leila Josefovicz speelt het Vioolconcert van Stravinsky

Gisteren in de Zaterdagmatinee in het Amsterdamse Concertgebouw speelde Leila Josefovicz het Vioolconcert van Igor Stravinsky. Ik had het nog niet eerder gehoord en vroeg me van te voren af hoe Stravinsky een vioolconcert zou schrijven. Toch wel op zijn Stravinskiaans? En jawel hoor, helemaal. Ik citeer uit het programmaboekje:
Vanaf de eerste maat blijkt dat Stravinsky zijn gebrek aan violistische handigheid slim heeft weten om te buigen tot een voordeel. Het markante openingsakkoord, drie tonen verdeeld over evenveel octaven, had alleen door een niet-violist kunnen worden bedacht. (...) Stravinsky ziet in zijn concert af van de traditionele solocadens, van oudsher dé aangewezen plek om de solist in het zonnetje te zetten. De componist verklaart een en ander met het tijdloze argument dat hij niet zoveel opheeft met solistische virtuositeit. Des te meer met het samenspel tussen individu en collectief, reden waarom het werk grossiert in barokke een-tweetjes tussen solist en orkest. Het werk biedt trouwens meer doorkijkjes in de vroege achttiende eeuw. De titels van de afzonderlijke delen (een Toccata, twee Aria's en een Capriccio) zijn illustratief, evenals de 'klassieke' harmonische wendingen, de melodische versieringen en de sequensen die opduiken in het slotdeel.
Tegelijkertijd vormen dergelijke barokke stijlkenmerken slechts de muzikale buitenkant, Het zijn historische artefacten die door een neoklassiek archeoloog als Stravinsky bedachtzaam zijn opgegraven, om vervolgens door een eigentijdse bril te worden bekeken. Want ook de twintigste eeuw is duidelijk hoorbaar, in drammerige ostinato's, uit het lood geslagen ritmes, klierende dissonanten en bewust krakkemikkige stemvoering.
Prachtig gespeeld door Leila Josefovicz! Hier vorige maand met het Radio France Filharmonisch Orkest in Parijs. Gisteren in Amsterdam met het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van de Finse dirigente Susanna Mälkki.

Jammer dat in deze video het begin ontbreekt. Maar daar staat tegenover dat je er een toegift bijkrijgt. Die ontbrak gisteren in het Concertgebouw, wat niet aan gebrek aan enthousiasme van de zaal kan hebben gelegen. (Hier is trouwens de video mét het begin, maar daar ontbreekt weer het eind. Wel waard om even naar te kijken, want dat begin is prachtig.)

zaterdag 25 mei 2013

De ijzeren logica van de mythe van de opvoedbaarheid - Jeugdzorg: laat ouders in probleemgezin verplicht testen :: nrc.nl

Ja, als je de mythe van de opvoedbaarheid als vanzelfsprekend aanneemt, dan volgt daaruit met een ijzeren logica dat "het" aan de ouders ligt en dat die dus verplicht moeten kunnen worden getest. Zie de link onderaan. Volgende stappen in die logica? Verplichte testen, examens en opvoedcursussen voor dat je een kind mag nemen? In plaats van eindelijk eens in te zien dat kinderen, en hun ouders, rondom het gezin een goede sociale opgroei-omgeving nodig hebben. Zie o.a. De hechtingstheorie van Bowlby en de mythe van de opvoedbaarheid en Jeugdzorg en de taaie mythe van de opvoedbaarheid.

Jeugdzorg: laat ouders in probleemgezin verplicht testen :: nrc.nl:

'via Blog this'

vrijdag 24 mei 2013

Meer pro-sociaal gedrag door compassietraining

Nieuw onderzoek voegt een aanwijzing toe aan wat we al weten over een van de positieve effecten van compassietraining, namelijk dat hij pro-sociaal gedrag bevordert.

Compassietraining is een vorm van mindfulness-training, die gebaseerd is op het werk van o.a. Paul Gilbert en die in Nederland onder meer wordt aangeboden door Frits Koster en Erik van den Brink. Zie hun website voor meer informatie. Compassie is de emotionele reactie van het willen zorgen voor en helpen van mensen die lijden.

In dit nieuwe onderzoek, de studie Compassion Training Alters Altruism and Neural Responses to Suffering (pdf) ging het om een compassie-meditatie training bedoeld om gevoelens van compassie te vergroten voor jezelf en voor je naasten, maar ook voor anderen, vreemden en zelfs lastige personen. De training bestond uit het twee weken lang een half uur per dag volgen van mondelinge instructies via internet of CD. Die instructies bestonden er uit dat je werd uitgenodigd om je het lijden van die anderen (en van jezelf) voor te stellen en er over na te denken. En om te wensen dat het lijden werd verlicht. Daarbij werd je gevraagd om aandacht te besteden aan je lichamelijke sensaties, in het bijzonder rondom het hart.

Het blijkt dan dat naderhand degenen die deze training hadden gevolgd, meer iemand te hulp schoten die onrechtvaardig was behandeld dan anderen die een andere training hadden gevolgd (in het herbeoordelen van emoties) en dan anderen die geen training hadden gevolgd.

Eerder onderzoek laat zien dat compassietraining het welzijn verhoogt en de werking van het immuunsysteem verbetert. Ook is eerder al gevonden dat het pro-sociaal gedrag bevordert en mensen empathischer maakt.

Maar in dit nieuwe onderzoek bleek bovendien uit hersenscans dat door de training precies die hersengebieden meer worden geactiveerd die samenhangen met het begrijpen van de toestand waarin anderen verkeren, met bewuste controle en met positieve emoties. Gebieden waarin ook het menselijke spiegelneuronen systeem werkzaam is. En gebieden die helpen om aandachtig te blijven en om informatie van buiten (over het lijden van anderen) en van binnen (de wil om te helpen) te integreren.

Dat we compassie weten te hebben voor onszelf en voor anderen lijkt een heel belangrijke bijdrage te leveren aan ons eigen welzijn, maar natuurlijk ook aan een aangename wijze van samenleven. Zonder genoeg compassie kan een menselijke maatschappij niet bestaan.

Een prachtig boek daarover is The Compassionate Mind van Paul Gilbert. Het is een van die boeken die je eigenlijk dagelijks bij de hand zou moeten hebben. Ik kocht het vorig jaar in dat prachtige boekwinkeltje The Watermill in Aberfeldy in Schotland. Ik pak het nu weer even uit de kast en mijn oog valt op p. 52 (in het hoofdstuk getiteld The Challenges of Life). Gilbert heeft het daar over het gevoel dat we in onze huidige maatschappij gemakkelijk kunnen hebben dat de wereld onverschillig is. Het gevoel dat "het niemand wat kan schelen". Ik vertaal de twee alinea's die daarop volgen:
Een andere reden waarom de onderlinge verbondenheid om ons heen gefragmenteerd is, heeft er mee te maken dat er zoveel verschillende toeschouwersgroepen zijn. Tienduizend jaar geleden groeide je op in je eigen groep en je kende iedereen behoorlijk goed vanaf de dag dat je werd geboren tot de dag dat je stierf. Relaties waren gebaseerd op reputaties van eerlijkheid en bijdragen aan de groep. Tegenwoordig gaan relaties meer over indruk maken op anderen. Mensen voelen zich vaak als acteurs op een toneel met hun levens steeds meer lijkend op een voorstelling, klaar om beoordeeld te worden, en beoordelaars - openlijk en verborgen - zijn overal.
Hoe kun je indruk maken op anderen, met je talenten en nuttigheid? Sociale vergelijking sluipt hier binnen. Jane werd vaak lastig gevallen door vragen als "Denken mijn vrienden wel dat ik een goede moeder ben? " en "Zou ik niet meer met mijn kinderen moeten doen?" Onze hersenen zijn door de evolutie zo ontworpen dat ze heel gevoelig zijn voor wat we geloven dat anderen over ons denken en voelen, omdat het voor onze mentale en fysieke gezondheid goed is om goede relaties met anderen in stand te houden. Maar als we overgevoelig zijn, in een omgeving van relatieve vreemden, dan riskeren we dat we verdwaald raken in onze eigen toneelstukjes en de beoordelingen door anderen van onze voorstellingen.
Ik zal nog eens vaker terugkomen op The Compassionate Mind.

woensdag 22 mei 2013

Waarom is het zo'n puinhoop in Europa? John Cassidy bespreekt Austerity: The History of a Dangerous Idea

Het boek Austerity: The History of a Dangerous Idea van Mark Blyth verdient veel aandacht en gelukkig is die er ook. Nu is er een bespreking door John Cassidy in The New Yorker. Zie de link onderaan. Zie eerder ook Paul Krugman en Larry Summers.

John Cassidy, de auteur van dat mooie boek How Markets Fail. The Logic of Economic Calamities, geeft de volgende ultrakorte samenvatting van de twee hoofdstukken (4 en 5) waarin Blyth de intellectuele geschiedenis uiteenzet van dat gevaarlijke idee:
Blyth rightly describes this whole sad story as an attempt to recreate a European version of the gold standard, the “barbarous relic” (Keynes) that helped bring about the Great Depression. But rather than confine himself to explaining and bemoaning the enduring appeal of austerity policies, Blyth explores their roots in the laissez-faire writings of Locke, Smith, and David Ricardo; the Treasury view of the nineteen-twenties; the Austrian business cycle theory of Friedrich Hayek and Joseph Schumpeter; the monetarism of Milton Friedman; the Washington Consensus of the I.M.F. and the World Bank; and the “expansionary austerity” school that emerged from Bocconi University, in Milan. With so much hinging on Germany, the discussion of postwar German ordoliberalism, which underpins Berlin’s hostility to expansionary policies, is particularly valuable.
Inderdaad, heel waardevol. Blyth heeft er echt, en terecht, veel werk van gemaakt om die intellectuele geschiedenis bij elkaar te zoeken, zich er in te verdiepen en om te laten zien hoe schraal de empirische evidentie altijd geweest is en nog is. Ik had die twee hoofdstukken net met oplopende verbazing en bewondering gelezen.

Waar blijft de Nederlandse vertaling?

Why Is Europe So Messed Up? An Illuminating History : The New Yorker:

'via Blog this'

dinsdag 21 mei 2013

Zijn de negatieve effecten van leeftijdshomogene groepen nu eenmaal onvermijdelijk? Waarom zou dat zo zijn?

Doordat wij het vanzelfsprekend vinden om jongeren in leeftijdshomogene (peer) groepen te laten opgroeien, lijken we ook de nadelen van de statuscompetitie tussen jongeren die we daarmee uitlokken, als vanzelfsprekend te aanvaarden. Dat hoort er nu eenmaal bij.

Dat blijkt ook uit het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de adolescentie en de aard van die negatieve effecten van statuscompetitie. Dianna Murray-Close geeft in twee artikelen in de Juni 2013 - aflevering van de Journal of Research on Adolescence (betaalpoort) een mooi overzicht van het vele onderzoek naar de psychofysiologie van de peer relaties van adolescenten. Er komt daarin van alles langs, maar ik was in het bijzonder geïnteresseerd in de effecten van die statuscompetitie.

Status wordt in dat onderzoek vaak onderverdeeld in dominantie, het vermogen om de anderen in de groep te overheersen, aardig gevonden worden en populariteit (cool gevonden worden en in het sociale middelpunt staan). Die drie hoeven niet altijd gelijk op te lopen, maar blijft dat je op alle drie dimensies geaccepteerd kunt worden of afgewezen. Je kunt de door iedereen erkende boss en bully zijn, in de zin dat anderen zich aan jou grillen onderwerpen. Maar je kunt ook tot degenen behoren die zich laten overheersen en altijd maar moeten afwachten of ze er zonder kleerscheuren en emotionele blauwe plekken af komen. En je kunt door iedereen aardig gevonden worden, of populair zijn, maar je kunt ook worden afgewezen en altijd aan de zijlijn staan.

Dat alles maakt een wereld van verschil. Gedomineerd en/of afgewezen worden activeert de stress-systemen, zoals meetbaar aan verhoogd cortisolniveau en verhoogde bloeddruk. Maar de statushiërarchie kan ook instabiel zijn en dus de feitelijke competitie om status manifest. En dan moeten de bovenliggende partijen zich voortdurend verdedigen tegen bedreigingen van onderop, wat ook tot geactiveerde stresssystemen leidt. Uiteraard bevorderen we die manifeste statuscompetitie nog eens door exogene wisselingen van de groepssamenstellingen, zoals door de overgang naar het voortgezet onderwijs. De posities moeten dan opnieuw worden bevochten.

Dat we geneigd zijn al deze negatieve effecten als vanzelfsprekend te accepteren, kan er aan liggen dat ze ook weer niet altijd en niet bij alle kinderen optreden. Het lijkt vaak ook wel mee te vallen en dat maakt het gemakkelijker om de problemen maar niet onder ogen te zien. Dat het soms of vaak lijkt mee te vallen, komt er door dat kinderen verschillen in de mate waarin ze door hun sociale omgeving en dus door die peers beïnvloedbaar zijn. Er zijn aanwijzingen dat bij mensen met een verhoogde fysiologische stressreactiviteit de sociale omgeving gemakkelijker binnenkomt. Hun weerstand tegen sociale beïnvloeding is zwakker.

Dat leidt dan tot heel verschillende uitkomsten, naar gelang van de aard van de sociale omgeving. Als je met een verhoogde stressreactiviteit in een heel negatieve peer omgeving terecht komt, met veel statuscompetitie, dan is de kans groot dat je een negatief ontwikkelingstraject opgaat, met veel agressief en asociaal gedrag of met veel internaliserende problemen en depressieverschijnselen. Maar daar kan tegenover staan dat je ook het geluk kunt hebben in een positieve context terecht te komen, waarin peers gezamenlijk optrekken en niemand in de kou laten staan. Dan ben je in staat om juist daarvan sterk te profiteren en zo het goede en aangenamere pad in te slaan.

En de aard van de sociale omgeving kan ook via andere weg grote gevolgen hebben. Zo is een hoog testosteronniveau sterk bevorderlijk voor dominantiegedrag. In een statuscompetitieve peer groep leidt dat tot het bekende overheersings- en onderdrukkingsgedrag en tot gedragsproblemen. Maar in een positievere omgeving, waarin statuscompetitie niet op prijs wordt gesteld, leidt het tot leiderschapsgedrag ten bate van de groep.

Conclusie: als we geneigd zijn ons neer te leggen bij het bestaande sociale arrangement van die leeftijdshomogene groepen, dan kan dat er aan liggen dat we ook altijd wel voorbeelden bij de hand hebben waarin het met kinderen goed gaat. Die negatieve effecten zijn niet zo over de hele linie overheersend dat maatregelen urgent lijken te zijn. Dus laten we het er maar bij. En ook al die onderzoekers volstaan met het rapporteren van het bestaan van die negatieve effecten. Met de impliciete boodschap dat ze nu eenmaal onvermijdelijk zijn.

zondag 19 mei 2013

Muziek voor de zondagochtend - Joseph Haydn: Piano Trio in A major, Hob.XV:18

Vandaag naar de Haydn Marathon van Leonard Leutscher en het Orion Ensemble. Misschien spelen ze ook dit pianotrio, hier gespeeld door Kurt Briggs, viool, Matt Goeke, cello en Renee Cometa Briggs, piano. Bijna een kwartier geweldige en boeiende muziek.

vrijdag 17 mei 2013

Overheidsonmacht in de jeugdzorg. Een pleidooi voor omwegbeleid

Op het beleidsterrein van de jeugdzorg speelt niet alleen de vraag hoe die zorg het beste kan worden georganiseerd, maar ook de vraag naar de grenzen van wat de overheid kan doen. In hoeverre zijn instellingen bij machte om zorg voor kinderen te bieden die die zorg niet voldoende van de eigen sociale omgeving krijgen? Kunnen door de overheid aangestuurde instellingen een sociale omgeving vervangen die kinderen nodig hebben? Ik moest daar weer aan denken toen ik een tweet langs zag komen die ongeveer als volgt luidde: "Omdat de overheid niet van u kan houden, kan zij u ook niet de hulp geven die u echt nodig heeft".

Dit is een zo fundamentele vraag dat hij steeds weer opduikt in de debatten over de jeugdzorg. Vaak in de vorm van pleidooien om als hulpverlenende instanties meer oog te hebben voor de eigen kracht van mensen en om die te bevorderen.

Maar moet een nog verdergaand antwoord niet zijn dat de overheid zich meer terugtrekt uit het veld van de directe hulpverlening en zich meer richt op het verbeteren van de voorwaarden voor het goed opgroeien van kinderen? Op een "omwegbeleid", dat er op gericht is om de sociale omgeving waarin kinderen opgroeien te verbeteren?

Daarover schreven Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik in 2009 het essay Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid. Het verscheen als achtergrondessay bij het advies Investeren rondom kinderen van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ).

Omdat het mij nog steeds uiterst relevant lijkt voor de discussies over de jeugdzorg en over hoe het met onze kinderen gaat,  en omdat er nog regelmatig vraag naar is, maak ik het via dit blog beschikbaar. Zie Overheidsonmacht in de jeugdzorg: Een pleidooi voor omwegbeleid (let op: p. 143-164). Dit is de samenvatting:
De overheidsbemoeienis met jeugd, gezin en opvoeding neemt toe, terwijl er weinig aanwijzingen zijn dat deze interventies succes hebben. Wij betogen dat hier een vorm van overheidsfalen aan de orde is die ontstaat als de overheid een haar wezensvreemd domein betreedt. Er is sociaalwetenschappelijke evidentie dat gezinnen en opgroeiende jongeren voor een goede sociale en morele ontwikkeling een gemeenschapsnetwerk nodig hebben. Dit netwerk zorgt voor de tijdigheid, continuïteit, tweezijdigheid en collectiviteit die de overheid nooit kan verschaffen. We pleiten er daarom voor om de directe overheidsbemoeienis met jeugd en gezin om te buigen in de richting van een omwegbeleid, gericht op de voorwaarden voor gemeenschapsvorming. Net zoals overheden (soms pijnlijk) hebben geleerd dat zij de markt niet kunnen vervangen doch wel beter kunnen laten werken, kan onze overheid leren dat zij gemeenschappen niet moet willen vervangen maar wel beter kan laten werken. We eindigen het artikel met een verkenning van dit omwegbeleid.

donderdag 16 mei 2013

Paul de Grauwe wint de 63ste Arkprijs van het Vrije Woord

Paul de Grauwe heeft een prijs gewonnen. Ik wist niet dat die prijs bestond, maar hij heeft hem zeker verdiend. Lees via de link hieronder de interessante rede die door Lukas de Vos bij de uitreiking werd uitgesproken

Liberales

Word eens boos - Ewald Engelen

Ewald Engelen heeft Austerity: The History of a Dangerous Idea van Mark Blyth gelezen en maakt zich boos. Zie de link onderaan.

Nu maakt Ewald zich wel vaker boos, maar zeker deze keer heeft hij helemaal gelijk. Hij laat zien hoe de Europese politici vanaf 2010 begonnen met steeds opnieuw aan te kondigen dat de Operatie Tekortreductie tot geleidelijk herstel zou leiden. (En dat gaat nog steeds door. Dijsselbloem reageerde gisteren op de nieuwe slechte cijfers over de Nederlandse economie met de verzekering dat de bodem nu wel bereikt was. Met welk argument?)

Wat is er in 2010 gebeurd? De politici raakten in paniek door het uitzonderlijke geval Griekenland. (En de ministers van Financiën schijnen onder indruk te zijn geweest van een presentatie door de econoom Alessina, die hen er van wist te overtuigen dat je door te bezuinigen, ook in een recessie, de economie kunt laten groeien. Wat niet klopte en dat hadden ze bij nadere bestudering en navraag bij andere economen gemakkelijk kunnen vaststellen.) In die paniek gingen ze denken dat alle eurozone landen net zo als Griekenland konden worden. (En daarmee zaten ze op dezelfde toer als de Republikeinen in Amerika.) Dus moest iedereen bezuinigen. En wel meteen en heel veel.

Want waar ging het om? De banken moesten uit de wind worden gehouden. Ewald Engelen:
Volgens Blyth is er maar één antwoord: de banken, suffie! Tien jaar euro had een bancair monster van epische proporties gebaard. Te groot, te wankel, te afhankelijk van kort extern geld konden de banken zelfs de vingerknip van een Grieks faillissement niet velen. Laat staan een eventueel failliet van Spanje of Italië. Met als gevolg dat we sinds 2011 aan het lastenverzwaren zijn om het vertrouwen van de financiële markten te winnen, teneinde lidstaten in de euro te houden, die zich gedwongen zagen om banken te redden die daar eigenlijk te groot voor waren. Oftewel: banken eten burgers met goedkeuring van de staat.
In de woorden van Blyth: ‘Your unemployment will save the banks, and in the process save the sovereigns who cannot save the banks them­selves, and thus save the euro. We, the political classes of Europe, would like to thank you for your sacrifice.
Ik ben dat boek van Blyth ook aan het lezen en ik vond dit ook een prachtig citaat. Het staat op p. 90 en is de laatste passage van een fictieve brief van de premier van een land in de periferie, zeg, Spanje. Die brief begint met (mijn vertaling):
Landgenoten. Wij hebben u de afgelopen vier jaar verteld dat de reden dat u zonder werk zit en dat de komende tien jaar miserabel zullen zijn, is dat overheden teveel geld hebben uitgegeven. Dat we nu dus allemaal zuinig moeten zijn en terugkeren naar zoiets als "houdbare overheidsfinanciën". Het is echter tijd om u de waarheid te vertellen. De explosie van overheidsschulden is een symptoom, niet de oorzaak, van de crisis waar we nu in zitten.
De premier legt dan uit dat de grootste Duitse en Nederlandse banken veel geld in de perifere landen staken. Die daar in het geval van Spanje heel veel huizen en heel veel snelwegen mee bouwden. (Toen wij vorige week van Madrid naar Cáceres naar Salamanca naar Segovia en weer naar Madrid trokken, reden we over prachtige, nieuwe snelwegen, maar bijna zonder verkeer. Wie hebben daar allemaal aan verdiend?) Maar toen begon de paniek over Griekenland en bleek dat de eurozone daar klungelig op reageerde. De geldstromen stopten abrupt en de perifere landen raakten in grote problemen door hoge rentes en door het redden van hun banken. En de grote banken die al dat geld uitleenden, ja, die willen dat geld terug. Hoe onverantwoord ook hun gedrag was.

Dus, zo vervolgt de premier, moeten we bezuinigen, moeten de lonen omlaag en moeten we hoge werkloosheid accepteren, want we hebben niet meer een eigen munt en dus kunnen we er niet door inflatie bovenop komen. Waardoor ook de geldschieters wat zouden meebetalen.
Dus is het enige beleidsinstrument dat we hebben om het systeem te stabiliseren, dat we ons allemaal aanpassen aan Duitsland (deflate against Germany), wat een zeer zware opgave is zelfs als de tijden beter waren. Het is vreselijk, maar het is niet anders. Uw werkloosheid zal de banken redden en zal daarmee ook de overheden redden die de banken niet zelf kunnen redden, en zal zo de euro redden. Wij, de politieke klassen van Europa, zouden u graag willen bedanken voor uw offers.
Ik had er in de kantlijn een heel groot uitroepteken bij gezet.

Word eens boos - Follow the Money

dinsdag 14 mei 2013

Paul Krugman over hoe de bezuinigingszeepbel kon ontstaan. De economie als een "morality play" en de belangen van de rijken

In een artikel in The New York Review of Books naar aanleiding van o.a. het boek Austerity. The History of a Dangerous Idea van Mark Blythe zet Paul Krugman op een rijtje hoe het zo is gekomen dat politici en sommige economen in 2010 begonnen te geloven dat zo snel mogelijk zo veel mogelijk bezuinigen het beste antwoord was op de economische crisis. Zie de link onderaan.

Hoe kon het gebeuren, deze terugval in kennis tot de tijd voor Keynes? Er waren wat publicaties (Alessina en Ardegna, Reinhart en Rogoff) die argumenten leken te verschaffen voor bezuinigen, maar al meteen was duidelijk hoe zwak die waren. Maar politici en financiële beleidsmakers gingen er mee aan de haal. Hoe is dat te verklaren?

Het meest waarschijnlijk lijkt dat ze geen weerstand konden bieden tegen de verleiding om de economie te beschouwen als een morality play. De financiële crisis ontstond door excessieve schulden en het beste antwoord daarop is dus dat mensen daar voor moeten boeten. Maar de economie zit anders in elkaar en boetedoening maakt de problemen erger. Want wat de een uitgeeft is inkomen voor de ander. En als we dus niet alleen privaat onze schulden terugbrengen, maar ook publiek, dan komt de economie tot stilstand. En dat is precies wat er gebeurt. De feitelijke ontwikkeling laat dus zien dat de gekozen bezuinigingsstrategie de verkeerde weg is. Er is een onderscheid tussen wat tussen individuen (op microniveau) moreel juist is en wat dat is op het niveau van een gehele economie. Ja, het blijkt helaas gemakkelijk te zijn om de fallacy of composition te maken.

Maar een aanvullende verklaring kan zijn dat de politici en de financiële beleidsmakers meer oog hebben voor de belangen van de crediteurs, voor degenen die hun uitgeleende geld terug willen hebben, dan voor al degenen die slachtoffer zijn geworden van de drastische bezuinigingen, de werklozen voorop. Al met al zijn de rijken en vooral de allerrijksten er nog niet zo slecht vanaf gekomen. Hun belangen zijn heel behoorlijk gediend.

Het is, zo besluit Krugman,
a terrible story, mainly because of the immense suffering that has resulted from these policy errors. It’s also deeply worrying for those who like to believe that knowledge can make a positive difference in the world. To the extent that policymakers and elite opinion in general have made use of economic analysis at all, they have, as the saying goes, done so the way a drunkard uses a lamppost: for support, not illumination. Papers and economists who told the elite what it wanted to hear were celebrated, despite plenty of evidence that they were wrong; critics were ignored, no matter how often they got it right.
The Reinhart-Rogoff debacle has raised some hopes among the critics that logic and evidence are finally beginning to matter. But the truth is that it’s too soon to tell whether the grip of austerity economics on policy will relax significantly in the face of these revelations. For now, the broader message of the past few years remains just how little good comes from understanding.
How the Case for Austerity Has Crumbled by Paul Krugman | The New York Review of Books

De markt erodeert morele waarden

Zou je een muis laten doodmaken als je dat geld opleverde? Of anders gezegd, zou je een geldelijke opbrengst aan je voor bij laten gaan als je daarmee het leven van een muis kon redden? Het lijkt dat het hier gaat om een morele kwestie: geld verdienen door een levend wezen te doden zonder enige andere rechtvaardiging, dat voelt niet goed.

In de nieuwe studie Morals and Markets (betaalpoort) onderzochten Armin Falk en Nora Szech hoe mensen kiezen als ze met deze vraag worden geconfronteerd. Het ging om laboratoriummuizen die niet geschikt waren voor verder onderzoek en die standaard worden gedood omdat het te duur is om ze in leven te houden. De proefpersonen in het onderzoek konden het leven van zo'n muis redden door af te zien van een beloning van €10. Dat geld zou dan dienen om bij te dragen in de kosten van de verzorging van die muizen.

Als proefpersonen hier individueel over konden beslissen, dan was 45,9 procent bereid om voor €10 de muis te laten doden. Eerlijk gezegd schrok ik van dat hoge percentage. Maar waarschijnlijk heb ik wat meer geld om handen dan de meeste van die studenten die als proefpersoon optraden.

Maar dat percentage steeg nog behoorlijk als de proefpersonen in een nagebootste markttransactie beslisten over het leven van die muis. In een bilaterale transactie konden twee proefpersonen het eens worden over de verdeling van €20 euro over hen beiden waarvoor de muis zou worden gedood. Als er niet werd onderhandeld, bleef de muis in leven en werd geen geld uitgekeerd. Het percentage proefpersonen dat onder die conditie bereid was om de muis te laten doden, steeg tot 72,2 procent. En in een multilaterale transactie, waarin bedragen konden worden aangeboden en geaccepteerd waarvoor de muis zou worden gedood, steeg dit verder tot 75,9 procent.

Het is een interessant resultaat, dat in lijn is met ons werkelijke gedrag. Zo is bijvoorbeeld bijna iedereen tegen kinderarbeid, tegen slechte arbeidsomstandigheden en tegen de bio-industrie, maar velen van ons kopen wel de producten, omdat die zoveel goedkoper zijn. Daarbij kun je nog min of meer terecht zeggen dat je niet goed op de hoogte was. Maar in dit experiment hadden de proefpersonen niet dat excuus. Ze waren uitvoerig en duidelijk geïnformeerd. Dat lijkt er op dat we in het echte leven ook als we goed geïnformeerd zouden zijn, op de markt bereid zijn tot koopgedrag dat tegen onze morele overtuiging ingaat.

Waarom zijn we in markttransacties minder moreel gemotiveerd dan wanneer we individueel beslissen? Falk en Szech noemen drie mogelijke verklaringen. Ten eerste kan het zijn dat we ons minder persoonlijk verantwoordelijk en dus minder schuldig voelen. Maar het kan ook zijn dat de markt ons informatie verschaft over wat anderen doen. Als er blijkbaar anderen zijn die zich zo gedragen, dan is de morele belasting minder zwaar. En tenslotte kan het zijn dat de markt ons aanzet tot denken in termen van individuele, materiële opbrengsten, zonder aandacht te hebben voor de gevolgen voor anderen.

Tja, we zijn het heel normaal gaan vinden om in een marktmaatschappij te leven. Maar het is wel uiterst belangrijk om ons er rekenschap van te geven dat ons morele kompas sterk door de aard van die maatschappij wordt beïnvloed. En om goed te beseffen hoe zeer dat morele kompas nodig is om een maatschappij te hebben waarin we graag willen leven.

maandag 13 mei 2013

Als bezuinigen in een depressie als een geneesmiddel getest was, dan zou er al lang mee gestopt zijn vanwege de dodelijke bij-effecten

Als bezuinigen in een depressie als een geneesmiddel getest was, dan zou er al lang mee gestopt zijn vanwege de dodelijke bij-effecten. Dit betogen socioloog David Stuckler en medicus/epidemioloog Sanjay Basu vandaag in de New York Times, waar ze ruimte krijgen om hun net verschenen boek The Body Economic: Why Austerity Kills te introduceren. Zie de link onderaan.


Stuckler en Basu schatten dat in de Verenigde Staten tussen 2007 en 2010, dus in de eerste drie jaren van de kredietcrisis, een totaal van 4750 "extra" zelfmoorden plaats vonden, vooral in de staten met de hoogste werkloosheidstoename. Is een toename van het zelfmoordcijfer, en van gezondheidsproblemen, nu eenmaal onvermijdelijk verbonden met economische neergang? Nee, want het maakt uit welk beleid overheden voeren. In landen waar sterk werd bezuinigd, vooral op sociale voorzieningen en gezondheidszorg, is de gezondheid van de bevolking sterker achteruitgegaan dan in landen die hun voorzieningen op peil hielden en de economie stimuleerden. Het beleid ten aanzien van de overheidsbegroting kan een zaak zijn van leven en dood.

Een extreem voorbeeld is Griekenland. De publieke gezondheidsuitgaven zijn daar sinds 2008 met 40 procent verlaagd, vooral om aan de eisen van de troika - het IMF, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank - te kunnen voldoen. 35000 banen in de gezondheidszorg gingen verloren. De kindermortaliteit steeg met 40 procent. Nieuwe HIV-infecties verdubbelden. In het zuiden van Griekenland heerst er weer malaria. (En er was een sterke stijging van het zelfmoordcijfer.)

Hiertegenover staat IJsland, dat er van profiteerde een eigen munt te hebben, dat geen streng bezuinigingsbeleid voerde en waarvan de economie verbeterde. De gezondheidszorg bleef op peil. En het zelfmoordcijfer nam niet toe.

Analyses van data van landen na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 en na de financiële crisis in Azië laten een zelfde beeld zien. Oost-Europese landen die kozen voor een economische shock therapie, met radicale privatiseringen en massa-ontslagen, hadden de grootste toename in zelfmoorden, hartaanvallen en alcohol-gerelateerde sterfgevallen. En de Aziatische landen die het meest radicaal de bezuinigingen uitvoerden die door het IMF waren opgelegd, kenden hongersnoden en sterke toenames van infectieziekten. (Het IMF bood in 2012 zijn verontschuldigingen aan.)

Stuckler en Basu berekenen dat elke dollar investering in publieke gezondheidsprogramma's zo veel als 3 dollar economische groei kunnen opleveren. Zulke investeringen redden niet alleen levens in een recessie, maar ze kunnen ook helpen bij het economisch herstel. In hun beleid zouden overheden de volgende drie principes in acht moeten nemen:
  1. Richt geen schade aan. De gezondheidseffecten van het fiscale en het monetaire beleid zouden door een onafhankelijke instantie beoordeeld moeten worden. Als bezuinigen in een depressie als een geneesmiddel getest was, dan zou er al lang mee gestopt zijn vanwege de dodelijke bij-effecten.
  2. Beschouw werkloosheid als de pandemie die het is. Het is de voornaamste oorzaak van depressie, angststoornissen en zelfmoordgedachten.
  3. Voer de uitgaven aan de publieke gezondheidszorg op in slechte tijden. Het is duurder om een epidemie onder controle te krijgen dan om hem te voorkomen.
Ze besluiten met (mijn vertaling):
Je hoeft niet een economische ideoloog te zijn - en dat zijn wij zeker niet - om in te zien dat de prijs van het bezuinigingsbeleid in menselijke levens kan worden uitgedrukt. Wij praten slecht beleid uit het verleden niet goed, noch pleiten we voor een algemene kwijtschelding van schulden. Het is de taak van de beleidsmakers in Amerika en Europa om de juiste mix van fiscaal en monetair beleid te bepalen. Maar wat wij hebben vastgesteld is dat het bezuiningingsbeleid - zwaar, direct, blindelings snijden in sociale en gezondheidsuitgaven - niet alleen averechts werkt, maar bovendien dodelijk is.
(Zie ook nog eens mijn bericht Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. En
Are European leaders aware of the miseries of mass unemployment?)

donderdag 2 mei 2013

Klopt het dat je nooit genoeg geld kunt hebben?

Maakt geld onbegrensd gelukkig? In de zin dat je er nooit genoeg van kunt hebben? Of klopt het bekende inzicht dat geld niet gelukkig maakt? Die vragen komen zo nu en dan weer op naar aanleiding van nieuw onderzoek. Zie eerder Geld maakt niet gelukkig. Of toch wel? Of toch niet? 

Nu is er weer een studie van Stevenson en Wolfers (zie link hieronder) die suggereert dat je van geld nooit genoeg kunt hebben en dat het dus wel degelijk zo is dat geld gelukkig maakt en gelukkig blijft maken, hoeveel je er ook al van hebt. Maar ook hier gaat het weer om een grafiek waarin tevredenheid met het leven (verticale as) wordt afgezet tegen het logaritme van het inkomen (horizontale as). Als de curves (per land) dan vrijwel recht lopen, wat inderdaad zo is, dan zegt dat niet dat elke €1000 extra evenveel extra tevredenheid oplevert. Als op de horizontale as gewoon het inkomen zou staan, dan zouden de curves wel degelijk afbuigen. Hoe meer geld je al hebt, hoe minder tevredenheid extra geld je oplevert. Anders gezegd, geld is wat economen een "normaal goed" noemen, dus met afnemend grensnut. (Weer met dank aan Peter van der Meer.)

Waarom dan toch steeds weer die heisa over dat geld toch wel degelijk gelukkig maakt? Omdat de discussie dan meestal gaat over de vraag of er ergens een knik in die curves zit waarbij extra geld helemaal geen extra tevredenheid oplevert. Die knik zou er volgens de Easterlin-paradox moeten zijn. Dat die er niet is, vinden sommigen heel belangrijk. Volgens Peter van der Meer, in een email, omdat ze "hardleers zijn, of dogmatisch of neo-liberaal. Die denken nog steeds dat de rijken nog niet rijk genoeg zijn".

Maar is het bestaan van die knik nou wel zo belangrijk? Belangrijker lijkt mij dat geld steeds minder gelukkig maakt naar mate mensen er meer van hebben. Dat is voldoende om bijvoorbeeld een stelsel van progressieve belastingheffing te rechtvaardigen.

Laten we er voor het overige bij bedenken dat er achter dat verband tussen geld en geluk grote verschillen tussen mensen kunnen bestaan. Een gemiddelde is maar een gemiddelde. Zo weten we bijvoorbeeld dat mensen die minder emotioneel stabiel zijn (neurotischer zijn) voor hun geluk meer afhankelijk zijn van hoeveel geld ze hebben. En wat kunnen mensen zoal doen met dat vele geld? Sommigen hebben het nodig om hun rijkdom te etaleren en zijn dus bezig met de statuscompetitie. Dat maakt niet erg gelukkig, dat wil zeggen, dat ze steeds meer geld nodig hebben om zich iets gelukkiger te voelen. Maar anderen geven juist veel van dat hoge inkomen dat ze hebben weg aan goede doelen en voelen zich daardoor gelukkiger.

Update. Zie nu hoe The Economist dit oppakt: ze laten de grafiek hierboven zien en vatten die als volgt samen:
the relationship between income and happiness hardly changes as incomes rise. Moving from rich to richer seems to raise happiness just as much as moving from poor to less poor. One never really grows tired of earning more.
Maar het gaat dus niet om de relatie tussen "inkomen" en geluk, maar om de relatie tussen de logaritme van het inkomen en geluk. En de rest klopt dus niet. Eigenaardig.

You Can Never Have Too Much Money, New Research Shows | Brookings Institution:

'via Blog this'