donderdag 31 oktober 2013

De (nog) hardnekkige aanhang van de anti-overheidsideologie

De overtuiging dat het verstandig is om als overheid in een balansrecessie te gaan bezuinigen, in een tijd dus dat de private sector ook minder besteedt, is een concretisering van de algemenere vuistregel dat de overheid weinig goeds kan doen.

Die vuistregel houdt in dat het marktmechanisme bij uitstek de bron is van alles wat wenselijk is. De markt zorgt altijd voor de goede prikkels en daarmee voor maximale welvaart. Een verdelingsprobleem is er niet, want wie arm is, heeft kennelijk te weinig aan te bieden waar vraag naar is of spant zich te weinig in. Bovendien profiteren de armen altijd wel mee van die welvaartstoename, want doordat de rijken zoveel geld hebben om uit te geven, komt daarvan ook altijd wel wat terecht bij de armen. Dat laatste is het bekende trickle down argument.

De overheid kan in deze visie vooral kwaad doen, namelijk door dit proces te verstoren. Het zou bijvoorbeeld verkeerd zijn om de armen te helpen door middel van inkomensherverdeling. Of om door een anticyclisch macro-economisch beleid volledige werkgelegenheid te waarborgen. Werkloosheid kan immers eigenlijk alleen maar structureel zijn en is dan een noodzakelijk onderdeel van het aanpassingsproces van het marktmechanisme aan veranderde omstandigheden. Liever niets aan doen.

Mensen die een actievere overheid bepleiten zijn do-gooders, die het zuur verdiende geld van de rijken willen afpakken om het aan de armen te geven. Dat maakt dat de rijken zich minder inspannen en zij zijn nu juist de bron van ondernemingslust, die geheel onbelemmerd hun goede werk moeten kunnen doen. Er moet altijd voor gewaakt worden dat de overheid wordt overgenomen door die naïeve idealisten.

Dat is in een notendop de (neoliberale) anti-overheidsideologie. (Update. Zie vandaag ook de column van Paul Krugman in de New York Times, waarin hij deze ideologie, zoals de Republikeinen in de Verenigde Staten hem aanhangen, karakteriseert als "adolescent libertarian fantasies". Daar zit wat in.) Vuistregel: zorg er voor dat de overheid zo klein mogelijk blijft. Er is natuurlijk ook de precies tegengestelde ideologie van het onbeperkte vertrouwen in maximaal gecentraliseerde besluitvorming, het communisme, maar daar gaat het nu niet over.

De vuistregels die wij hanteren voor de vormgeving van het publieke domein zijn meestal geïnspireerd op morele intuïties die afkomstig zijn uit  het persoonlijke domein. De anti-overheidsideologie lijkt eenzijdig gebaseerd op de intuïties van autonomie en individuele verantwoordelijkheid. Iedereen moet op eigen benen staan. Zelfredzaamheid.

Eenzijdig gebaseerd, in de zin dat andere morele intuïties, zoals onderlinge solidariteit en wederkerigheid, geen inspiratiebronnen zijn voor dat publieke domein. Hun werking moet beperkt blijven tot ieders persoonlijke domein. Als je hulp nodig hebt, dan moet die te vinden zijn in de kring van familie en vrienden. U weet wel, de participatiemaatschappij.

Ik omschreef vuistregels als niet door de feiten gestaafde inzichten, die echter wel plausibel lijken en die in ieder geval niet overduidelijk door die feiten weerlegd worden. Met "overduidelijk" bedoel ik dat ze niet zo flagrant met de werkelijkheid in strijd zijn dat er eigenlijk geen aanhanger van kan worden gevonden. Dat betekent dat de aanhang van dit type vuistregels sterk afhankelijk is van processen van sociale beïnvloeding. Inderdaad, ze verschijnen en verdwijnen als sociale zeepbellen. In situaties van informatietekort en onzekerheid vertrouwen we mede op de oordelen van anderen. De aanhang voor publieke domein-vuistregels kan dus sterk fluctueren.

Zo verkeerde de anti-overheidsideologie na de Tweede Wereldoorlog in een minderheidspositie. Maar we weten dat dat in de jaren tachtig, met Ronald Reagan in de Verenigde Staten en Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk, veranderde. Waarna de ideologie na de Val van de Muur in 1989 nog eens een flinke boost kreeg. En we maken nu, na de financiële crisis en midden in een grote depressie, een tijd mee waarin zal blijken in hoeverre hij zich nog weet te handhaven. Je zou verwachten dat hij maar slecht is opgewassen tegen de harde werkelijkheid van het falende vertrouwen in de weldaden van de ongereguleerde marktwerking.

Maar toch verbaast de hardnekkigheid waarmee er aan de ideologie wordt vastgehouden. Zie daarover bijvoorbeeld Why Are Neo-Liberal Ideas So Resilient?  En lees deze prachtige reactie van John Cassidy op het nieuwe boek van Alan Greenspan, de voorganger van Ben Bernanke bij de Fed en bij uitstek de representant van de anti-overheidsideologie, Alan Greenspan Rediscovers Keynes - Sort Of. Komt die hardnekkigheid er uit voort dat de morele lading die vanuit dat persoonlijke domein is meegenomen naar het publieke domein, in de weg staat van een zakelijke en intellectuele beoordeling van de feiten?

Daarover een volgende keer meer.

woensdag 30 oktober 2013

Vijf boeken over de werkelijke economie die je gelezen moet hebben. Volgens John Kay



De financiële crisis van 2008 en de economische recessie die daarop volgde en die ons nu nog plaagt, hebben tot veel kritiek op het vak economie aanleiding gegeven. Die kritiek is divers, maar een gemeenschappelijke noemer lijkt te zijn dat grote delen van het vak nauwelijks nog over de economische (en sociale) werkelijkheid gingen. Een van de uitingen van die kritiek is de Real-World Economics Review (een aanrader en gratis te lezen).

Maar de aanleiding tot dit bericht is het interview met John Kay, de auteur van onder meer Obliquity, het boek waarin hij uitlegt dat we veel van onze doelen het beste via een omweg kunnen bereiken.

Een omweg? Ja, denk ook aan Overheidsonmacht in de jeugdzorg!, waarin Arie Glebbeek, Rudi Wielers en ik uitleggen dat omwegbeleid de aangewezen weg is op het terrein van de jeugdzorg.

In dit interview noemt John Kay de vijf boeken (zie hierboven) die wij allemaal, maar in de eerste plaats de economen onder ons, zouden moeten lezen. Want ze gaan over de werkelijke wereld en de werkelijke geschiedenis. En daarvoor is in de huidige economie-opleidingen veel te weinig ruimte. Lees het interview.

Hm, ik heb alleen nog Guns, Germs and Steel van Jared Diamond gelezen. Vertaald als Zwaarden, Paarden en Ziektekiemen. Maar daar wel heel, heel veel van geleerd. Wel nog vier te gaan dus.

Vooroordelen, vuistregels, sociale zeepbellen en ideologieën. Zullen we ooit het publieke domein onder de knie krijgen?

We leven in een maatschappij met een omvangrijk publiek domein. Dat is het sociale domein dat bestaat uit alle mensen, relaties, omstandigheden en gebeurtenissen waar we geen directe, op persoonlijke ervaringen berustende kennis van hebben. In vergelijking met het persoonlijke domein, dat van de familie en vrienden waarmee we een persoonlijke geschiedenis delen, is onze relatie met het publieke domein er een van een fundamenteel informatietekort. Vrijwel alles wat we weten of menen te weten, hebben we van horen zeggen. Sommigen van ons doen hun best om dat informatietekort te verminderen. Ze lezen kranten, ze raadplegen boeken en internet en ze volgen het (sociaalwetenschappelijk) onderzoek. Maar verreweg de meesten maken zich afhankelijk van wat ze zoal horen en onder ogen krijgen bij hun dagelijkse bezigheden die op andere zaken gericht zijn.

Nou en? Zou je kunnen denken. Maar zo gemakkelijk kom je er niet van af. Want onze lotgevallen zijn met wat er in dat publieke domein gebeurt wel innig verbonden. Wat al die anderen die we niet persoonlijk kennen, doen en nalaten, in economie, openbaar bestuur en politiek, daar van ondervinden we wel de gevolgen. Denk maar aan werkloos worden als gevolg van een economische recessie die door een ten onrechte gedereguleerde bankensector is veroorzaakt. En denk er aan wat het dan voor verschil maakt of je in een land leeft met een behoorlijke sociale zekerheid of niet.

Afhankelijk zijn van het onbekende maakt onzeker. Dat heeft emotionele gevolgen (stress), maar ook cognitieve. Want we kunnen die onaangename onzekerheid verminderen door op vuistregels te vertrouwen. Niet door de feiten gestaafde inzichten, die echter wel plausibel lijken en die in ieder geval niet overduidelijk door die feiten weerlegd worden. Zo'n vuistregel is bijvoorbeeld dat je de meeste mensen (die je niet persoonlijk kent) wel kunt vertrouwen. Of dat je ze juist niet kunt vertrouwen. Of neem de nog concretere vuistregel dat je altijd maar beter je fiets op slot kunt zetten.

Vooroordelen zijn ook vuistregels. Als we andere mensen niet kennen, hebben we snel de neiging om ze in groepen in te delen en ze binnen die groepen over een kam te scheren. Zie het vorige bericht. Die vooroordelen zijn vaak negatief. Dat zal er mee te maken hebben dat evolutionair gezien overdreven angst en behoedzaamheid succesvoller zijn dan te grote naïviteit en lichtzinnigheid.

Maar evenzeer zijn er vuistregels in de vorm van sociale zeepbellen en ideologieën. Zoals de sociale zeepbel dat het een goed idee is om als overheid te bezuinigen in een balansrecessie. En de (neoliberale) ideologie dat overheidsingrijpen in het marktmechanisme als regel meer kwaad dan goed doet. In een volgend bericht meer aandacht voor deze vuistregels aan de hand van enkele actualiteiten.

Dat allemaal in het kader van de vraag of we het publieke domein wel ooit onder de knie zullen krijgen. De vuistregel is misschien: nee, dat zullen we niet.

maandag 28 oktober 2013

Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt

Hoe komen we van het bestaan van vooroordelen af? En daarmee van de vaak gewelddadige conflicten die uit vooroordelen voortkomen?

Een in de sociale wetenschappen bekend antwoord op die vragen is dat vooroordelen die verschillende groepen over elkaar hebben, verminderen als de leden van die groepen meer contacten over en weer hebben. Dit heet wel de contacthypothese en die werd door de sociaal psycholoog Gordon Allport in 1954 geïntroduceerd in zijn boek The Nature of Prejudice.

Ananthi Al Ramiah en Miles Hewstone geven nu in Intergroup Contact as a Tool for Reducing, Resolving, and Preventing Intergroup Conflict Evidence, Limitations, and Potential (betaalpoort) een mooi overzicht van al het onderzoek dat is gedaan om te checken of die hypothese klopt. Daarmee bouwen ze voort op de studie A meta-analytic test of intergroup contact theory van Pettigrew en Tropp uit 2006, die de data van ruim 500 studies bij elkaar veegden en analyseerden.

Al dat onderzoek heeft opgeleverd dat het inderdaad klopt dat door meer persoonlijk contact tussen leden van verschillende groepen met negatieve vooroordelen over elkaar, die vooroordelen verminderen. Waardoor naar verwachting ook de kans op gewelddadige conflicten of onderdrukking van minderheden vermindert.

Dit is zonder meer een van die onderzoeksgebieden waarmee de sociale wetenschappen hun grote maatschappelijke belang bewijzen. Wij leven dicht bij huis en wereldwijd in maatschappelijke verhoudingen met groepsgrenzen naar nationaliteit, etniciteit, religie, cultuur en sociaaleconomische status. Daardoor ontwikkelen we gemakkelijk vooroordelen, vooral negatieve, over leden van andere groepen. Die zijn vaak onschuldig. Maar als daar echte of vermeende belangenconflicten bij komen, die ideologisch aangewakkerd worden, dan ontstaan gevaarlijke toestanden.

Na de gruwelen van het Hitler-bewind, met de genocide op Joden, Roma, homo's en gehandicapten, en die van het Stalin-regime hebben we (ik ben van 1943) een poos gedacht dat zoiets voorgoed geschiedenis was, maar die optimistische tijd is al lang voorbij. In Europa hadden we Noord-Ierland en in de jaren 90 de moordpartijen in het voormalige Joegoslavië. En hebben we nu het door de economische crisis en het rampzalige bezuinigingsbeleid oplevende rechts-extremisme. Zie ook nog eens Verontrustend actueel. En buiten Europa hadden we de apartheid in Zuid-Afrika en de Verenigde Staten en de verschrikkingen in China (Mao), in Cambodja (Pol Pot) en de moordpartijen in Congo, Rwanda, Darfur en Sudan. Het gaat ergens over.

Inzicht in de gunstige werking van persoonlijke contacten is dus van groot belang. Enkele zaken die me opvielen bij het lezen van dat artikel van Al Ramiah en Hewstone zijn:
  1. Er zijn aanwijzingen dat persoonlijke contacten met leden van een andere groep ook vooroordelen vermindert over leden van andere groepen waarmee geen persoonlijk contact bestaat. De werking er van is algemener. Kennelijk zijn mensen in staat om uit het niet kloppen van vooroordelen in het ene geval te concluderen dat ze dan misschien wel in het algemeen niet kloppen. Ze worden in het algemeen toleranter, ruimdenkender en realistischer.
  2. Waardoor vermindert dat contact de bestaande vooroordelen? Doordat de angst voor de anderen er door vermindert en doordat empathie toeneemt. Dat moet er mee te maken hebben dat mensen elkaar gewoon beter leren kennen. Er ontstaat iets van die onderlinge vertrouwdheid die in de eigen groep vanzelfsprekend is en die mensen nodig hebben om samen te kunnen leven. Denk aan die Paleo Sociale Omgeving, waarin de mensheid is geëvolueerd. Die sociale omgeving is nog altijd een model voor menselijk samenleven dat we niet straffeloos blijken te kunnen negeren.
  3. Meer persoonlijk contact vermindert niet alleen vooroordelen, maar vergroot ook het vertrouwen, de vergevingsgezindheid en de bereidheid tot verzoening. Dat zijn ook de eigenschappen die kenmerkend zijn voor de Paleo Sociale Omgeving.
  4. Is het alleen het persoonlijke contact dat deze gunstige effecten heeft? Nee, er zijn aanwijzingen dat ook virtueel contact helpt (internet). En ook parasociale contacten, dus het meer leren over andere groepen en culturen door het kijken naar televisieprogramma's. Ook hoef je het contact niet eens zelf te hebben. Als je vrienden hebt met zulke contacten, verminderen ook jouw vooroordelen.
We kunnen dus wel degelijk wat doen om vooroordelen terug te dringen en zo bij te dragen tot een vreedzamere wereld. Er is zonder meer een taak voor de media weggelegd. Alleen is het de vraag of we daar in de regelgeving (publieke omroep!) wel voldoende rekening mee houden.

En ik moest er ineens aan denken dat die vroegere militaire dienstplicht, naast alle nadelen, wel het voordeel had dat je maatjes werd met anderen van verschillende rangen en standen. Wat dat aangaat, hadden we die dienstplicht nu misschien wel goed kunnen gebruiken.

zondag 20 oktober 2013

Muziek voor de zondagochtend - Hélène Grimaud plays the "Adagio" from Mozart's Piano Concerto no.23

Niemand anders dan Mozart kon met zulke eenvoudige middelen een zo groot gevoel van diepzinnigheid teweeg brengen. Zoals hier in het Adagio van het 23ste Pianoconcert. Gespeeld door Hélène Grimaud, die van Living With Wolves.

vrijdag 18 oktober 2013

Er komt onderzoek naar de vraag of leeftijdsgemengde schoolklassen een goed middel zijn tegen pesten

In het bericht Het beste middel tegen pesten: leeftijdsgemengde groepen verbaasde ik me erover dat er in het onderwijs allerlei anti-pestprogramma's in omloop zijn, maar dat er weinig aandacht is voor wat nu wel de oorzaken zouden kunnen zijn van pesten door kinderen. Ik citeer mezelf:
Als je dat op je laat inwerken, kom je gemakkelijk op het idee dat het wel eens een belangrijke oorzaak van pesten zou kunnen zijn dat wij onze kinderen in extreme mate dwingen in het keurslijf van de naar leeftijd gesegregeerde groepen. Buiten de (steeds maar toenemende) tijd die kinderen met hun eigen ouders doorbrengen, verkeren ze vooral te midden van hun leeftijdsgenootjes. En die sociale omgeving van kinderen van dezelfde leeftijd lokt gemakkelijk statuscompetitie uit. Het gaat er dan al snel om wie het populairst is, wie wel en wie  niet cool is, of stoer is, of wie weet hoe je intimideert en wie kwetsbaar is. Geen aangename omgeving voor kinderen met een vlekje.
 En ik verwees naar onderzoek dat op de voordelen van leeftijdsgemengde klassen wijst:
Deze nadelen van naar leeftijd gesegregeerde groepen zijn overigens bekend. Zo is er het onderzoek Children's Social Behavior in Relation to Participation in Mixed-Age or Same-Age Classrooms, dat laat zien dat kinderen in leeftijdsgemengde groepen pro-socialer zijn, zich minder eenzaam voelen en minder vaak agressief zijn. Dat wijst er overduidelijk op dat in zulke groepen ook pesten minder vaak voorkomt.  En dan nog afgezien van andere positieve effecten van leeftijdsmenging op scholen, zoals op leerprestaties en cognitieve ontwikkeling.
Maar het lijkt er op dat die voordelen van leeftijdsmenging niet bekend zijn. Iedereen schijnt te vinden dat je pesten moet tegengaan door een "programma", dus door kinderen uit te leggen dat pesten niet goed is en dat je het niet moet doen. Anders gezegd: iedereen schiet in de opvoedreflex. Als er iets mis is met kinderen: beter opvoeden! (En dat verwijst weer naar de mythe van de opvoedbaarheid.)

Dat heeft er toe geleid dat er nu zelfs een wettelijke verplichting voor scholen komt om het pesten aan te pakken. Met een anti-pestprogramma uiteraard.

Aan dat alles moest ik natuurlijk denken toen ik eerder deze week de oratie van René Veenstra in Groningen bijwoonde. René, die ik ken als gewaardeerd ex-collega, deed verslag van zijn onderzoek naar de effecten van Kiva, een van die anti-pestprogramma's. En hij had gevonden dat op scholen waar dat programma was geadopteerd, het pesten meer was afgenomen dan op scholen die als controlegroep fungeerden.

Maar het mooie is dat er onder de scholen die aan het onderzoek meededen, ook zijn die werken met leeftijdsgemengde groepen. Dat zijn namelijk de Jenaplanscholen. Dat maakt het mogelijk om te onderzoeken of pesten op zulke scholen minder voorkomt. Als dat zo blijkt te zijn, dan zou dat een aanwijzing zijn dat leeftijdsmenging inderdaad een goed middel is. Uiteraard alleen een aanwijzing, want er zullen ook wel andere kenmerken zijn waarop Jenaplanscholen van andere scholen verschillen.

Natuurlijk begon ik hierover toen ik René na afloop feliciteerde. En hij vond het een goed idee om te gaan uitzoeken. Dus hopelijk komt er onderzoek naar de vraag of leeftijdsgemengde schoolklassen een goed middel zijn tegen pesten. Ik ben benieuwd naar de uitkomsten. Het zou toch mooi zijn als we pesten zouden kunnen terugdringen door de oorzaak aan te pakken. In plaats van maar weer beter opvoeden.

donderdag 17 oktober 2013

Mensen hebben liever een gestage geringere inkomenstoename dan een per saldo grotere, maar met ups en downs. En over wat dat voor het beleid betekent

Uit grafieken als deze blijkt dat meer geld niet gelukkig maakt:

Money doesn't buy happiness

Terwijl het gemiddelde inkomen (in deze grafiek in de Verenigde Staten) sterk is gestegen, is in dezelfde tijd het percentage mensen dat aangeeft zeer gelukkig te zijn gelijk gebleven. Daar zijn wel mogelijke verklaringen voor, zoals gewenning, waardoor je met meer geld eerst wel wat gelukkiger bent, maar later niet meer, en sociale vergelijking, waardoor je niet gelukkiger wordt als niet alleen jijzelf, maar iedereen meer is gaan verdienen.

Maar er is nu een nieuwe mogelijke verklaring bij gekomen. In de studie Money, Well-Being, and Loss Aversion: Does an Income Loss Have a Greater Effect on Well-Being Than an Equivalent Income Gain (betaalpoort) laten onderzoekers zien dat mensen minder tevreden worden van een inkomenstoename dan dat ze ontevreden worden van een inkomensdaling van dezelfde grootte. Dat vonden ze door in twee grote databestanden, een in Duitsland en een in Engeland, het verband te analyseren tussen veranderingen in het inkomen van mensen van jaar tot jaar en hun tevredenheid, ook van jaar tot jaar. En dan blijkt inderdaad dat wij een afkeer hebben van achteruitgang, loss aversion. Een verschijnsel dat eerder experimenteel is aangetoond door Tversky en Kahneman (pdf).

Zo verbazend is het dus op zichzelf niet. Maar het biedt wel een mogelijke nieuwe verklaring voor dat gegeven dat ons geluk niet toeneemt in een periode waarin het gemiddelde inkomen wel sterk is gestegen. Zoals in de grafiek hierboven. Want een toename van het gemiddelde inkomen door de jaren heen kan tot stand komen doordat er ook wel eens een jaar met een daling is geweest. En ook als het gemiddelde inkomen wel is toegenomen, zijn er ook altijd mensen bij wie het inkomen juist is gedaald, bijvoorbeeld door werkloosheid. En die dalingen blijken dus behoorlijk veel zwaarder uit te werken op de gemiddelde tevredenheid dan de toenames.

En wat volgt daaruit? Dat wij met zijn allen tevredener worden als onze inkomens gestaag en gering toenemen, zonder tussentijdse dalingen, dan wanneer de toename per saldo groter is, maar met ups en downs. Het gaat dus niet om de totale inkomenstoename over een bepaalde periode, maar veel meer om een stabiele toename, dus zonder fluctuaties. Kennelijk speelt hier zoiets als onze subjectief ervaren bestaanszekerheid, die we erg belangrijk vinden. Van een fluctuerend, maar uiteindelijk hoger inkomen, worden we onzeker en daar houden we niet van. Dan maar liever wat minder, maar dan stabiel.

Belangrijk om te weten. Een sterk motief voor politici en beleidsmakers om te streven naar een stabiele welvaartstoename, die niet per se maximaal hoeft te zijn. En een sterk motief voor sociale zekerheid en collectieve sociale voorzieningen. Kortom, voor een anticyclisch (Keynesiaans) macro-economisch beleid gericht op volledige werkgelegenheid, samen met een behoorlijke verzorgingsstaat.

En als de democratie goed werkt, en de voorkeuren van burgers in beleid vertaald worden, dan zouden we die ook moeten hebben.

woensdag 16 oktober 2013

Hoe staat het met het doel van volledige werkgelegenheid? Gloort er hoop? En over de Comissie Melkert

Diederik Samsom heeft in het Kamerdebat over het akkoord met drie oppositiepartijen gezegd (cursivering van mij):
En er kon worden voldaan aan de gezamenlijke en met de dag groeiende wens om alles op alles te zetten om werkgelegenheid te stimuleren, op korte en op langere termijn.
Dat volgens hem de wens om, ook op korte termijn, de werkgelegenheid te stimuleren met de dag groeit, dat zou kunnen betekenen dat in de politiek en misschien zelfs vooral in de PvdA eindelijk weer het inzicht groeit dat de overheid tot taak heeft om volledige werkgelegenheid in stand te houden. Dat was ooit een van de vijf doelen waarop het overheidsbeleid zich onomstreden zou moeten richten. En het was het doel dat vooral in de sociaaldemocratie centraal stond. En belangrijker was dan bijvoorbeeld nivelleren van inkomens.

En het zou kunnen dat dit geen loze woorden zijn. Want inderdaad van dit laatste akkoord schijnt enige stimulerende werking uit te gaan. Bas Jacobs moest enige moeite doen om dat uit de cijfers te halen, maar zijn conclusie is toch:
Al met al lijkt er toch een impulsje van een kleine 2 mld te komen voor de economie, dankzij het laten oplopen van het begrotingstekort en de truc met het naar voren halen van belastingopbrengsten. Ik vind het allemaal prima; er wordt mij al teveel afgeknepen en ieder miljard minder tekortreductie is nu meegenomen voor de Nederlandse economie. Alleen jammer dat je daar pas achter komt als je achter het budgettaire rookgordijn van de regering hebt gekeken.
Het is niet veel, maar je moet er al blij mee zijn. En het blijft verbazen dat een regering met de PvdA niet al uit eigen beweging tot dat kleine stapje kon komen. Maar dat Samsom het nu nodig vindt om op te merken dat die wens tot stimulering met de dag groeit, dat geeft enige hoop.

Zou het concept-rapport van de Commissie Melkert, dat linkse oplossingen voor de crisis moest ontwikkelen, al op het bureau van Samsom liggen? Want Melkert kondigde, nu al weer bijna een jaar geleden, aan dat de doelstelling van volledige werkgelegenheid daarin heel centraal zou staan. En Hans Spekman, de PvdA-voorzitter, liet enige tijd geleden via twitter weten dat het rapport nog deze herfst uit zou komen.

Ik ben heel benieuwd.

maandag 14 oktober 2013

Hoe te verklaren dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze geeft? N.a.v. Rutger Bregman

Rutger Bregman geeft een overzicht van onderzoek dat er op wijst dat je daklozen en in het algemeen armen en werklozen beter geld kunt geven dan ze door hulpverleners te laten begeleiden. Zie de link onderaan dit bericht. Als je ze gewoon geld geeft, zonder voorwaarden, dan blijkt dat ze daar verstandige dingen mee doen en er zuinig mee omgaan.

Hij noemt o.a. een experiment in Londen, waarbij 13 daklozen elk 3000 pond kregen, vrij te besteden. Geen van de mannen verspilde zijn geld aan drank, drugs of gokken. Integendeel, ze waren zuinig op hun centen en hadden na een jaar gemiddeld slechts 800 pond uitgegeven. Ze accepteerden opvang, volgden cursussen, leerden koken, kickten af, bezochten hun familie en maakten plannen voor de toekomst, schrijft Rutger Bregman. Na een jaar hadden 11 van de 13 een dak boven hun hoofd. Met vele malen lagere kosten dan "vruchteloos duwen, trekken, pamperen, bekeuren, vervolgen en verzorgen" door hulpverleners en politieagenten.

Rutger pleit daarom voor de invoering van een basisinkomen. In plaats van allerlei voorwaarden stellen aan het ontvangen van bijstand, wat onvermijdelijk gepaard gaat met een duur controleapparaat. Want het klopt niet dat armen lui zijn en niet met geld kunnen omgaan.

Nu is er over dat basisinkomen al veel nagedacht en geschreven. Een deskundige en voorstander er van is Philippe van Parijs. In ons land bepleitte de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1985 de invoering van een gedeeltelijk basisinkomen. Zo gek is die gedachte niet. Europees is er nu het Burgerinitiatief voor een Onvoorwaardelijk Basisinkomen, dat je hier kunt ondertekenen.

Maar hoe verklaar je dat armen verstandige dingen doen met het geld dat je ze onvoorwaardelijk geeft? Kennelijk is het een misvatting te denken dat ze lui zijn en niet met geld kunnen omgaan. Maar wat is er dan wel aan de hand?

Ik moest meteen denken aan de studie Poverty Impedes Cognitive Function (betaalpoort) die ruim een maand geleden in Science verscheen. De onderzoekers vinden overtuigende aanwijzingen dat armoede een oorzaak is van slechter cognitief functioneren. Het is bekend dat mensen die arm zijn, minder goed op hun gezondheid passen, minder zorgvuldig hun medicijnen innemen, minder goed afspraken nakomen, minder productief zijn en minder goed met geld kunnen omgaan. En het ligt voor de hand om te denken dat dat allemaal eigenschappen zijn die hebben gemaakt dat ze arm zijn.

Maar het zou ook kunnen dat het arm zijn en het hebben van geldzorgen en zorgen over de toekomst een aanslag zijn op je cognitieve capaciteiten. De stress van het arm zijn zou dan een oorzaak zijn van slechter cognitief functioneren. (Vergelijk ook de negatieve effecten van eenzaamheid op emotionele zelf-regulering en  op de kans op dementie.)

Een mooie aanwijzing daarvoor is dat Indiase boeren voorafgaand aan de oogst, als ze arm zijn en onzeker over de toekomst, slechter scoren op een cognitieve test dan na de oogst, als ze niet meer arm zijn. De beste aanwijzing voor een oorzakelijk verband tussen armoede en cognitief functioneren.

Dat zou dus verklaren waardoor die Londense zwervers zo verstandig met hun gekregen geld omgingen. Ze waren immers niet meer arm. Wat wil je nog meer om er van overtuigd te raken dat armoede de wereld uit moet?
Waarom we iedereen gratis geld moeten geven:

'via Blog this'

zondag 13 oktober 2013

Muziek voor de zondagochtend - Beethoven-12 contredances

Beethoven componeerde zijn 12 Kontretänze als finale van de balletproductie Die Geschöpfe des Prometheus. Jan Caeyers (Beethoven. Een biografie) meldt daarover (p. 188):
Opmerkelijk is wel dat Beethoven tijdens de finale een belangrijk politiek statement maakte. Voor de feestelijke slotdans die alle protagonisten, inclusief Prometheus, samen uitvoeren koos hij voor een serie 'Kontretänze', waarvan er een als refrein steeds terugkeert. Dit is veelbetekenend. De Kontretanz is de Weense variant van de Engelse 'country dance', die ten tijde van de eeuwwisseling de reputatie had een 'democratische dans' te zijn, omdat het de enige gelegenheid was waarbij meesters en knechten samen op de dansvloer mochten staan, wat dan weer symbool stond voor de nieuwe maatschappelijke orde die in de lucht hing.
Hier zie je dat er op die Kontretänze ook uiterst gestileerd gedanst kan worden. Zie de video onderaan. Ik vind het tegelijk prachtig en een beetje bizar.

Opmerkelijk is dat Beethoven zelf niet kon dansen. Toen hij als gewone jongen uit Bonn naar Wenen verhuisde, moest hij er tussen zien te komen. Dat viel niet mee, want het leven in Wenen was duur. Beethoven leefde daarom zuinig en hield een kasboek bij,
in de hoop een precies overzicht van zijn uitgaven te behouden. Maar tegelijkertijd trakteerde hij zichzelf op luxeproducten als koffie, cacao, suiker en cosmetica zoals pommade en poeder. Hij kocht ook mooie en dure kleren, zijden kousen en prachtige laarzen en schoenen, omdat hij snel aanvoelde dat de Weense burgers veel belang hechtten aan uiterlijk voorkomen en mooie kleren. En om zich goed te integreren schafte hij op een bepaald ogenblik zelfs een ouderwetse pruik aan. Dezelfde intentie om zich sociaal aangepast te gedragen moet aan de basis hebben gelegen van Beethovens beslissing danslessen te nemen. Iemand moet hem gezegd hebben dat de vele bals in Wenen uitgelezen gelegenheden waren om zich een plaats in de samenleving te verwerven. Wie in Wenen niet kon dansen, was sociaal gehandicapt. (Caeyers, p. 104-5)
Maar:
Deze lessen waren echter zonder succes. Volgens zijn leerling Ries lukte het Beethoven niet om in de maat te dansen. (Caeyers, p. 614)
Hij bleef dus wat sociaal gehandicapt. Maar hij kon je geweldig laten dansen.

vrijdag 11 oktober 2013

Leidden jagers-verzamelaars het zinvolle leven? Ja, waarschijnlijk wel. Maar waarom hielden ze dan daarmee op?

Leidden jagers-verzamelaars in de Paleo Sociale Omgeving een zinvol leven? In de zin dat ze een hoog niveau van eudaimonisch welzijn hadden, samengaand met positieve gezondheidseffecten? Daar valt wel wat voor te zeggen (zie het vorige bericht).

Maar de gedachte weerspreekt de opvatting die je nog wel eens tegenkomt en die teruggaat tot Thomas Hobbes (1588-1679), dat onze voorouders in die tijd als barbaren leefden, zonder overheidsgezag, en dat daardoor het leven "solitary, poor, nasty, brutish, and short" was. Die bekende parafrase is uit hoofdstuk 13 van Leviathan, Hobbes' bekendste boek.

Toch zijn er voor de hand liggende aanwijzingen dat dat jagen en verzamelen nog zo gek niet was. Bedenk maar eens dat wij mensen de enige van de 10 tot 20 mensachtigen zijn die tot nu toe overleefd hebben. En dat wij met die leefwijze van jagen en verzamelen ons vanuit oostelijk Afrika over vrijwel de gehele aardbol verspreid hebben. Dat moet je dan toch wel een succesvolle leefwijze noemen. Met een manier van samenleven, gebaseerd op coördinatie en coöperatie (cooperative breeding!), die aanpassing aan sterk uiteenlopende en veranderende omstandigheden mogelijk maakte. En die niet te rijmen valt met het beeld van woestelingen die elkaar voortdurend het leven zuur maken. Zie ook Beyond War. The Human Potential For Peace van Douglas P. Fry, voor een zorgvuldige weerlegging van dat beeld.

Maar waarom zijn mensen dan met die leefwijze opgehouden? Er was toch, vanaf zo'n 8 tot 10 duizend jaar geleden, de Agrarische Revolutie? Met alles wat daaruit voortkwam, zo prachtig beschreven door Jared Diamond in Guns, Germs, and Steel. The Fates of Human Societies. De landbouw, dat was toch een uitvinding die het leven een heel stuk veraangenaamde?

Dat staat nog te bezien. Want we weten dat de eerste landbouwers gekenmerkt werden door een geringere lichaamslengte dan die van de jagers-verzamelaars, wat wijst op een slechtere gezondheidstoestand. Denk nog even aan dat Paleo dieet. En het is ook niet zo dat jagers-verzamelaars zo snel als mogelijk tot het bedrijven van landbouw overgingen toen ze kennismaakten met de uitvinding er van. Sterker, van de mogelijkheden van landbouw en veeteelt moeten ze al veel langer op de hoogte zijn geweest. Ze hadden in de loop van de honderdduizenden jaren van hun bestaan al zoveel kennis en inzicht van fauna en flora, dat ze best al veel eerder hadden kunnen gaan boeren.

Toevallig verscheen gisteren de studie 2000 Years of Parallel Societies in Stone Age Central Europe (betaalpoort), die daar aanwijzingen voor verschaft. De onderzoekers vonden dat landbouwers en jagers-verzamelaars in Midden-Europa nadat de landbouw was "gearriveerd", nog zo'n 2000 jaar min of meer als buren hadden samengeleefd. Dat jagen en verzamelen was zo aantrekkelijk dat je daar gewoon mee doorging, ook als anderen arriveerden die voor het boerenbestaan hadden gekozen.

Je kunt daaruit opmaken dat landbouw niet een uitvinding was, maar een leefwijze die noodzakelijk werd door de bevolkingstoename als gevolg van dat succes van het jagen en verzamelen. Dat mensen het paradijs verlieten, kwam niet door de zondeval, maar doordat dat paradijs niet iedereen meer kon voeden. Er zat niets anders op. 

donderdag 10 oktober 2013

Gedachten over de positieve gezondheidseffecten van een zinvol leven

Het leiden van een zinvol leven, eudaimonisch welzijn, is gunstig voor je gezondheid, omdat je immuunsysteem daar door beter functioneert. Je hebt een kleinere kans op ontstekingen en daarmee samenhangende gezondheidsproblemen.

Een zinvol leven houdt o.a. in dat je pro-sociaal bent (je bekommert je om het welzijn van anderen), dat je waardevolle relaties hebt met anderen, dat je doelgericht en betrokken bent bij je dagelijkse bezigheden, dat je dingen doet waarbij je talenten aan bod komen en dat je een optimistische kijk op het leven hebt. Zie nog eens het vorige bericht.

Ik zei al, dat is om over na te denken. Gedachten die je dan hebt, kunnen bijvoorbeeld zijn:
  • Is een zinvol leven niet zo ongeveer het leven dat wenselijk was en veel voorkwam in de Paleo Sociale Omgeving? De sociale omgeving dus waarin de mensheid verreweg het grootste deel van haar bestaan heeft doorgebracht. Die van jagers-verzamelaars die voor hun overleving en hun voortbestaan sterk op elkaar waren aangewezen, in een sociaal verband van persoonlijke relaties. Denk aan de Big Two van de persoonlijkheid in zo een manier van samenleven, zoals bij de Tsimane. Wat daar telt is dat je vrijgevig, bescheiden en vriendelijk bent. En dat je je inspant voor het gezamenlijke welzijn. Als je dat allemaal doet, dan vergroot je de kans op overleving van de groep en dus je eigen overleving. En je voorkomt dat anderen je laten weten dat je verkeerd bezig bent. En ook dat draagt bij aan je kans op overleving.
  • Daar komt waarschijnlijk bij dat die inspanningen voor het gezamenlijk welzijn een beroep deden op je natuurlijke talenten. Hoe zo dan? (1) Er was een diversiteit aan activiteiten nodig, die verschillende vaardigheden vereisten. Dus was het efficiënt om de taken zo te verdelen dat iedereen zo veel mogelijk die dingen deed die hij/zij het beste kon. Dus werden de beschikbare talenten zo goed mogelijk gebruikt. (2) Maar ook andersom: degenen met talenten die het meest nuttig waren, zullen, via individuele én groepsselectie, de hoogste overlevingskansen hebben gehad. Die talenten zullen dus in volgende generaties meer zijn voorgekomen. En zo ontwikkelde zich een fit tussen de benodigde taken en de beschikbare talenten. Iedereen moest en kon de dingen doen die het meest bij zijn/haar talenten aansloten en die hij/zij daardoor ook het liefste deed.
  • Tja, dat klinkt behoorlijk paradijselijk. Maar die verhalen over het oorspronkelijke paradijs moeten natuurlijk ook ergens vandaan zijn gekomen.
  • Maar onze huidige maatschappij en onze manier van samenleven wijken natuurlijk behoorlijk af van die Paleo Sociale Omgeving. Wij groeien veel meer op in een maatschappij waarin er naast dat zinvolle leven van het gemeenschapsgedrag ook een grote dosis statuscompetitie heerst. Zie o.a. dit bericht en dit bericht. Dat is een grote uitdaging, die we maar beperkt het hoofd kunnen bieden. Vandaar de vervreemding.
  • Dat blijkt uit al die aanwijzingen dat het meer blootstaan aan statuscompetitie stressverhogend is en onze gezondheid negatief beïnvloedt. Zie o.a. dit bericht. Én het blijkt er dus ook uit dat als je, tegen die stroom in van de om zich heen grijpende statuscompetitie, toch in staat bent om nog enigszins een zinvol leven te leiden, dat dat dan gunstig uitwerkt op je immuunsysteem en je gezondheid.
  • Dat is natuurlijk een reden voor optimisme. Het "loont nog" om pro-sociaal te zijn en om de dingen te doen die aan je talenten tegemoet komen, in plaats van de dingen waarmee je alleen maar status verwerft en waarmee je veel geld zou kunnen verdienen.
  • Maar toch: daar staat weer tegenover dat er in onze maatschappij grote gezondheidsverschillen bestaan naar sociaaleconomische status. De rijkaards leven flink langer dan de arme sloebers. En bij het rijk worden in onze maatschappij helpt het als je flink meedoet aan de statuscompetitie.
  • Kortom: het algehele beeld is complex.

woensdag 9 oktober 2013

Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter

In het onderzoeksterrein van de positieve psychologie maken onderzoekers onderscheid tussen twee opvattingen over wat geluk is:
  1. de hedonische opvatting: geluk is gelijk aan de subjectieve ervaring van plezier en tevredenheid
  2. de eudaimonische opvatting: geluk is er bij het streven naar een zinvol leven en een nobel doel dat de bevrediging van egoïstische behoeften overstijgt
Dat onderscheid wordt nog duidelijker als je kijkt naar hoe die twee versies worden gemeten. Hedonisch geluk is meestal het antwoord op een vraag als "Hoe gelukkig zou u zeggen dat u bent de laatste tijd?" in de vorm van bijvoorbeeld een rapportcijfer tussen 0 en 10. Daartegenover meten onderzoekers de eudaimonische versie bijvoorbeeld met de volgende 8 uitspraken, waarvan je kunt aangeven hoezeer je het er mee oneens of eens bent (mijn vertaling uit het Engels):
  1. Ik leid een doelgericht en zinvol leven
  2. Mijn sociale relaties zijn ondersteunend en waardevol
  3. Ik ben betrokken bij en geïnteresseerd in mijn dagelijkse bezigheden
  4. Ik draag actief bij aan het geluk en welbevinden van anderen
  5. Ik ben kundig en capabel in de bezigheden die voor mij belangrijk zijn
  6. Ik ben een goed mens en leid een goed leven
  7. Ik ben optimistisch over mijn toekomst
  8. Mensen respecteren mij
Oké, maar dan zullen mensen die het zeer met deze uitspraken eens zijn, toch ook wel gelukkig zijn? Ja, dat is zo. De correlaties tussen de scores op deze twee maten is over het algemeen hoog. In het onderzoek dat aanleiding was tot dit blogbericht was hij 0,79. Maar dat is ook weer niet een perfecte samenhang. Maakt het dan wat uit of je meer gelukkig bent in de hedonische dan wel meer in de eudaimonische versie?

Ja en daar heeft de studie A functional genomic perspective on human well-being (pdf) meer over te melden. De onderzoekers vonden een intrigerend verschil in de samenhang van de beide versies van geluk met de werking van het immuunsysteem op het niveau van genenexpressie. Bij mensen met een hogere score op eudaimonisch geluk vonden ze o.a. een lagere expressie van pro-inflammatoire genen. Tegenover juist een hogere expressie bij mensen met een hoog hedonisch geluk. Anders gezegd, de kans op ontstekingen is lager als je eudaimonisch gelukkig bent dan wanneer je hedonisch gelukkig bent. Biologisch en voor je gezondheidstoestand maakt het dus verschil.

En dat is opmerkelijk, want het lijkt er op dat mensen subjectief gezien weinig tot geen verschil ervaren tussen hedonisch en eudaimonisch geluk. Je voelt je in beide gevallen oké, zoals er uit blijkt dat je in beide gevallen even weinig last hebt van depressieve symptomen. Maar op het biologische niveau is er wel degelijk een verschil en dat heeft (op den duur) gezondheidseffecten.

Het is natuurlijk ook weer niet zo dat het hedonische geluk slecht voor je is. Want de positieve gezondheidseffecten er van zijn bekend. Maar beter is dus het eudaimonische geluk.

Kortom: voel je je gelukkig? Oké. Prima. Maar is je leven ook wel doelgericht en zinvol? Heb je ook wel waardevolle sociale  relaties? Ben je dagelijks betrokken en geïnteresseerd? Draag je actief bij aan het welzijn van anderen? (Ben je pro-sociaal?) Doe je dingen waarin je kundig en capabel bent? Ben je een goed mens? Ben je optimistisch? Respecteren andere je? Als dat alles zo is, dan zou het kunnen dat je een ietsje minder (hedonisch) gelukkig bent, terwijl dat dan toch beter voor je is. De evolutie heeft ons kennelijk gestuurd in een richting waarin betrokkenheid bij anderen, ontplooiing van onze talenten en het leiden van een zinvol en goed leven bijdragen aan onze gezondheid en overleving. Dat is goed om even bij stil te staan. Update. Zie daarom nu ook het volgende bericht.

Aantekening voor mij zelf: Dit geeft ook een biologische onderbouwing van het onderzoek van Tim Kasser e.a. dat wijst op de positieve gezondheidseffecten van intrinsieke (in plaats van extrinsieke) aspiraties. Zie dit bericht.

maandag 7 oktober 2013

Doel bereikt! Grieks begrotingstekort komt op 2,4 procent. (Wel werkloosheid van 27 procent)

Het doel is bereikt. Het Griekse begrotingstekort gaat uitkomen op 2,4 procent. Lager dan de 3 procent die de eurozonelanden elkaar maximaal toestaan. Maar de werkloosheid staat wel op 27 procent. Zie de link onderaan. Hoe kan dat nou?

Welnu, ooit vonden we met zijn allen dat overheden vijf doelen moesten nastreven: een stabiel prijspeil, evenwicht op de betalingsbalans, een bevredigende (selectieve) economische groei, een redelijke inkomensverdeling én volledige werkgelegenheid. Niet begrotingsevenwicht, want we waren (met Keynes) tot het inzicht gekomen dat als je zorgt voor volledige werkgelegenheid, dat dan het overheidsbudget voor zichzelf zorgt. Want een overheid moet niet alleen niet teveel uitgeven, maar moet ook zorgen voor voldoende inkomen. En dus voor economische groei.

Maar toen kwam de neoliberale ideologie, met een overdreven vertrouwen in de weldadige werking van de vrije markt en een overdreven scepsis in wat de overheid vermag te doen. Als er maar begrotingsevenwicht is, vooral te bereiken door minder uit te geven, dan vallen alle micro-economische stukjes van de legpuzzel precies in elkaar en bloeit de economie (Skidelski). Er komt dan vanzelf een goed evenwicht tot stand.

Nee dus. Griekenland zucht onder massawerkloosheid, armoede en uitzichtloosheid. En onder de neonazistische Gouden Dageraad, die gewelddadig is en intimideert. En die nu met veel inspanning in toom moet worden gehouden.

Maar het doel is bereikt.

Update. Zie nu ook Hans Stegeman, niet over Griekenland, maar over Nederland.

Grieks begrotingstekort komt op 2,4 procent - Buitenland - VK:

'via Blog this'

zondag 6 oktober 2013

Muziek voor de zondagochtend - J. Brahms - Horn Trio, Op. 40 (I)

Gisteren de eerste herfstkleuren (goudgeel) in de ondergaande zon gezien. En gedacht dat daar de natuurhoorn bij past. Toevallig had ik uit de Muziekbibliotheek aan de Oudegracht de CD geleend waarop Teunis van der Zwart het hoorntrio op. 40 van Brahms speelt. Samen met Isabelle Faust en Alexander Melnikov.

En ja, dat past precies. Hier gespeeld door Zora Slokar, hoorn, Denes Varjon, piano en Tamas Major, viool. Geen natuurhoorn, maar toch heel mooi. En herfstig.

vrijdag 4 oktober 2013

Waardoor komt hoogmoed vaak eerst aan de top voor hij voor de val komt?

Hoogmoed als persoonseigenschap is een combinatie van narcisme, antisociale persoonlijkheidsstoornis en excessief zelfvertrouwen en zelfoverschatting. Maar het is een eigenschap die niet in elke sociale omgeving kan gedijen.

Volgens Owen en Davidson (pdf) is het zelfs een eigenschap die zich kan ontwikkelen als de persoon in een machtspositie terechtkomt waarin hij/zij weinig tot geen weerwerk ondervindt en, mede daardoor, die positie gedurende lange tijd kan uitoefenen. Dat betekent dat hoogmoed het resultaat is van een sociaal proces, namelijk de ontwikkeling van een statushiërarchie. En dat betekent weer dat niet alleen de hoogmoedige verantwoordelijk is voor het bereiken van de top, maar dat die verantwoordelijkheid gedeeld wordt met alle anderen die die hiërarchie hebben laten ontstaan. Hoogmoed aan de top is de uitkomst van een sociaal proces.

Hoe kan het dat mensen dat sociale proces zich laten voltrekken? Dat heeft er mee te maken dat we niet meer een samenleving hebben zoals die van de Paleo Sociale Omgeving. In die omgeving van egalitaire, persoonlijke relaties was de aanwezigheid van weerwerk altijd gegarandeerd. Hoogmoedig gedrag en daarmee het opeisen van voorrechten en het profiteren van anderen werd collectief onder de duim gehouden. De onderlinge afhankelijkheid maakte dat noodzakelijk. En zo werd de opkomst van een statushiërarchie voorkomen.

Sinds de ontwikkeling van agrarische maatschappijen werkt dat sociale mechanisme niet meer. Zo konden koninkrijken en ongelijkheid, onderdrukking en slavernij ontstaan. Sinds de Industriële Revolutie en de daarmee toegenomen vraag naar menselijk kapitaal proberen we door algemeen kiesrecht, democratie en grondrechten een maatschappelijk stelsel te bouwen waarin dat weerwerk weer zoveel mogelijk institutioneel gewaarborgd is. Alleenheerschappij moet door de gegarandeerde aanwezigheid van countervailing powers (John Kenneth Galbraith) worden voorkomen. Niet alleen in de nationale staat, maar ook in organisaties en in de internationale wereldorde.

Maar dat lukt maar beperkt. Organisaties kunnen door hoogmoedig geworden leiders te gronde worden gericht. En democratieën kunnen hoogmoedige leiders voortbrengen die pas ten val komen als veel schade al is aangericht (Thatcher, Blair, Bush Jr.) of als ze de democratie hebben ingewisseld voor een persoonlijke dictatuur, een nationale statushiërarchie (denk aan het Hitler-bewind).

Wat mij betreft lijkt het er op dat het sociale proces waardoor hoogmoed aan de top komt, veel overeenkomst vertoont met de ontwikkeling van een sociale zeepbel. En sociale zeepbellen ontstaan in het publieke domein, waarover we altijd maar gebrekkig geïnformeerd zijn. We zijn als burgers maar heel beperkt in staat om ons een oordeel te vormen over wat het beste overheidsbeleid is. Er is een ontzagwekkend informatietekort en dat geldt zelfs voor politici. Toch moeten er besluiten worden genomen.

Dat zijn de voorwaarden waaronder gemakkelijk sociale zeepbellen ontstaan. Een bepaalde opvatting, bijvoorbeeld die dat bezuinigen in een recessie een goed idee is, lijkt op een bepaald moment net iets serieuzer dan andere. En krijgt wat meer aanhang, waardoor anderen worden beïnvloed om zich er ook achter te scharen. De sociale beïnvloeding doet de rest.

Maar hetzelfde proces kan zich afspelen als het er om gaat de beste leider te selecteren. We hebben geen idee, maar iemand die net iets serieuzer overkomt dan anderen, en vooral: die zeker van zichzelf is, krijgt al gauw wat aanhang. En die breidt zich door sociale beïnvloeding uit. In de trant van: als iemand zoveel aanhang heeft, dan moet daar toch wel iets in zitten? Zo kan een narcist aan de macht komen en een keer aan de top fataal hoogmoedig worden.

Als je de geschiedenis in ogenschouw neemt, dan ga je wel eens denken: het is maar zó gebeurd. Niet een opwekkende gedachte. Daarom: blijven opletten!

Update. Zie vandaag ook Chris Dillow's Mistaking Power For Virtue voor een verwant betoog.

donderdag 3 oktober 2013

Het taalgebruik van de hoogmoed - waar je op moet letten

In vervolg op het vorige bericht: waar moet je nu precies op letten om het taalgebruik van de hoogmoed (hubris) te onderkennen? Laten we kijken naar wat die twee studies die ik in dat bericht noemde, daar over te zeggen hebben.

De studie Linguistic biomarkers of Hubris syndrome  leidt uit die 14 symptomen van hoogmoed de kenmerken van het bijbehorende spraakgebruik af. Dat leidt tot de volgende lijst:
  1. Het vaak gebruiken van de derde persoon (hij/zij, zijn/haar), van het koninklijke wij en van de eigen naam  in gevallen waarin je gewoon het persoonlijk voornaamwoord (ik, mijn) zou verwachten. Denk aan Thatchers beroemd geworden speech met de uitspraak "The Lady is not for turning".
  2. Het vaak gebruiken van woorden als "zeker", "ongetwijfeld", "absoluut" en "onvermijdelijk". Denk ook aan "Er is geen alternatief", in het Engels afgekort als TINA, favoriet, ook weer, bij Margaret Thatcher. En favoriet bij de voorstanders van bezuinigen in een recessie, zoals David Cameron. En bij Mark Rutte, als ik het me goed herinner.
  3. Het vaak verwijzen naar de Geschiedenis (of God) die uiteindelijk zal oordelen. Een variant daarvan is "Over tien jaar zullen mensen terugkijken en inzien dat ...", waar Rutte graag gebruik van maakt.
  4. Slordig en warrig taalgebruik (door voorliefde voor grote vergezichten en afkeer van details). Denk aan de redevoeringen van Adolf Hitler (Sebastian Haffner daarover: "Hitlers toespraken verliepen langzaam, haperend, ze vertoonden amper een logische opbouw en soms zelfs geen duidelijke inhoud").
Die andere studie, Executive hubris: the case of a bank CEO, voegt daar nog aan toe:
  1. Het gebruik van hyperbolen, de stijlfiguur van de overdrijving. Misschien is "onze" Geert Wilders daar van het beste voorbeeld.
  2. De eigen groep (land, onderneming) presenteren als een archetype (geïdealiseerd oermodel). Denk aan trots zijn op Nederland (Rutte, Verdonk, Wilders).
  3. Spreken in termen van oorlog of sport. Ik denk meteen aan Balkenende's "We gaan voor goud".
  4. Het zichzelf op de borst kloppen. Ik denk aan presidentskandidaat Mitt Romney, die van zichzelf dacht dat alleen al zijn aantreden als president ruim voldoende zou zijn om "het vertrouwen" terug te brengen en de economie te laten bloeien.
  5. Veel aandacht voor goed nieuws en weinig voor slecht nieuws. Samen met het toeschrijven van al het goede nieuws aan de eigen, persoonlijke prestaties en het slechte nieuws aan het falen van anderen.
Houd deze lijstjes bij de hand. En beperk zo de schade en de ellende die hoogmoed teweeg kan brengen.

woensdag 2 oktober 2013

Het taalgebruik van de hoogmoed - in politiek en bedrijfsleven

Omdat we weinig tot geen persoonlijke omgang hebben met de "hooggeplaatsten", de machthebbers in politiek, openbaar bestuur en bedrijfsleven, moeten we om te bepalen wat voor vlees we in de kuip hebben, afgaan op hun publieke uitingen. Hun voorkomen, hun manier van doen en praten. Maar alles in situaties waarin we geen persoonlijk contact met ze hebben.

Nu vormen machthebbers niet zomaar een toevallige steekproef uit de bevolking. Er zijn aanwijzingen dat narcisme en psychopathie bij hen meer dan gemiddeld voorkomen. Zie hier en hier. En er zijn aanwijzingen dat hoogmoed (hubris), een eigenschap die sterk overlapt met narcisme, en het uitoefenen van een machtspositie gemakkelijk samengaan. Als deze kenmerken aanwezig zijn, dan kunnen machthebbers grote schade aanrichten. Het is dus zaak dat wij, het grote publiek, daarop attent zijn. Maar waar moeten we dan op af gaan?

Er zijn nu net twee studies verschenen die aannemelijk maken dat je hoogmoed kunt op maken uit kenmerken van het taalgebruik van machthebbers.Maar eerst: wat is eigenlijk hoogmoed? In de studie Linguistic biomarkers of Hubris syndrome (betaalpoort) geven de auteurs een lijst van 14 kenmerken, namelijk:
  1. Een narcistische geneigdheid om de wereld primair te zien als een arena om macht in uit te oefenen en om roem na te streven
  2. Een geneigdheid tot daden die een gunstig licht op de persoon werpen -  gericht op image building
  3. Een buitenproportionele aandacht voor image en presentatie
  4. Een messianistische manier van spreken over dagelijkse handelingen en een neiging tot geestvervoering (exaltatie)
  5. Identificatie met de natie of de organisatie zodanig dat de persoon eigen perspectief en belangen daaraan gelijkstelt
  6. Een neiging om over zichzelf in de derde persoon te spreken of het koninklijke "wij" te gebruiken
  7. Excessief vertrouwen in het eigen oordeel en minachting voor het advies of de kritiek van anderen
  8. Overdreven geloof in zichzelf, grenzend aan een gevoel van almacht, in wat persoonlijk kan worden bereikt
  9. Een geloof dat de persoon zich niet moet verantwoorden voor het wereldse hof van collega's of de publieke opinie, maar voor het hof van de Geschiedenis of van God
  10. Een onwrikbaar geloof dat de persoon voor dat hof in het gelijk zal worden gesteld
  11. Verlies van contact met de realiteit; vaak samenhangend met een voortschrijdend sociaal isolement
  12. Rusteloosheid, roekeloosheid en impulsiviteit
  13. Een neiging om te denken dat de eigen "brede visie" op de morele integriteit van een voorgestelde gedragslijn de noodzaak van praktische, kosten-en-baten overwegingen opheft
  14. Uit overmoed voortkomende incompetentie als zaken verkeerd gaan, doordat teveel zelfvertrouwen de leider er toe heeft gebracht om zich niet met details bezig te houden
Er is overlapping met de narcistische (1, 2, 3, 4, 7, 8 en 9) en met de antisociale persoonlijkheidsstoornis (11).

Oké. De onderzoekers, waartoe ook David Owen behoort, eind jaren 80 minister van buitenlandse zaken van Groot-Brittannië en de auteur van o.a. The Hubris Syndrome: Bush, Blair and the Intoxication of Power, analyseerden het taalgebruik van drie Britse premiers in vergaderingen van het Lagerhuis. Het ging om Margaret Thatcher en Tony Blair, waarvan gezegd werd dat ze gedurende hun ambtsperiode steeds meer aan hoogmoed gingen lijden, en om John Mayor. Ze vinden dan inderdaad enige aanwijzingen die daar mee overeenkomen.

Zoals een toename van complexiteit van het taalgebruik, wat overeenkomt met toenemende roekeloosheid en impulsieve besluitvorming. En Blair was in toenemende mate van allerlei zaken "zeker", gebruikte vaker "ik" en "mij" en vond zijn eigen uitspraken steeds vaker "belangrijk". Beide hadden het ook steeds minder over hun "plichten". Maar verwijzingen naar de Geschiedenis of God namen niet toe en het gebruik van het koninklijke "wij" nam zelfs af. En als je Thatchers en Blairs taalgebruik vergelijkt met niet alleen dat van John Mayor, maar ook met dat van de leden van het Lagerhuis, dan blijkt dat ze beide vaker "ik" in de mond namen.

De tweede studie, Executive hubris: the case of a bank CEO (betaalpoort), analyseerde het taalgebruik van een bestuurder (CEO) van een bank in jaarlijkse berichten aan aandeelhouders. Ze deden dat voor een periode van 8 jaar van extreem succes van de bank, gevolgd door extreem falen. Er komen aanwijzingen uit naar voren voor door de jaren heen toenemend narcisme en hoogmoed.

Het lijkt er op dat het loont om goed te letten op hoe onze leiders het woord voeren.