zaterdag 31 augustus 2013

Frans de Waal terug naar Utrecht - Een goede aanleiding om weer eens Chimpanseepolitiek op te slaan

Frans de Waal keert terug naar de Universiteit Utrecht. Hij gaat daar colleges geven en misschien onderzoek doen. Hij blijft daarnaast verbonden aan de Emory universiteit in Atlanta, waar hij ook directeur is van het Living Links Center van het Yerkes National Primate Research Center. Zie het bericht in NRC/Handelsblad en zijn Facebookpagina.

Frans de Waal begon zijn wetenschappelijke carrière aan de Universiteit Utrecht met zijn beroemd geworden onderzoek naar de chimpanseekolonie van Burgers Dierenpark in Arnhem. Hij schreef daarover dat prachtige boek Chimpanseepolitiek. Macht en seks bij mensapen, dat in 1982 verscheen. Dat was een baanbrekend onderzoek, omdat hij, tegen de wetenschappelijke consensus van die tijd in, chimpansees nauwgezet en langdurig observeerde en hun gedrag interpreteerde als dat van een soort die heel dicht bij de mens staat. Het was een tijd waarin het behaviorisme nog invloedrijk was en waarin het niet werd gewaardeerd als je gedrag beschreef in termen van motieven en doelen. Want dat was niet objectief.

Daar denken we nu heel anders over, met goede redenen. Frans de Waal was dus zijn tijd ver vooruit. Ik sloeg dat boek Chimpanseepolitiek zopas nog even op en kwam al bladerend op een passage achterin waarin hij stilstaat bij de vraag of die chimpansees ook bewust handelen als ze motieven of doelen hebben. En de vraag wat dan het verschil is met mensen. En het is opvallend dat hij hier vooruitloopt op de resultaten van het latere onderzoek naar bewust en onbewust gedrag, zoals dat van Jonathan Haidt. (Zie ook dit bericht.)

De terugkeer van Frans de Waal naar zijn alma mater is een mooie aanleiding om die passage opnieuw onder de aandacht te brengen. Ik schrijf hem hier over (p. 189-190 van de eerste druk):
Hoewel men zich moeilijk kan voorstellen hoe het uitstippelen van strategieën onbewust kan plaatsvinden, wil ik herhalen dat de aanvaarding van rationeel denken bij chimpansees nog niet hoeft in te houden dat ze ook bewustzijn hebben. Anderzijds wil ik de mogelijkheid van bewustzijn bij dieren ook niet uitsluiten.
Heruitgave 2010
Het komt vaak voor dat mensen het doel van hun gedrag pas achteraf ontdekken. Zo komen we in de puberteit in verzet tegen onze ouders. Dan provoceren we hen en dagen hen uit. Later kunnen we dit gedrag verklaren met de opmerking: 'Ik wilde mijn onafhankelijkheid,' maar toch mogen we niet vergeten dat we het generatieconflict niet met dat motief voor ogen zijn aangegaan. Het motief was onbenoemd en onbewust. Evenzo kan het gebeuren dat we anderen willen beïnvloeden en daartoe tactieken ontwikkelen zonder ook maar een moment te beseffen waar het ons om te doen is. We kunnen zelfs vermijden erover te denken of te spreken. De Nederlandse sociaal-psycholoog Mauk Mulder heeft met vele reeksen proeven bewezen dat mannen voldoening vinden in het uitoefenen van macht en dat ze ervoor ijveren invloed op anderen te vergroten. Tegelijkertijd constateert hij echter een taboe rondom het woord 'macht': 'Wanneer we over macht spreken, hebben we het over iemand anders...' Als we het over onszelf hebben, noemen we het liever 'het nemen van verantwoordelijkheid', 'het hebben van gezag' of 'het helpen van anderen door hun beslissingen uit handen te nemen'.
 Bij het besluipen van een vogel moet een kat zijn uiteindelijke sprong 'berekenen'. Hij heeft veel ervaring nodig om de reactie van de vogel nauwkeurig te voorspellen. Er bestaat in dit opzicht dan ook een groot verschil tussen jonge en volwassen katten. Als regel beschouwen de de berekening van de kat niet als een bewust proces. Ik denk dat onze eigen strategieën voor een groot deel op soortgelijke intuïtieve berekeningen gebaseerd zijn. Hoewel ze afhangen van ervaring en veel intelligentie vereisen, hoeven ze niet tot ons bewustzijn door te dringen. Evenzo kunnen chimpansees een rationele handelwijze volgen zonder dat ze hun strategie bewust van te voren uitstippelen.
De mens is een sprekende aap, maar zijn gedrag verschilt in wezen niet veel van dat van een chimpansee. Mensen houden zich bezig met verbale gevechten, provocerend of imponerend woordvertoon, verontwaardigde interrupties, verzoenende opmerkingen en al die andere gedragspatronen die chimpansees zonder begeleidende tekst uitvoeren. Als de mens zijn toevlucht neemt tot handelingen in plaats van woorden is de overeenkomst nog groter. Chimpansees krijsen en schreeuwen, slaan met deuren, gooien met voorwerpen, roepen om hulp en maken het na afloop met een vriendelijke aanraking of omhelzing goed. Wij mensen vertonen al deze patronen ook, gewoonlijk zonder een bewuste beslissing om zo te doen, en het zou best kunnen dat onze motieven niet zo veel van die van chimpansees verschillen.

zondag 25 augustus 2013

Retoriek als als laatste verdediging van het rampzalige bezuinigingsbeleid

Het bezuinigingsbeleid als antwoord op de economische crisis was al vanaf het begin zwak empirisch onderbouwd. Maar hoe wordt het beleid verdedigd nu zelfs die paar aanwijzingen die er voor pleitten onderuit zijn gehaald? Denk aan Reinhart en Rogoff (zie John Cassidy voor een mooi overzicht) en aan Alesina (zie hier voor een overzicht). De bezuinigingsadepten hebben geen been meer om op te staan. Dat heeft in de eurozone wel tot enige aanpassing van het beleid geleid, maar zonder enig publiek signaal van inzicht in de gemaakte fouten. En in Nederland dreigt het rampzalige beleid gewoon te worden voortgezet. Je gaat je afvragen wat er zich dan in de hoofden afspeelt van degenen die dat beleid voorstaan.

Enig inzicht krijg je daarin door het verslag dat De Groene Amsterdammer van vorige week geeft (online alleen voor abonnees) van de discussie tussen VVD-Kamerlid Mark Harbers en de econoom Rens van Tilburg. De laatste brengt de bekende zakelijke en feitelijke argumenten tegen dat bezuinigingsbeleid naar voren. Voor de goede orde: tegen het nu bezuinigen in plaats van dat later te doen. De verdedigingslinie van Harbers bestaat uit, ja, hoe noem je dat, retoriek? Een paar passages:
Al in de campagne was ik op stap met de boodschap dat een ongekende crisis ook ongekende maatregelen vergt. Mooier kan ik het niet maken. Als politicus heb ik ook de verantwoordelijkheid te voorkomen dat Nederland zichzelf over een paar jaar weer tegenkomt. Dat risico is groot als de regering nu met het uitstel van bezuinigingen de problemen voor zich uit schuift. In een crisis die groter is dan alle andere recessies uit de afgelopen tachtig jaar hebben we niet meer de luxe om nu eerst het private probleem aan te pakken en het publieke te laten rusten.
Geen poging om het argument dat bezuinigen nu de crisis verergert, wat correct blijkt te zijn, met een empirisch onderbouwd tegenargument te weerleggen. Wel de retoriek van het voor zich uit schuiven van de de problemen, wat serieus klinkt zonder dat te zijn.
de Europese overheden (hebben) volgens Harbers geen 'spankracht' meer om corrigerend op te treden. 'We moeten nu terugveren en ons realiseren dat die drieprocentsnorm niet willekeurig is. Het is niet een norm, maar een uiterste grens. Een staatsschuld van 75 procent is ook echt te hoog. We wisten dat 2013 een moeilijk jaar zou worden, dus laten we nu alsjeblieft gewoon doorpakken.
Niet een empirische onderbouwing van de bewering dat die staatsschuld in de huidige omstandigheden te hoog is en een bezuinigingsbeleid rechtvaardigt. Gewoon te hoog. En weer de retoriek van een moeilijk jaar en doorpakken.
Nog steeds geeft de overheid twintig miljard per jaar meer uit dan er binnenkomt. Dat is de tragische werkelijkheid achter het schatkisttekort (...) Het is begrijpelijk dat jij het dempende effect van de bezuinigingen aan de orde stelt. Maar wat is het alternatief? Dat je de kosten van de recessie voor je uit schuift en je volgende generaties opzadelt met belastingverhogingen? Eens moet de rekening toch worden betaald. Ik vind de belastingen in Nederland op dit moment hoog, te hoog, en ik geef volgende generaties graag de ruimte dichter bij het liberale heil van een samenleving met een zo laag mogelijke belastingdruk te komen.
Herhaling van de retoriek van het problemen voor zich uit schuiven. En nu ook die van de rekening die eens moet worden betaald. Wat er op duidt dat Harbers niet inziet dat een overheidsschuld iets anders is als een schuld van een huishouden. De overheid beheert een gehele economie en die economie is een kringloop. Of in de toekomst de belastingen moeten worden verhoogd is vooral afhankelijk van hoeveel economische groei er zal zijn. Denk ook nog eens aan oud-VVD-minister van financiën Johan Witteveen die tegen Rutte had gezegd "het verhaal over het tekort is niet juist en dat weten jullie". (Vooral "dat weten jullie" is wel erg vernietigend.)

En opvallend is natuurlijk dat de ideologie van de zo klein mogelijk overheid dient om de bezuinigingen te verdedigen. Dat lijkt er op dat Harbers met plezier de economie de nek omdraait, als dat maar ook leidt tot een kleinere overheid. Uiteraard geen argument waarom een kleinere overheid ook altijd beter is voor de burgers. Want dat argument is er ook niet. Consistent is het wel, want Mark Rutte verklaarde eind 2011 al dat de crisis een mooie gelegenheid was om de overheid een kopje kleiner te maken.
Kijk uit! De prijs van jouw stimuleringsbeleid is een verder oplopende staatsschuld, met het risico dat Nederland al in 2014, 2015 fors hogere rente moet betalen.
Ja, daar zou Harbers een punt kunnen hebben. Maar wat bepaalt allemaal hoeveel rente Nederland moet betalen? In ieder geval profiteren we van de beroerde economieën in zuidelijke eurozone landen, die maakt dat de financiële markten liever uitwijken naar Nederland en Duitsland. En natuurlijk kijken die markten ook vooral naar realistische vooruitzichten op economische groei, die het bezuinigingsbeleid zacht gezegd niet kan verschaffen. Dit is vooral een poging om angst aan te jagen.
We moeten door de zure appel heen bijten, om een basis te scheppen voor gedegen, structurele groei in de toekomst. Het zou toch wel bijzonder treurig zijn als we nu de noodzakelijke beslissingen voor ons uit schuiven (...)
Het is een heilloze weg om met extra overheidsuitgaven de economie een zet te geven, nog los van het feit dat een groot deel van dat geld naar het buitenland zal weglekken.
De zure appel en weer dat voor zich uit schuiven. En dat al dat geld naar het buitenland zal weglekken, dat zal Harbers van Sweder van Wijnbergen hebben opgepikt, zonder kennis te hebben genomen van de weerlegging door Bas Jacobs.

Tenslotte vindt Harbers dat we ons vooral aan de drieprocentsnorm moeten houden omdat we anders de zuidelijke eurozone landen niet genoeg onder druk zetten om dat ook te doen. Hier komt de retoriek van "een Zuid-Europees sentiment" om de hoek, het sentiment dat ze in Zuid-Europa er met de pet naar gooien. Daarom moeten we hen "de duimschroeven aandraaien". Treurige en gevaarlijke retoriek, als je beseft dat de problemen in Zuid-Europa bovenal zijn ontstaan door de gebrekkige wijze waarop de euro werd ingevoerd, zonder controle op kapitaalsstromen.

Aangenomen dat Harbers representatief is voor wat de huidige regering aan verdediging van het bezuinigingsbeleid naar voren kan brengen, nou, dan wordt je daar niet vrolijk van.

Zondagochtendmuziek - Masterclass Ray Brown - YouTube

Bijna net zo fascinerend als goede muziek is praten over muziek en meemaken hoe goede musici les geven. Hier is een masterclass van de onvergetelijke jazzbassist Ray Brown (1962-2002).

▶ Ray Brown 001 - YouTube:

'via Blog this'

vrijdag 23 augustus 2013

De neiging tot gemeenschapsgedrag is goed voor je (maar dat zou er van af kunnen hangen met wie je omgaat)

De neiging tot gemeenschapsgedrag maakt dat je je beter voelt, dat je tevredener bent met jezelf en met je relaties en daarin meer liefde ervaart. Het is zelfs zo dat je meer liefde op kunt brengen voor de gehele mensheid.

Dat komt naar voren uit de studie The Personal and Interpersonal Rewards of Communal Orientation (pdf). De onderzoekers lieten proefpersonen vier weken lang een dagboek bijhouden, nadat ze een vragenlijst hadden ingevuld waarin o.a. die neiging tot gemeenschapsgedrag (communal orientation) werd gemeten. Die maat bestond uit een aantal stellingen waarmee je het eens of oneens kon zijn, over je neiging om anderen te helpen (zoals "Ik stel vaak alles in het werk om anderen te helpen") en om datzelfde ook van anderen te verwachten (zoals "Als ik ergens behoefte aan heb en anderen negeren dat, dan voel ik mij gekwetst"). In dat dagboek noteerden ze per dag hoe ze zich voelden (met vier positieve en vier negatieve emoties), hoe goed ze over zichzelf dachten (zelfwaardering of self-esteem), hoe tevreden ze waren met hun relaties, hoeveel liefde ze ervoeren in die relaties en of ze liefde voor de mensheid als geheel voelden.

Uit de statistische analyses bleek toen dat degenen met meer neiging tot gemeenschapsgedrag een hogere zelfwaardering hadden, tevredener waren met hun relaties en meer liefde voelden in hun relaties en met betrekking tot de mensheid als geheel. En het bleek dat die verbanden tot stand kwamen via hoe goed ze zich voelden (meer positieve en minder negatieve emoties).

Interessant is dat toen de onderzoekers dat gemeenschapsgedrag uit elkaar haalden en de analyses apart deden voor de neiging om anderen te helpen en de neiging om hulp van anderen te verwachten, bleek dat de verbanden alleen bleven bestaan met die neiging om anderen te helpen. Het is dus allereerst die hulpbereidheid, de bereidheid tot pro-sociaal gedrag, die samengaat met dat zich beter voelen en met die grotere tevredenheid en het ervaren van liefde. Hoewel het voor de hand ligt om ook hulp van anderen te verwachten als je zelf graag anderen helpt, ga je je niet beter voelen etc. hoe meer je die hulp verwacht.

Opvallend is in dat verband dat de onderzoekers niet ingaan op de mogelijkheid of wat mij betreft waarschijnlijkheid dat degenen met een grote neiging tot gemeenschapsgedrag ook vooral relaties hadden met anderen met dezelfde neiging. Het ligt voor de hand te verwachten dat gemeenschapsmensen meer een voorkeur hebben voor het omgaan met andere gemeenschapsmensen.

Dat verwijst naar dat complexe zoek- en selectieproces dat zich in maatschappijen als de onze onophoudelijk afspeelt en waar ik het eerder over had (waar, dat moet ik even weer opzoeken). En het zou kunnen dat juist die sociale homogeniteit, gemeenschapsmensen gaan om met gemeenschapsmensen (waardoor statuscompetitiemensen het maar zelf moeten uitzoeken), maakt dat die neiging tot gemeenschapsgedrag zulke aangename gevolgen heeft. Dat zou dan niet de uitkomst zijn van een individueel, maar van een sociaal proces. Het zou er dus van afhangen met wie je omgaat.

maandag 19 augustus 2013

Wat betekent onveilige gehechtheid voor je morele intuïties?

We leven in een maatschappij waarin gezinnen historisch gezien behoorlijk sociaal geïsoleerd zijn en waarin het niet vanzelf spreekt dat kinderen in een veilige sociale omgeving opgroeien. Daardoor kennen we het probleem dat kinderen bij het opgroeien een onveilige hechtingsstijl ontwikkelen. Ze hebben dan oftewel een vermijdende oftewel een angstige hechtingsstijl. Zie ook dit bericht, waaruit ik het volgende citeer:
Als we in onze vroege jaren vertrouwde anderen om ons heen hebben die beschikbaar zijn en op onze behoeften reageren, dan hebben we een sociale omgeving die een veilige basis verschaft. We leren dat we in tijd van nood anderen kunnen vertrouwen en dat die anderen ons "de moeite waard vinden". Anders gezegd: we ontwikkelen een veilige hechtingsstijl.
Maar als die anderen om ons heen minder op onze behoeften reageren of als ze daarin wisselvallig zijn, dan ontwikkelen we een onveilige hechtingsstijl. Ons hechtingssysteem wordt dan gedeactiveerd, zodat we een vermijdende hechtingsstijl ontwikkelen, of gehyperactiveerd, en dan ontwikkelen we een angstige hechtingsstijl.
In het geval van de vermijdende hechtingsstijl zien we het zoeken van nabijheid en intimiteit als vruchteloos of zelfs gevaarlijk, omdat we verwachten teleurgesteld te worden. We gaan er van uit dat anderen ons niets te bieden hebben en we proberen om onafhankelijk te zijn en onze behoeften aan intimiteit en gehechtheid te onderdrukken. Daarbij past dat we proberen om een positief zelfbeeld in stand te houden. We deactiveren ons hechtingssysteem.
In het geval van de angstige hechtingsstijl denken we niet op eigen benen te kunnen staan en dus nabijheid van anderen nodig te hebben. Maar door de ervaringen van afgewezen te zijn, zijn we ons hulpeloos en kwetsbaar gaan voelen. Met twijfel over of we wel genoeg waard zijn. Daardoor zijn we hypergevoelig voor potentiële bedreigingen en afwijzingen. We hebben de neiging om dubbelzinnige sociale signalen vooral als negatief te interpreteren.
Datzelfde bericht noemt enkele bekende gevolgen van het onveilig gehecht zijn, zoals op het gebied van emotieverwerking, aandachtssturing en toenadering of juist afstand zoeken. Er is nu het nieuwe onderzoek The Moral Compass of Insecurity: Anxious and Avoidant Attachment Predict Moral Judgment (pdf) dat wijst op de relaties tussen onveilige gehechtheid en morele intuïties.

De onderzoekers vinden er aanwijzingen voor dat mensen die meer vermijdend gehecht zijn, minder sterk de morele intuïtie aanhangen dat je anderen geen schade en leed mag toebrengen en dat je dat soort gedrag van anderen hoort af te wijzen. Ook is de intuïtie van eerlijkheid en rechtvaardigheid bij hen minder sterk. Dit lijkt er aan te liggen dat mensen die vermijdend gehecht zijn, een cynische en pessimistische opvatting hebben over de menselijke natuur en dus ook minder vertrouwen hebben in anderen. Dat klopt met de bevinding in dit onderzoek dat het verband tussen vermijdende gehechtheid en die zwakkere morele intuïties deels tot stand komt door een geringere neiging tot empathie. Als je vermijdend gehecht bent, voel je minder empathie tegenover anderen en dat verklaart weer die zwakkere morele intuïties.

Hoe zit dat dan met het angstig gehecht zijn? Je hebt wel het gevoel anderen erg nodig te hebben, maar je twijfelt of anderen je wel genoeg de moeite waard vinden. In dat geval, zo komt uit het onderzoek naar voren, hang je die twee morele intuïties juist sterker aan. Je onderschrijft sterker dat je anderen geen schade of leed mag toebrengen en je bent misschien zelfs wel wat geobsedeerd door de eisen van eerlijkheid en rechtvaardigheid. En ook hier is je neiging tot empathie de tussenliggende factor. Die angstige hechting maakt dat je erg geneigd bent tot empathie en daardoor juist sterk die morele intuïties aanhangt. Het lijkt alsof je daarmee hoopt meer door anderen geaccepteerd te worden, hoewel dat niet een bewust motief hoeft te zijn.

Dat we niet allemaal veilig gehecht zijn, werkt dus op moreel vlak verschillend uit. Vermijdende gehechtheid lijkt de kans op immoreel gedrag te vergroten, wat overeenkomt met een grotere kans op psychopathische trekken. Dat wijst op de schadelijke gevolgen er van. De negatieve gevolgen van angstige gehechtheid lijken er uit te bestaan dat de obsessie met die morele intuïties het moeilijker maakt om met anderen ontspannen relaties aan te gaan en te onderhouden.

Al met al krijgen we steeds meer inzicht in de nadelen van het opgroeien en leven in een maatschappij waarin veilige gehechtheid niet vanzelfsprekend is. Zie ook nog eens het bericht over culturele verschillen in hechting.

zondag 18 augustus 2013

Muziek voor de zondagochtend - Beethoven Piano Sonata 2 A major Barenboim - YouTube

Wat maakt die Pianosonate nr. 2 van Beethoven toch zo prettig om naar te luisteren? Volg de link onderaan voor een uitvoering door Daniel Barenboim. En zie hier voor een uitvoering met uitleg door Andras Schiff (alleen audio).

Jan Caeyers schrijft er over:
Beethoven droeg deze sonates (de drie sonates nr.2 op. 2) (...) op aan zijn ex-leraar Haydn, wiens hand echter nauwelijks nog te horen is. Indien men toch enige invloed zou willen bemerken, komt hij eerder van Haydns symfonische werk dan van de pianomuziek. Beethoven nieuwe sonates zijn, net als Haydns symfonieën, vierdelig opgevat - met een menuet of scherzo na het langzame deel, en een echte finale op het einde - ook hun lengte - gemiddeld anderhalve keer meer dan wat met tot nog toe gewoon was - verraden een symfonische allure.(...)
In de korte periode dat Beethoven les had genomen bij Haydn was hij zeer onder de indruk gekomen van diens verworvenheden op het vlak van de symfonische stijl. Maar het mes sneed langs twee kanten. Enerzijds had hij vanuit de eerste rij kunnen observeren, analyseren en assimileren hoe Haydn te werk ging bij het schrijven van symfonieën, en popelde hij van ongeduld om deze ervaringen in zijn eigen werk te integreren. Anderzijds was hij dermate geparalyseerd door de allure van Haydns Londense symfonieën, dat hij de tijd nog niet rijp achtte om zijn meester op dit vlak naar de kroon te steken. Door 'symfonisch' te gaan denken bij pianowerken vond Beethoven een uitweg voor deze impasse. Op die manier stelde hij ook een belangrijke historische daad door definitief de stilistische muur tussen de genres te slopen.
▶ Beethoven Piano Sonata 2 A major Barenboim - YouTube: "http://youtu.be/EnXnNADtHw8"

'via Blog this'

zaterdag 17 augustus 2013

Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann)

In de herinneringen aan zijn jeugd in Duitsland (Erinnerungen und Gedanken. Eine Jugend in Deutschland, Frankfurt a.M., 1986, vertaald als In de schaduw van de tovenaar, A'dam 1993) gaat de historicus Golo Mann, zoon van de schrijver Thomas Mann, ook in op hoe hij de jaren 30 beleefde. En dan in het bijzonder de periode van de deflatiepolitiek van de regering-Brüning, die sterk overeenkomt met de bezuinigingspolitiek ("austeriteitspolitiek" raakt nu in zwang), die nu door Europese regeringen en de Europese Commissie als het juiste antwoord op de economische crisis wordt gezien.

Een politiek die in beide gevallen massawerkloosheid, armoede, uitzichtloosheid en politieke ontwrichting met zich meebrengt.

Waarschijnlijk had Hitler in Duitsland niet aan de macht kunnen komen als de regering-Brüning een verstandiger en dus Keynesiaans economisch beleid had gevoerd. En op het ogenblik zien we in Europese landen ook de signalen van politieke ontwrichting. Door te volharden in het rampzalige bezuinigingsbeleid straalt het politieke centrum steeds meer machteloosheid uit, daarmee bijdragend aan de toenemende populariteit van extremistische partijen.

Daar is al verschillende malen op gewezen. Denk aan de waarschuwing van Barry Eichengreen eind vorig jaar (Europe's Populists at the Gate en dit bericht). (Update. En niet te vergeten: James Galbraith.) En aan The Centre Cannot Hold? van Simon Wren-Lewis van vijf dagen geleden, dat eindigt met de volgende alinea:
So in the Netherlands and elsewhere in Europe, on the issue of the stupidity of pro-cyclical fiscal policy, it is only the views of politicians on the far-left or far-right that matches those of the majority of macroeconomists. Given the social, economic and political consequences of declining real wages and rising unemployment, which fiscal austerity only makes worse, this is both a very sad and rather dangerous state of affairs.
Een zeer droevige en nogal gevaarlijk toestand.

Hoe groot dat gevaar in de jaren 30 was, dat heeft de geschiedenis ons met harde hand geleerd. Golo Mann beschrijft het in het hoofdstuk dat hij wijdt aan Leopold Schwarzschild (1891-1950), de publicist die zijn politieke mentor was. Schwarzschild was al op de hoogte van het werk van Keynes en probeerde met artikelen in zijn eigen weekblad Das Tagebuch de regering-Brüning op andere gedachten te brengen. Hij riep op tot stimulering van de economie. Maar de regering volhardde en reageerde op de groei van Hitlers aanhangers met een meer nationalistisch beleid om zo de gevoelens van gekrenkte nationale trots te bevredigen. Dat zou Hitler wel de wind uit de zeilen nemen.

Het zou anders lopen en Schwarschild moet dat hebben zien aankomen. In zijn artikel Ja, als het oorlog was verzuchtte hij dat een oorlog ineens alles mogelijk zou maken wat nu werd afgewezen. In de woorden van Mann (p. 341):
dan zouden er in één klap honderdduizenden niet te vervullen arbeidsplaatsen zijn in plaats van miljoenen werklozen (...) waarom dan niet in vredestijd, voor betere doeleinden? Toen het inzicht zich aan hem opdrong dat Brüning niet van zijn harde methode wilde afstappen, toen de economische verschrikkingen van '31 precies zo verliepen als die van het vorig jaar, toen geen van de noodverordeningen die tot de 'sanering van de economie' moesten leiden ook maar het beperkte doel, dat van de sanering der staatsfinanciën, bereikten, omdat elke belastingverhoging door een nieuwe inkrimping van het nationaal produkt weer teniet werd gedaan, kwam er verandering in Schwarzschilds taal. Nu vinden we schrille, door de nood om hem heen maar al te gegronde formuleringen: 'helse cirkel van gestage belastingverhoging en inkomenskorting', 'economie verwoestende waanzin'. 'Begrijpt men wat het betekent dat een armzalig technisch hulpmiddel (namelijk het geld, GM) een volk van vijfenzestig miljoen mensen in wanhoop, ellende en oproer moet storten?'.
In het volgende hoofdstuk beschrijft  Mann dan hoe de regering-Brüning aan de kant wordt gezet en dat niet lang daarna Hitler aan de macht komt, eigenlijk dat hem de macht wordt aangeboden. Waarna hij in staat is om een persoonlijke dictatuur te vestigen en om successen te boeken door wel al die werklozen aan het werk te krijgen. Lees nog eens dit bericht en dit bericht. Maar dan door middel van de voorbereidingen op de oorlog.

Het klinkt, gelukkig nog niet tot en met die laatste stappen, allemaal verontrustend actueel.

donderdag 15 augustus 2013

Een Centrum voor Jeugd en Gezin dat werkt, kan dat? Over Evalien Verschuren en het CJG Beijum

Je hoort weinig meer over de Centra voor Jeugd en Gezin. De eerste werden geopend in 2008, maar het is onduidelijk of ze al in het hele land zijn "uitgerold", zoals zulks is gaan heten. Vorig jaar waren er berichten dat ze niet goed functioneren en dat sommige al weer werden gesloten. Zie mijn eerdere bericht daarover, waarin ik het CJG Beijum (Groningen) als voorbeeld noemde van hoe het zou moeten.

Voor het succes van dat CJG Beijum is allereerst Evalien Verschuren verantwoordelijk. Zij is de drijvende kracht en was dat al toen het nog het Ouder-en Kind Centrum heette. Over haar werk en haar ervaringen heeft ze nu het boekje Het CJG werkt! geschreven en het is heel leerzaam om dat te lezen. Ik kreeg het van haar toegestuurd, met als opdracht: "Beste Henk. Ik lees altijd met veel plezier je inspirerende blogs. Hoop dat je mijn boekje ook met plezier leest. Groet, Evalien".

Ik meld dat maar, om het verwijt dat ik heimelijk reclame maak te voorkomen. Ik kan dus wat bevooroordeeld zijn in positieve zin. (Maar ik heb, aan het eind, ook een bedenking.)

Wat leer je van Evalien?

Allereerst dat het mogelijk is om in een buurt vanuit het niets een trefpunt te creëren waar ouders elkaar ontmoeten. Evalien begon heel eenvoudig, met een koffietafel en een speelhoekje in de wachtkamer van het consultatiebureau. Een bloemetje op tafel. En ook omdat ze daar natuurlijk zelf aanwezig was, veranderde de sfeer, bleven ouders napraten en werd de wachtkamer al gauw te klein. Dus kwam er een huiskamer.

Maar ook trok Evalien de wijk in.
Ik liep vaak door het winkelcentrum en over de wijkmarkt, ging schoolpleinen en speeltuintjes af, schoof aan bij de koffietafel van de peuterspeelzaal en was te vinden op alle wijkfeesten en informatiemarkten.
Dat werkte en er kwam een groepsruimte bij, een kantoortje en een keuken. En tien vaste vrijwilligers, doorlopende enkele stagiaires en heel veel bezoekers. Die laatsten waren wel vooral moeders. Evalien bracht ze niet alleen met elkaar in contact, maar wist hen ook allerlei ideeën voor activiteiten te ontlokken. Die ze dan vooral ook zelf, met enige hulp, organiseerden. Zo ontstond bijvoorbeeld het ruilwinkeltje. En er ontstonden moedergroepen, zoals een jonge moeder-groep en een groep voor moeders met een kind met een beperking. En er ontstond een naschoolse opvang voor kinderen die thuis weinig aandacht en niet zo goed te eten kregen.

Het blijkt dan dat het CJG voor moeders met geldzorgen, beperkte sociale vaardigheden, gezondheidsproblemen of weinig stabiele relaties een heel belangrijke functie gaat vervullen. Niet alleen omdat ze wat meer onder de mensen komen, maar ook omdat ze de kans krijgen ergens verantwoordelijkheid voor te nemen. Maar ook komen er moeders zonder zulke problemen, maar die wel erg bezig zijn met de opvoeding. Of, anders gezegd, die perfecte opvoeders willen zijn en daar hulp bij zoeken. Die twee groepen blijken nauwelijks te mengen.
De moeders-met-problemen praten over eten, seks en relaties en zijn erg direct. De anderen willen bijvoorbeeld weten wat een goede moederfiets is en wat de leukste vakanties en uitjes met kinderen zijn. De groepen gebruiken verschillende woorden, zien er anders uit en irriteren elkaar. Je ziet ouders die in het CJG komen, eerst kijken wie er in de huiskamer zitten, en dan pas de keuze maken of ze wel of niet plaatsnemen.
En Evalien meldt dat het niet werkt om te proberen die afstand te doorbreken. Maar is het al niet mooi dat ze elkaar eens van dichtbij meemaken? Het verkleinen van sociale afstand gaat altijd in kleine stapjes. (Ik moest even denken aan die man van de Marokkaanse Ouderraad van een wijk in Utrecht die mij vertelde dat hij drie jaar lang zijn Nederlandse buurman elke dag netjes bleef groeten en dat ze vervolgens de beste vrienden waren geworden.)

Wat is mij na lezing van Het CJG werkt! vooral bijgebleven?
  1. De indruk dat het initiëren en ondersteunen van ontmoeting tussen ouders (eigenlijk alleen moeders) voorop stond. En de indruk dat het beantwoorden van opvoedvragen daarbij vergeleken een bijzaak is. Mij lijkt dat de goede prioriteit.
  2. De indruk dat het succes van het CJG op deze manier sterk afhankelijk is van de persoon van de professional en dus van het vermogen van die persoon om persoonlijke relaties aan te gaan. Zo iemand moet betrokken, hulpvaardig, stevig, energiek, vasthoudend, realistisch en creatief zijn. In staat zijn om "echt contact" te maken. Evalien houdt daarom bewust privé en werk niet strikt gescheiden. In haar woorden: "Laat gerust zien dat je een 'gewoon mens' bent en vertel ook over jezelf. Als ik doe wat ik op de opleiding geleerd heb, zou ik ontwijkend moeten antwoorden op vragen als: 'Heb je zelf ook kinderen?' Onzin. Als ik denk dat het in de situatie past, heb ik het gewoon over mijn kinderen of mijn huis. Belangrijk is dat je écht in contact komt, dat je mensen weet te binden. Dat lukt niet als je je opstelt als een koele, afstandelijke professional."
  3. Met dat laatste samenhangend, de indruk dat er voor dit soort werk misschien geen opleiding bestaat. Of in ieder geval dat de huidige opleiding er niet goed op voorbereidt. En de indruk dat verwerkte levenservaring misschien van groter belang is dan dat wat je op een opleiding leert. In dat verband, zijn het niet te vaak juist de jongeren, die net van de opleiding komen, die dit soort belangrijke werk krijgen toegewezen? Zodat de ouderen een managementfunctie kunnen vervullen?
  4. De indruk dat dit succes alleen is te bereiken bij volstrekte afwezigheid van een afrekencultuur. Zo meldt Evalien dat ze geen registratie bij houdt van de bezoekers en waarvoor ze komen. Dat lijkt mij belangrijk.
Tenslotte de aangekondigde bedenking. Mijn visie op de Centra voor Jeugd en Gezin houdt in dat ze een functie zouden moeten vervullen in het tot stand brengen van buurten voor kinderen. Omdat het sociale isolement van gezinnen slecht uitwerkt voor de sociale en morele ontwikkeling van kinderen. Naast de ouders, die werk en gezin moeten zien te combineren, zijn het de kinderen die van dat sociale isolement de nadelen ondervinden. Die nadelen zijn uit sociaalwetenschappelijk onderzoek bekend.

Maar het lijkt er op dat de nadelen voor de ouders meer aandacht krijgen. Hoe dat komt, ik weet het niet. Maar daardoor lijkt het wel alsof die Centra voor Jeugd en Gezin eigenlijk beter Centra voor Ouders genoemd zouden kunnen worden. Wat kinderen aan sociale opgroei-omgeving nodig hebben, dat komt maar beperkt in beeld.

En dat geldt ook voor het CJG Beijum, hoe succesvol dat ook is in het bij elkaar brengen van moeders. Evalien meldt dat ze in de beginfase op moest boksen tegen het "misverstand" dat het CJG een instantie was voor kinderen. Ze moest vaak uitleggen dat het CJG zich niet richt op kinderen, maar op opvoeders. 

Maar ik pleit er juist voor dat de CJG's kinderen centraal stellen en wat kinderen in sociaal opzicht nodig hebben. En er aan bijdragen dat kinderen in buurten opgroeien die aan hun sociale ontwikkelingsbehoeften tegemoet komen. Buurten waarvan bewoners elkaar kennen en wel eens iets voor elkaar doen of samen doen. Waardoor kinderen veel met zulk gedrag in aanraking komen in plaats van alleen maar "opgevoed" te worden. Zie bijvoorbeeld dit bericht over de mythe van de opvoedbaarheid. Dat het CJG er is voor kinderen, nee, dat zou ik dus geen misverstand noemen. Toch nog een bedenking.