zondag 30 maart 2014

Zondagochtendmuziek - Tito Schipa sings 4 Neapolitan songs: O' Marinariello, Come facette mamm...

Uit een ver verleden: de lyrische tenor Tito Schipa (1888-1965) zingt Napolitaanse liederen. Waarom Tito Schipa? Misschien omdat we ons over een paar weken in Napels bevinden.

Maar Tito Schipa stond al langer op mijn lijstje voor de zondagochtendmuziek. Wat is het geval? Hoe dat precies zat, weet ik niet en kan ik niet meer achterhalen, maar mijn vader kon het zich als jongeman begin jaren 30 van de vorige eeuw veroorloven een grammofoon aan te schaffen. Met een paar platen. Hij werkte destijds als slagersgezel in een slachterij die toen kennelijk even goed kon betalen.

Die grammofoon en die platen heb ik, geboren in 1943, nooit gezien. Maar wat mijn vader daar in mijn jeugd over vertelde, was wel mijn eerste kennismaking met klassieke muziek. Want het ging dan over de Onvoltooide van Schubert. En over tenoren, zoals Richard Tauber, Beniamino Gigli en Josef Schmidt. Later werd hij natuurlijk een groot bewonderaar van Pavarotti.

Maar ook hoorde ik toen voor het eerst de naam Tito Schipa. Die vierde in de eerste helft van de vorige eeuw triomfen in de operazalen. Misschien heb ik hem in de jaren 50 wel eens voor de radio horen zingen, maar herinneringen daaraan heb ik niet.

Tot ik rond 1990 de CD Tito Scipa (EMI) met opera aria's uit de bakken viste. En als je hem een keer gehoord hebt, herken je hem altijd weer. Licht en lyrisch. Met niemand vergelijkbaar.

Het maakt wel larmoyant om daar nu, in 2014, nog naar te luisteren. Als je daar tegen kunt, bekijk dan ook eens het filmpje waarop hij Una furtiva lagrima uit L'elisir d'Amore zingt. En hier verklaart Pavarotti zijn bewondering voor Tito Schipa.

Maar hier dus die Napolitaanse liederen.

vrijdag 28 maart 2014

Neem de 53 procent die bezuiniging op overheidsuitgaven wil niet te serieus

Het Sociaal en Cultureel Planbureau meldt vandaag in Burgerperspectieven 2014/1 dat 53 procent van de bevolking het eens is met de stelling dat er bezuinigd moet worden op de overheidsuitgaven. Een nipte meerderheid, maar een meerderheid.

De enquêtegegevens zijn tussen 6 januari en 2 februari 2014 verzameld. Je zou dat als een ondersteuning van het huidige regeringsbeleid kunnen zien. Het kabinet Rutte-Samsom (ja, ik weet dat het eigenlijk Rutte-Asscher moet zijn) voert een beleid dat geheel gedomineerd wordt door de (onjuiste) gedachte dat bezuinigen de enige weg is uit de crisis. "Er is geen alternatief."

Maar als het inderdaad een ondersteuning zou zijn, dan had je toch een veel betere uitslag verwacht voor de regeringspartijen VVD en PvdA bij de gemeenteraadsverkiezingen op 19 maart. De regeringspartijen behaalden samen maar ruim 22 procent van de stemmen. Voor beide een dramatisch verlies vergeleken met de verkiezingen voor de Tweede Kamer, toen ze samen net een meerderheid haalden van 52,6 procent.

Wat is hier aan de hand? Het kan zijn dat je die nipte meerderheid die het er mee eens is dat er bezuinigd moet worden, niet al te serieus moet nemen. Want het SCP meldt (p. 19) dat zij
vooral aan twee soorten uitgaven (...) denken: uitgaven aan de overheid zelf en uitgaven aan het buitenland. Men denkt bijvoorbeeld aan ambtenaren met hoge salarissen en dure secundaire arbeidsvoorwaarden, aan ministers die een auto met chauffeur hebben en aan ‘graaiers’ in de publieke sector. Daarnaast denken mensen aan posten zoals eu-bijdragen en ontwikkelingssamenwerking. Mensen die het zeer eens zijn bezuinigingen op overheidsuitgaven, willen nadrukkelijk uitzonderingen voor gezondheidszorg, onderwijs en sociale uitkeringen van mensen die het moeilijk hebben.
De achterliggende gedachte is dus kennelijk dat er altijd wel wat op het ambtenarenapparaat kan worden bezuinigd. Het zou ook inderdaad dwaas zijn om te denken dat er nergens iets wordt verspild. Dan kan dus een instemming met bezuinigen heel goed samengaan met de opvatting dat belangrijke overheidsuitgaven, zoals voor zorg, onderwijs en sociale zekerheid moeten worden ontzien. En zo bezien valt het nog mee dat het percentage slechts 53 procent is.

Bovendien moet je dat percentage niet al te serieus noemen omdat de grote bulk van de overheidsuitgaven juist bestaat uit uitgaven voor zorg, onderwijs en sociale zekerheid. Kijk maar naar het plaatje van de verdeling van de overheidsuitgaven in 2014.

 

Samen vormen die drie posten 70 procent van het totaal aan uitgaven. Als je grote bezuinigingen zou willen, dan zou je je ze dus vooral daar vandaan moeten halen.

Maar dat willen burgers niet, zelfs niet diegenen die het er wel mee eens zijn dat er bezuinigd moet worden. Dat komt geheel overeen met de grote steun die er leeft voor de verzorgingsstaat. Zie nog eens Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen.

Politici kunnen dus maar beter niet de illusie hebben dat ze met verkiezingsretoriek over een kleinere overheid en bezuinigingen duurzaam succes hebben.

woensdag 26 maart 2014

Is geloof in God nodig voor moreel gedrag?

Is het voor moreel gedrag nodig om in God te geloven? Veel mensen denken van wel. Het Pew Research Center deed onderzoek in 40 landen. Ze vroegen mensen of ze het wel of niet noodzakelijk vonden om in God te geloven om morele en goede waarden te hebben. In 22 van de 40 landen vond een duidelijke meerderheid dat geloof in God noodzakelijk is. Daarzonder zouden dus morele waarden, en moreel gedrag, niet mogelijk zijn.

Die 22 landen liggen overwegend in Afrika, het Midden-Oosten (m.u.v. Israël), Azië en Latijns-Amerika. China is een opvallende uitzondering: slechts 14 procent vindt dat geloof in God noodzakelijk is. Maar dat kan er aan hebben gelegen dat de Chinese term voor God die in de vraag gebruikt werd, voor Chinezen sterk geassocieerd is met het Protestantse christendom. De religieuze ervaring van de meeste Chinezen wordt daarmee niet gevangen. Zie de interessante beschouwing daarover van Ian Johnson.

In Europa en Noord-Amerika liggen de zaken anders. In de meeste landen is er een meerderheid die denkt dat geloof in God niet noodzakelijk is. Dat loopt op tot ongeveer 80 procent in Frankrijk, Spanje, Tsjechië en Groot-Brittannië. (Nederland zat niet in het onderzoek.) Hier is de Verenigde Staten de uitzondering: 53 procent is van mening dat geloof in God noodzakelijk is.

Wealth and Attitudes Toward MoralityDe algemene indruk die je krijgt is dat er een verband is met de rijkdom van landen. Inwoners van rijkere landen lijken minder overtuigd van het verband tussen geloof in God en morele waarden dan inwoners van armere landen. En dat blijkt ook het geval te zijn, maar wel met de V.S. als opvallende outlier (zie de figuur). Naast China, maar zie hierboven.

Een verklaring zou kunnen zijn dat inwoners van armere en slechter functionerende landen meer gelovig zijn en dat gelovigen meer overtuigd zijn van de noodzaak van geloof in God voor moraliteit.

En ik vond inderdaad dat religie meer bloeit in armere en slechter functionerende landen, d.w.z. landen met problemen als ongelijkheid, corruptie, criminaliteit en een lage levensverwachting. Zie The Chronic Dependence of Popular Religiosity upon Dysfunctional Psychosociological Conditions (pdf), met als samenvatting van de resultaten:
popular religion is usually a superficial and flexible psychological mechanism for coping with the high levels of stress and anxiety produced by sufficiently dysfunctional social and especially economic environments. Popular nontheism is a similarly casual response to superior conditions. 
Dat zou ook de positie van de V.S. verklaren: weliswaar rijk, maar zeer ongelijk en een relatief lage levensverwachting.

Hoewel er geen aanwijzingen zijn dat ongelovigen minder moreel gedrag vertonen dan gelovigen, is het wel zo dat religie de kans op het plegen van een delict iets lijkt te verkleinen.

Dat veel mensen geneigd zijn om te denken dat moreel gedrag niet goed mogelijk is zonder geloof in God, zegt natuurlijk niet dat God zelf, of geloof in God, de bron is van onze morele intuïties. Die morele intuïties leren we als kinderen vanzelf aan als we maar opgroeien in een morele gemeenschap.

Op het gemakkelijk leren daarvan zijn we bij de geboorte voorbereid. Maar het proces van dat leren voltrekt zich grotendeels onbewust, vergelijkbaar met het leren van onze moedertaal. We kunnen het later niet meer navertellen. Maar omdat we wel graag een aanwijsbare oorzaak zouden willen kennen van onze morele overtuigingen, zijn we geneigd zo'n oorzaak te gaan zoeken. En dan denken we bijvoorbeeld aan God. Of aan opvoeding. Zie Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God.

dinsdag 25 maart 2014

Over hoe kortzichtig het is om naar begrotingsevenwicht te streven - Waarom Duitsland geen voorbeeld is

De Duitse regering is er trots op: na bijna een halve eeuw van schulden maken, zal er naar verwachting volgend jaar niets hoeven te worden geleend. De begroting zal in evenwicht zijn. Er zal net zoveel uitgaan als er binnenkomt. Er kan zelfs aan belastingverlaging gedacht worden. Een geweldige prestatie. En een voorbeeld voor Rutte en Samsom.

Maar wacht. De overheidsbegroting is toch geen huishoudboekje? Nee, natuurlijk niet. Zie voor de argumenten: Keynesiaans stimuleringsbeleid: economische argumenten zijn dwingend, maar politieke missie is vereist, Zullen politici (en kiezers) ooit het verschil begrijpen tussen de overheidsbegroting en het huishoudboekje? en Over de broekriem en het huishoudboekje - Nog eens over de gevaren van beeldspraak in het publieke domein.

Mark Schieritz maakt zich daarom vandaag in Zeitonline zorgen over die trots van de Duitse regering. En verbaast zich er over dat de sociaaldemocraten daarin gewillig meedoen. Want wat is er aan de hand?

Dat evenwicht komt vooral tot stand doordat een groot deel van de collectieve lasten uit de begroting is verwijderd. Het gaat om de kosten van de sociale verzekeringen, zoals die tegen ziektekosten, en van de zorg. Grote bedragen, die dus niet meer uit de belastingopbrengsten, maar uit te stijgen premies betaald gaan worden. En dat betekent een verschuiving van de lasten van arm naar rijk, omdat progressief geheven belastinginkomsten worden ingeruild voor premieheffingen die vooral door lagere inkomens worden opgebracht. Ter illustratie: Duitse huishoudens met een inkomen van boven de 200.000 Euro betalen rond de 14 procent aan inkomstenbelasting en slechts ongeveer één procent aan premies voor de sociale verzekeringen.

Blijkbaar moeten de rijken worden ontzien en moeten de armen betalen. Die toenemende ongelijkheid maakt de maatschappij niet stabieler. De regering-Merkel (mét de sociaaldemocraten!) mag er dan trots op zijn dat ze de komende generaties niet meer met een schuld opzadelen, maar ze geven tegelijkertijd wel een instabielere samenleving door.

Maar afgezien daarvan zet Schieritz ook vraagtekens bij de financiële stabiliteit. Want blijven op deze manier de sociale voorzieningen betaalbaar? De ambtenaren op het ministerie van financiën zijn kennelijk druk aan het rekenen. Het zou helpen als de lonen meer zouden stijgen. Maar de regering houdt niet van hogere lonen vanwege de export.

Bij dat alles komt nog dat de Duitse regering uiterst sober is wat de uitkeringen aan de gemeentes en de uitgaven voor wegen, spoorwegen, onderwijs en kinderopvang betreft. En dat zijn precies de zaken die een land werkelijk vooruit helpen, verzucht Schieritz. De uitgaven voor infrastructuur voldoen misschien net voor het hoognodige onderhoud. (Denk aan de sjofele toestand van de Duitse snelwegen.) Maar, zo eindigt Schieritz zijn betoog:
Die Zukunft des Standorts – und damit auch den Wohlstand kommender Generationen – sichert es nicht.
Das ist das Problem mit der schwarzen Null: Ein ausgeglichener Haushalt sagt für sich genommen wenig darüber aus, wie nachhaltig ein Land wirtschaftet. Dabei gibt es Alternativen. Die Regierung hätte die zusätzliche Ausgaben finanzieren können, indem sie im Haushalt an anderer Stelle einspart, die Steuern erhöht oder sich beim Abbau der Neuverschuldung etwas mehr Zeit lässt. Die Schuldenregeln hätten das sogar erlaubt.
Aber ganz offenbar war die schwarze Null wichtiger.
Kortom, het komt nogal kortzichtig over om zo obsessief te streven naar begrotingsevenwicht. Het is verwonderlijk dat voorstanders van dat beleid er nog steeds in slagen om een image van degelijkheid en verantwoordelijkheid te cultiveren. Terwijl ze, in de woorden van (VVD-lid!) Johan Witteveen, lijken te lijden aan een collectieve psychose.

Dat was Duitsland. Update. Zie nu ook De onzin van het Duitse huishoudboekjesdenken.
Over Nederland hebben we het maar even niet.

Maar vandaag is er ook nog dit pleidooi uit Engeland om je niet zo blind te staren op het overheidstekort, maar om ook te kijken naar wat de overheid nog meer nalaat aan toekomstige generaties: Six fiscal reforms for the UK’s ‘lost generation. Ik neem er kortheidshalve dit gedeelte uit over, maar het hele artikel (van John Muellbauer van de Universiteit van Oxford) is een absolute aanrader (mijn alinea indeling):
The ratio of government debt to national income matters: interest has to be paid on the debt, and current national income is a rough proxy for the future national income that will generate the tax revenue to service the debt.
But the current exclusive concern with this debt is a big mistake. The government’s asset position is just as important because assets help to generate future income to service the debt, or alternatively can be sold to pay down debt. What is needed is a more comprehensive definition both of liabilities (including the discounted cost of payments under Public Finance Initiative (PFI) contracts – see Parker 2012), and of assets, including potentially income-generating physical assets.
For example, roads generate revenue directly, even without road pricing or toll roads, from the taxes on petrol and licences, and indirectly from the economic activity they lubricate. The real rate of return in the UK on such infrastructure investment – for example, upgrading the A1 road in the northeast – greatly exceeds the current cost of funding such investment. Furthermore, much of government-owned land is obviously saleable and not hard to value. It makes no sense to include only financial assets in government net debt and to exclude potentially saleable land.

maandag 24 maart 2014

Kapitalisme en ongelijkheid in de 21ste eeuw. Geen economisch, maar een sociaalwetenschappelijk probleem

De dagen zouden twee keer zo lang moeten zijn. Want er is veel te weinig tijd om alles te kunnen lezen wat nodig is om de wereld te begrijpen.

Nu is er Capital in the Twenty-First Century van Thomas Piketty. Vandaag besteden Rutger Bregman, John Cassidy en Paul Krugman (in alfabetische volgorde) er aandacht aan.

Afgaand op deze en eerdere commentaren en op eerder werk van Piketty zelf, dringt één belangrijk inzicht zich op. Namelijk dat de mate van economische ongelijkheid niet de resultante is van het soort maatschappelijke ontwikkelingen waar alleen economen iets over kunnen zeggen. Het zijn geen economische wetmatigheden, als die al bestaan, die er aan ten grondslag liggen.

Nee, de onderliggende processen zijn sociaal en politiek van aard. We hebben hier te maken met een sociaalwetenschappelijk probleem. Neem, aan de hand van John Cassidy, de geopperde economische verklaring dat de toegenomen ongelijkheid er uit zou voortkomen dat sommigen, de superstars, nu eenmaal grote en schaarse talenten hebben en daardoor geweldig rijk kunnen worden. Het zou dan een kwestie van schaarste zijn.

Maar dat klopt niet. Piketty laat zien dat het vooral de supermanagers van de grote ondernemingen zijn die zich in de top 0,1 procent bevinden. En dat zijn geen schaarse talenten, nee, dat zijn de zelfverrijkers. Doordat die ondernemingen zo groot zijn, gaat er zoveel geld om dat de verleiding om daar steeds meer van te willen hebben, niet kan worden weerstaan. En de top van die ondernemingen bestaat uit mensen die elkaar het geld toeschuiven. Mijn vertaling van een citaat dat Cassidy aanhaalt:
Het is alleen maar redelijk om te veronderstellen dat mensen die in een positie verkeren die het hen mogelijk maakt om hun eigen salaris vast te stellen een natuurlijke prikkel hebben om zichzelf ruimhartig te bedelen, of op zijn minst om hun marginale productiviteit aan de hoge kant in te schatten.
Dat is precies het gedrag van degenen die hoog in de statushiërarchie terecht zijn gekomen en die gaan menen recht te hebben op de privileges die daar bij "horen". En die neer gaan kijken op de sloebers en de losers en de luiaards die het niet gemaakt hebben.

Daardoor ga je je afvragen of een eenmaal ingezette toename van ongelijkheid ooit nog terug is te draaien. Alle sociale processen die dan in gang gezet worden, lijken er op te wijzen dat die ongelijkheid zichzelf alleen maar versterkt. Zie Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

Politieke maatregelen zouden noodzakelijk zijn, zoals de door Piketty bepleitte bepleite (met dank aan een oplettende lezer) drastische verhoging van de belasting op hoge inkomens en kapitaal. Dat zou overigens niet meer zijn dan een terugkeer naar de toestand van zo'n halve eeuw geleden. Toen we nog economische groei kenden! Maar de vraag is of dat wel politiek haalbaar is. Waarom? Omdat de democratisch gekozen politieke leiders hun oren laten hangen naar de zichzelf verrijkende elite. Die een flink deel van zijn middelen gebruikt voor politieke invloed. Rechtstreeks, door lobbying, en via controle over de media.

Wat blijft er over? De geschiedenis van de vorige eeuw leert dat er een zware economische crisis en een wereldoorlog voor nodig was om het tij te keren. Somber word je daar van.

zondag 23 maart 2014

Het beperkte electorale succes van de obsessie van Geert Wilders

In het bericht Foute leiders vergeleken. Over narcisten aan en op weg naar de macht. En over Geert Wilders schreef ik dat Geert Wilders' gedrag ten aanzien van een bevolkingsgroep een uiting van een narcistische obsessie lijkt te zijn. En dus niet een rationele strategie, die bedoeld zou zijn om stemmen te trekken en zo ooit aan de macht te komen.

Dat die obsessie inderdaad maar beperkt electoraal succes heeft, kun je opmaken uit het opinie-onderzoek van EenVandaag. De harde kern van zijn kiezers blijft intact, wat Geert ook zegt. Maar onder potentiële kiezers lijdt hij schade. Update. Zie nu ook PVV verliest vijf zetels in peiling.

Het is een merkwaardig schouwspel: een narcist die zo graag aan de macht wil, maar zichzelf door zijn irrationele obsessie in de weg zit.

Dat zo iemand desondanks toch aan de macht kan komen, kan er dan nog alleen aan liggen dat zijn tegenstanders zwak zijn en een rampzalig economisch beleid voeren. Zoals we zagen gebeuren in de jaren 30 in Duitsland.

Muziek voor de zondagochtend - Bill Evans Trio on Jazz 625 FULL

Dat kon "toen" nog: ruim een uur lang het Bill Evans trio op een gewone televisiezender. Wanneer en waar zal dit precies geweest zijn, vroeg ik me af. Na wat zoeken: in 1965 of daaromtrent.

Bill Evans speelde mee op het beroemd geworden album Kind of Blue met Miles Davis. Lang had hij zijn eigen trio. Eerst met Scott LaFaro op de bas en Paul Motian op de drums. Hier met Chuck Israels (bas) en Larry Bunker (drums). Scott LaFaro kwam in 1961 op 25-jarige leeftijd om bij een auto-ongeluk.

Grappig om te ontdekken dat de stiefvader van die Chuck Israels, de zanger Mordecai Baumann, samen met Hans Eissler opgetreden heeft. En dat Paul Robeson en Pete Seeger daar kind aan huis waren. En ook dat Chuck zelf samen met het Kronos Quartet in 1984 een cd heeft opgenomen en een jaar later met Rosemary Clooney. Niet dat je er iets aan hebt, maar het zijn interessante weetjes.

Net zo als dit: een oplettende kijker heeft opgemerkt dat op 1:04:20 John Le Mesurier (Sergeant Wilson in Dad's Army) in het publiek op de voorste rij blijkt te zitten.

vrijdag 21 maart 2014

Tevredenheid met het leven daalt tot je 40ste en neemt daarna weer toe

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er de studie Longitudinal Evidence for a Midlife Nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets, waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd. Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Britannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het er aan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van wordt? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is (Geluk en ouder worden). Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan (Succesvol ouder worden en omgaan met emoties). En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn (Maakt ouder worden minder empathisch? Of maakt het selectiever?) En zo laten we de stress van de statuscompetitie achter ons.

Ik denk dus dat het aan de grote mate van statuscompetitie ligt die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang oetans (Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being).