woensdag 16 december 2015

We hebben in Europa nog steeds de eurocrisis en geen vluchtelingencrisis - Heiner Flassbeck: Europa in der Krise – Warum die Rettung nicht gelingen...

Het einde van 2015 nadert. En de crisis in Europa duurt voort, zonder uitzicht op verbetering, laat staan een oplossing. Ik bedoel natuurlijk de eurocrisis. Want als die was opgelost, dan had de vluchtelingeninstroom tot veel minder ophef geleid. We hebben in Europa een eurocrisis, niet een vluchtelingencrisis.

Neem vandaag of de komende dagen eens de tijd om je te laten bijpraten over de eurocrisis door Heiner Flassbeck. Als je hem nog niet kent, lees dan hier zijn biografie. En volg hem op flassbeck-economics.

De komende weken is er op dit blog wat minder activiteit.

zondag 13 december 2015

Zondagochtendmuziek - Mozart: Sinfonia concertante - Vilde Frang (viool), Nils Mönkemeyer (alt...

Door het concert van het Kwintet Eckardstein & Ferschtman in de Hertz-zaal van TivoliVredenburg vrijdagavond raakte ik eens te meer in de ban van de altviool. Die werd bespeeld door Nils Mönkemeyer, eerst in het pianotrio opus 114 van Brahms en na de pauze in het pianokwintet opus 14 van César Franck.

Nils Mönkemeyer is wel een fenomeen op de altviool. Hier soleert hij samen met violiste Vilde Frang in de Sinfonia Concertante van Mozart. Met het Kammerorchester Basel. De website van dat concert meldde daarover:
Mozart experimenteerde al een tijdje met muzikale vormen toen hij in 1779 het beste van twee werelden wist te combineren. Zijn Sinfonia concertante is één muzikaal verhaal, zoals een symfonie. Maar met hoofdrollen voor viool en altviool, vandaag respectievelijk Vilde Frang en Nils Mönkemeyer. De twee nemen om en om en soms tegelijkertijd het woord. Mozart zelf speelde altviool. De wat melancholieke klank van het instrument trok hem zeer in de periode na de dood van zijn moeder.

vrijdag 11 december 2015

Sociaal verantwoordelijkheidsgevoel van adolescenten neemt af bij het opgroeien

Als je niet een ieder-voor-zich maatschappij wilt, dan lijkt het nodig dat opgroeiende kinderen een sociaal/maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkelen. Maar volgens dit Amerikaanse onderzoek Developmental Change in Social Responsibility During Adolescence: An Ecological Perspective (betaalpoort) lijkt het met die ontwikkeling nogal tegen te vallen.

In het onderzoek werden ruim 4000 adolescenten van tussen 9 en 18 jaar oud verspreid over acht schooldistricten in twee staten ondervraagd. Daarvan konden er 838 gedurende drie jaar gevolgd worden, met in elk jaar een interview. Hun sociaal/maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoel werd vastgesteld met behulp van zes uitspraken waarvan de pubers moesten aangeven hoe eens of oneens ze er het er mee waren. Elke uitspraak begon met "Het is voor mij erg belangrijk ...", waarna volgde (in mijn vertaling):
om anderen te helpen die het minder goed hebben
om mensen in mijn buurt (community) te helpen
 om mijn land te dienen
om een bijdrage te leveren aan de maatschappij 
 om andere leerlingen op school te helpen
om er aan bij te dragen dat nieuwe leerlingen zich welkom voelen
Je ziet dat sociaal/maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel en pro-sociaal gedrag naar inhoud sterk overlappen. Op een schaal van 1 tot 5 was de gemiddelde score in de eerste ondervraging 3,88. Niet zo slecht, denk je dan. Maar als je kijkt naar hoe die score zich met het opgroeien ontwikkelt, dan blijkt dat die tot het zestiende levensjaar afneemt en daarna stabiel blijft.

Wat kan daarvan de oorzaak zijn? De onderzoekers gingen na of de aard van de sociale omgeving(en) waarin die adolescenten verkeren, van invloed is. Met het idee dat wat je in je eigen omgeving(en) meemaakt, je meer of minder aanzet tot het nemen van verantwoordelijkheid voor anderen. Als je anderen die verantwoordelijkheid ziet nemen, dan zul je dat zelf ook doen. En andersom.

Daarom werden de adolescenten ook ondervraagd over zaken als het sociale klimaat in het gezin, in hun buurt en op hun school en over of ze goede vrienden hadden die ze konden vertrouwen. Toen bleek inderdaad dat het sociaal/maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel groter was bij een beter sociaal klimaat van gezin, school en buurt en bij het hebben van goede vrienden.

Maar bovendien bleek dat tegelijk met die afname van het sociaal/maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel met het ouder worden ook dat sociale klimaat van gezin, school en buurt afnam, evenals het hebben van goede vrienden. (Dat sociale klimaat van de school werd onderscheiden in solidariteit tussen leerlingen en democratisch klimaat. Die solidariteit nam af en dat democratische klimaat bleef stabiel.)

Wat het precies is, wie zal het zeggen, maar er gebeuren dus dingen in die periode tussen 9 en 16 jaar die de sociale omgeving(en) van adolescenten negatief beïnvloeden. En die dus negatief uitwerken op hun sociaal/maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoel. De onderzoekers zeggen er dit over:
our study suggests that during middle adolescence, there may be a void in the supportive environments adolescents need to thrive. Other studies have found similar evidence of declines in family and school climate during middle adolescence (e.g., Eccles et al., 1993; Shanahan et al., 2007; Wang & Dishion, 2012; Wray-Lake, Maggs, et al., 2012). Moreover, transitioning to high school may negatively affect functioning, as adolescents are likely to perceive less teacher support and more hostile and competitive school climates (Barber & Olsen, 2004; Newman et al., 2007; Otis, Grouzet, & Pelletier, 2005). 
Ze wijzen dus op die kunstmatige (leeftijdshomogene!) en competitieve sociale omgeving van de school. En daarmee dus ook op de sociale instabiliteit als gevolg van verandering van school. Wat de kans vergroot op het verliezen van vriendschappen.

Maar denk er ook aan dat het sociale leven in deze levensfase begint te fragmenteren. Door de overgang naar de middelbare school, die meestal verder weg ligt, raken kinderen hun bindingen in en met de buurt kwijt. En ze gaan een andere sociale wereld in die vaak maar weinig verbindingen heeft met het eigen gezin. Omdat we al onze kinderen blootstellen aan deze uitdagingen, zijn we geneigd om de problemen te ontkennen. Of om ons er bij neer te leggen omdat "het nu eenmaal zo is".

We zouden ons er meer rekenschap van moeten geven dat wij met wat wij als institutionele vormgeving van het onderwijs bedacht hebben, de sociale behoeften van onze kinderen en adolescenten weinig serieus nemen. Denk bijvoorbeeld ook even aan Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait en De eenzaamheid van de adolescent - Nee, van de scholier!

Maar dit onderzoek wijst ons er dus ook op dat dit alles negatief uitwerkt op de ontwikkeling van sociaal/maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoelens. Waarmee we in feite de ieder-voor-zich samenleving bevorderen.

woensdag 9 december 2015

Mensen gedijen in samenwerkingsverbanden, maar die zijn er te weinig - over de onvermijdelijkheid van de maakbare samenleving

Steeds meer onderzoek bevestigt wat we eigenlijk al wisten (en wat Darwin al wist): mensen zijn emotioneel en cognitief zo toegerust dat ze gemakkelijk met anderen samenwerken en in zulke verbanden goed gedijen. Eric Michael Johnson staat stil bij het vele onderzoek van Michael Tomassello en medewerkers naar de geneigdheid en het vermogen tot samenwerking bij jonge kinderen. Zo jong, dat je moet aannemen dat ze tot samenwerking en eerlijk delen zijn gepredisponeerd. Zie Survival of the Fairest. Why Corporate Culture Is out of Tune with Human Nature.

Tomassello maakt aannemelijk dat mensenkinderen, in tegenstelling tot chimpansees, al heel jong in staat zijn tot gedeelde intentionaliteit, het besef dat jij en de ander beide een bedoeling hebben, samen met het besef dat je dat van elkaar weet. Ook lijkt het dat kinderen interacties met gedeelde intentionaliteit uitlokken en opzoeken, kennelijk omdat ze het leuk vinden. Daarmee lijkt het de grondslag te vormen voor unieke menselijke trekken als instructie, taal en cultuur. Zie Shared intentionality van Tomassello en Carpenter. Ik stond eerder stil bij het werk van Tomassello in het bericht Michael Tomassello, kinderen, chimpansees en klauwaapjes. (In januari verschijnt van Tomassello een nieuw boek met de veelzeggende titel A natural history of human morality.)

Alles goed en wel, de vraag dringt zich natuurlijk op of wij in onze samenleving voor mensen wel genoeg de mogelijkheid creëren om ons vermogen tot en onze hang naar samenwerking uit te leven. Dat is een dringende vraag, omdat wij complex in elkaar zitten. We zijn er niet alleen op toegerust om samen te werken, nee, het vermogen tot statuscompetitie behoort daarnaast ook tot wat we overgeërfd hebben gekregen. We werken graag samen, maar als de mogelijkheden daartoe te weinig aanwezig zijn, dan gaat dat niet lukken.

Daardoor staan we onvermijdelijk voor de uitdaging om onze maatschappij, onze manier van samenleven, zelf en met elkaar vorm te geven. Die maakbare maatschappij is niet een linkse illusie, maar een onvermijdelijkheid. Als we die uitdaging niet aannemen en niet de samenwerkingsverbanden creëren waarin mensen gedijen, dan maken we daarmee in feite een maatschappij waarin statuscompetitie, wantrouwen en vijandigheid de boventoon voeren. De maatschappij maken, dat doen we so wie so.

Eric Michael Johnson, met wie ik dit bericht begon, spitst die uitdaging toe op hoe wij onze ondernemingen hebben georganiseerd. Want in de corporate culture is hiërarchie vanzelfsprekend. Als je werknemer wordt, ga je een positie in een hiërarchie innemen. Je hebt een functieomschrijving, moet richtlijnen opvolgen die van boven komen en moet opdrachten geven aan onder jou gestelden. Uiteraard is in veel organisaties ook samenwerking nodig, maar veel van de managementliteratuur gaat niet voor niets over het probleem hoe je samenwerking tot stand brengt ondanks dat je organisatie een hiërarchie is.

En de overheersende indruk is dat in de meeste bedrijven die noodzakelijke samenwerking onvoldoende tot stand komt. Het zou wel eens kunnen dat bedrijven die als coöperatie zijn georganiseerd een hogere arbeidsproductiviteit kennen. Is daar eigenlijk onderzoek naar gedaan, vroeg ik me af. En ja, dat is zo. Zie bijvoorbeeld hier, hier, hier en hier. (Gevonden door "worker cooperatives productivity") te googelen.) Daaruit kun je opmaken dat het weliswaar lastig is om te onderzoeken, maar dat er nogal wat voor te zeggen valt dat coöperaties een hogere productiviteit kennen.

Naast natuurlijk andere voordelen van coöperaties. Zie Lessen uit de Mondragón coöperaties (Tegenlicht), Is een coöperatieve economie een alternatief voor het kapitalisme? Nogmaals de Mondragon coöperaties en Mondragon Coöperatie zorgt niet alleen voor werkzekerheid, maar ook voor zekerheid dat er geld is.

maandag 7 december 2015

Sociale agressie op televisie maakt adolescenten sociaal agressiever

Er is al veel bekend over de negatieve effecten van veel televisiekijken op gezondheid en gedrag. Zie hier mijn laatste bericht daarover: Televisiekijken is (ook) ongezond vanwege dat waar we naar kijken.

De nieuwe studie Effects of Viewing Relational Aggression on Television on Aggressive Behavior in Adolescents: A Three-Year Longitudinal Study (betaalpoort) voegt daaraan toe dat het veel naar programma's kijken met een hoge dichtheid van sociale agressie adolescenten in het werkelijke leven sociaal agressiever maakt. De onderzoekers volgden ruim 450 adolescenten drie jaar lang en konden laten zien dat de mate van blootstelling aan sociale agressie op televisie samenhangt met een verhoogde mate van sociale agressie in het werkelijke leven een jaar later. Het omgekeerde verband blijkt er niet te zijn: degenen die in het werkelijke leven sociaal agressiever zijn, gaan er niet toe over om meer sociaal agressieve televisieprogramma's te kijken.

Sociale agressie werd in het onderzoek omschreven als een vals en vaak verborgen soort agressie die de relaties of vriendschappen van anderen schaadt. Met als voorbeelden: roddelen, geruchten verspreiden, achterklap, relaties verstoren, anderen uitsluiten, vuile blikken, valse berichten sturen en iemands vrienden "stelen". Uiteraard valt pesten ook onder sociale agressie.

De onderzoekers ondervroegen adolescenten drie maal naar hun favoriete televisieprogramma's, steeds met een tussenpoos van een jaar. Beoordelaars deelden de programma's in naar hoeveel sociale agressie er in voor komt. Bovendien gaven de adolescenten aan hoe vaak ze zelf sociaal agressief waren. Het blijkt toen dat degenen die in een jaar veel keken naar programma's met veel sociale agressie in het volgende jaar zelf ook sociaal agressiever waren, ook als je rekening houdt met hun sociale agressie een jaar terug. Dat wijst op een oorzakelijke invloed van blootstelling aan sociale agressie op televisie.

De onderzoekers wijzen er op dat dit een ondersteuning is van het General Aggression Model, dat inhoudt dat het zien van agressie het gebruik er van aanvaardbaarder maakt. Dat komt weer overeen met de gedachte van de Dual-Mode theorie dat mensen kunnen "kiezen" uit statuscompetitiegedrag en gemeenschapsgedrag en dat ze zich daarbij laten leiden door hoeveel ze van deze gedragingen in hun omgeving waarnemen. En dat sociale agressie typisch statuscompetitiegedrag is, dat is wel duidelijk.

Die Dual-Mode theorie komt in verschillende berichten op dit blog ter sprake, maar wordt in dit bericht uitgelegd.

Ik bedacht me dat er vaak niet bij stilgestaan wordt dat er kennelijk in televisieprogramma's meer agressie (sociaal of fysiek) voorkomt dan mensen in hun eigen leven meemaken. Dat zou er aan kunnen liggen dat we alleen naar televisie kijken, of vooral blijven kijken, zo lang we door de inhoud ervan bezig gehouden worden. Als kijken ons niet genoeg fascineert, gaan we iets anders doen. Of schakelen we over naar een andere zender.

En het is nu eenmaal zo dat het zien van agressie veel mensen fascineert. Misschien alleen al omdat het opvallend is en de aandacht trekt. Dus helpt om de verveling en de alledaagsheid te doorbreken, die natuurlijk al gauw toeslaan zodra we op de bank gaan zitten.

En omdat alles om de kijkcijfers draait ("massa is kassa"), is er de programmamakers dus veel aan gelegen om genoeg agressie op het beeldscherm te brengen.

Hoe dit perverse mechanisme te doorbreken? Meer regulering van televisieprogramma's? Televisiezenders minder afhankelijk maken van kijkcijfers en dus van reclame inkomsten? Er valt nogal wat voor te zeggen om het televisiekijken minder aantrekkelijk te maken. Alles wijst er op dat we er nog altijd meer tijd aan besteden dan goed voor ons is.

Maar dat zal nog wel heel wat voeten in de aarde hebben. Voorlopig zouden we onze adolescenten er toe moeten zien te krijgen om minder op de bank te gaan zitten.

Tenslotte: het zou goed kunnen dat adolescenten tegenwoordig meer gamen dan televisiekijken. Zie voor gamen en agressie de berichten Gewelddadige videogames spelen verhoogt agressiviteit (nieuw onderzoek) en Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief.

zondag 6 december 2015

Zondagochtendmuziek - Smetana 'Ma Vlast' - Jakub Hrusa, Seoul Philharmonic Orchestra

Olga de Kort was er bij. Bij het debuut van de Tsjechische dirigent Jakub Hrůša bij het Koninklijk Concertgebouworkest op 29 november. En ze is daar enthousiast over:
Debuts are not perhaps the most relaxing events with space for spontaneity and improvisation, but there are still happy exceptions when the audience actually has the feeling of being part of a spontaneous musical flow, born right there and then. The Czech conductor Jakub Hrůša, making his Royal Concertgebouw Orchestra debut, needed just a few bars from the opening of Smetana's Vltava to convince in his deep attachment to the music, whereby a demanding debut changed into a striking performance marked by freshness and fever.
Lees hier verder: Jakub Hrůša's striking debut with the Royal Concertgebouw Orchestra.

Dat maakt nieuwsgierig. En dan vind je zomaar deze uitvoering van Smetana's Ma Vlast met het Seoul Philharmonia Orchestra. Prachtig.

vrijdag 4 december 2015

Adolescenten leren pro-sociaal gedrag door het te doen

Je zou denken dat pro-sociaal gedrag (hulpvaardigheid) wordt uitgelokt door het meeleven met anderen. En dat is ook zo. Degenen die zich gemakkelijker inleven in anderen en met hen meeleven (sympathie of empathische bezorgdheid) zijn ook meer geneigd om anderen te hulp te schieten.

Maar wat je misschien niet zou denken, dat pro-sociaal gedrag de empathische bezorgdheid vergroot, blijkt ook het geval te zijn. Onderzoekers volgden een groep adolescenten vijf jaar lang en ondervroegen hen jaarlijks over hun geneigdheid tot hulpvaardigheid en over hun empathische bezorgdheid. Zie de studie Longitudinal bidirectional relations between adolescents’ sympathy and prosocial behavior (betaalpoort).

Hulpvaardigheid werd gemeten met negen uitspraken als "I help people I don’t know, even if it’s not easy for me” en “I really enjoy doing small favors for people I do not know”. En empathische bezorgdheid met zeven uitspraken als  “When I see someone being taken advantage of, I feel kind of protective towards them”.

Doordat die metingen vijf maal herhaald werden, met steeds ongeveer een jaar er tussen, konden de onderzoekers nagaan wat de invloed was van empathische bezorgdheid op het pro-sociale gedrag een jaar later. Maar ook konden ze checken of het misschien zo was dat pro-sociaal gedrag van invloed is op de mate van empathische bezorgdheid een jaar later. En dat laatste bleek het geval te zijn. Zie de figuur.

Je ziet de vijf meetmomenten afgebeeld, met daarbij de leeftijd van de adolescenten op dat moment. De kruislingse pijlen staan voor de (statistisch significante) verbanden tussen pro-sociaal gedrag (empathische bezorgdheid) in het ene jaar en empathische bezorgdheid (pro-sociaal gedrag) in het daaropvolgende jaar. Je ziet overigens wel dat het eerste verband (.09) zwakker is dan het tweede (.16).

Het is een interessant resultaat. Want het laat zien dat die empathische bezorgdheid niet een vaste persoonlijkheidseigenschap is. Als dat zo zou zijn, dan zou het dus nooit wat worden met dat pro-sociale gedrag van iemand die zich maar slecht in anderen kan inleven en met hen meeleven.

Nee, het blijkt dat pro-sociaal gedrag die empathische bezorgdheid doet toenemen. De onderzoekers interpreteren dat als een soort positieve feedback. De ervaring van anderen bijstaan en van het zien van de gevolgen er van vergroten je geneigdheid (en/of van je vermogen?) tot empathische bezorgdheid.

Pro-sociaal gedrag blijk je dus te kunnen leren door het te doen. Learning by doing.

Je vraagt je af of wij dat wel genoeg onder ogen zien. Als je kijkt naar hoe wij onze kinderen laten opgroeien. Geven we ze wel genoeg kansen om pro-sociaal gedrag te leren? Denk ook aan Meer agressie onder adolescenten door statuscompetitie tussen leeftijdsgenoten.

dinsdag 1 december 2015

maandag 30 november 2015

Gevoelens van wrok verhogen zorgen over immigratie

We wisten al dat gevoelens van bestaansonzekerheid er toe leiden dat mensen negatiever staan tegenover immigranten. Vrees voor maatschappelijke daling zou kunnen verklaren dat niet alleen de meer gedepriveerden, maar ook de meer bevoorrechten meer dan gemiddeld een anti-immigrantensentiment hebben. Zie Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid.

Nieuw onderzoek voegt daaraan toe dat ook gevoelens van wrok (bitterheid) een rol spelen. De studie Bitterness in Life and Attitudes Towards Immigration laat met Duitse representatieve paneldata zien dat mensen die vinden dat ze vergeleken met anderen in het leven niet hebben bereikt wat ze verdienen, zich meer zorgen maken over immigratie.

Het verband is sterk. Bovendien blijkt dat op een toename van wrok een toename van zorgen volgt. Een aanwijzing dus voor een oorzakelijk verband.

De onderzoekers denken dat mensen met wrokgevoelens teleurgesteld zijn in het leven en daardoor geneigd zijn om succes ook aan anderen, dus ook aan immigranten, te ontzeggen.

Een andere interpretatie zou zijn dat het succes van anderen hen extra confronteert met het eigen falen.

Hoe dan ook, willen we een ontspannen en gastvrije maatschappij tot stand brengen, dan weten we wat ons te doen staat. Voorkom dat mensen onnodig bestaansonzekerheid ervaren. En bestrijd de maatschappelijke ongelijkheid die veel mensen in wrok en bitterheid achterlaat.

zondag 29 november 2015

Zondagochtendmuziek - Marcus Miller - North Sea Jazz Festival 2015

Mutli-instrumentalist, maar vooral basgitarist, Marcus Miller heeft al een lange en indrukwekkende carrière achter de rug. Hij heeft nu jonge musici om zich heen verzameld en reist de wereld rond.

Deze week was hij in Ronda in TivoliVredenburgh in Utrecht. En ik was er bij, samen met vriend en muziekkenner Jan Scheffers. Een geweldige avond. Ook met nummers van de nieuwe CD Afrodeezia, geïnspireerd door Millers speurtocht naar zijn wortels in Westelijk Afrika.

Eerder dit jaar traden ze op tijdens het North Sea Jazz Festival.

donderdag 26 november 2015

Voorpaginanieuws: schade bezuinigingsbeleid 20-30 miljard euro per jaar, 200.000 tot 300.000 banen

Dat wordt voorpaginanieuws: Bas Jacobs rekent vandaag in Economisch-Statistische Berichten voor hoe groot de economische schade is van het onzinnige bezuinigingsbeleid dat sinds 2011 is gevoerd. Zie Overheid heeft met falend begrotingsbeleid een derde van de Grote Recessie veroorzaakt. Ik neem aan dat ik de laatste twee alinea's wel even mag citeren:
Op basis van de beste huidige inzichten kan daarom een pijnlijke conclusie worden getrokken: het Nederlandse begrotingsbeleid van 2011-2017 is extreem kostbaar geweest. Het gevoerde beleid kost bij huidige inzichten zo'n 20-30 miljard euro per jaar aan gemiste groei wanneer de schade van de grote recessie voor de helft tot driekwart permanent wordt. Zo'n inkomensverlies is het equivalent van zo'n 200.000 tot 300.000 banen. En dat op een rentebesparing van ongeveer 300 miljoen euro per jaar voor de hele economie.
Het Nederlandse begrotingsbeleid werd alle jaren geschraagd door een diep gewortelde consensus onder alle 'verantwoordelijke' politieke partijen: VVD, PVV, PvdA, CDA, D66, GroenLinks, CU en SGP. Deze partijen hebben mesjogge begrotingsbeleid gevoerd dat een derde van de Grote Recessie in Nederland heeft veroorzaakt. Het heeft er alle schijn van dat het overgrote deel van het inkomensverlies structureel is geworden (hysterese). En dat terwijl we een macro-economisch verwaarloosbaar voordeel hebben behaald van lagere rentelasten op de staatsschuld. Het is tragisch dat we de lessen van de geschiedenis niet hebben geleerd en sinds 2011 in volle glorie de fouten van de jaren 30 hebben herhaald.
Zie begin deze maand ook al: Hysterese: de schade van het bezuinigingsbeleid is niet alleen nog groter dan eerst gedacht, maar ook blijvend.

Dat wordt natuurlijk voorpaginanieuws. Het NOS-journaal zal er mee openen.

O wacht, nee, er volgt natuurlijk weer het grote zwijgen. De economieredacties hebben de afgelopen jaren zo dicht tegen het beleid aan geschurkt, dat ze nu maar liever niet onder ogen zien hoe slecht ze zich zelf hebben geïnformeerd. En hoe slecht ze hun lezers en kijkers hebben geïnformeerd.
Update. Zie nu ook Bas Jacobs: De vraag moet zo krachtig worden gestimuleerd dat overbesteding en inflatie ontstaat.

woensdag 25 november 2015

Bij het overlijden van Douglass C. North - over markt en overheid

Vandaag het bericht dat economisch historicus en Nobelprijswinnaar in 1993 Douglass C. North is overleden. Zie Douglass C. North, Nobel Laureate Economist, Dies at 95. Hij was een van de grondleggers van de new institutional economics, waartoe ook Elinor Ostrom wordt gerekend.

North was vooral op zoek naar de oorzaken van de snelle economische groei in de laatste paar eeuwen in de Westerse wereld. En hij liet overtuigend zien dat de rol van instituties daarin cruciaal was. Denk aan door overheidswetgeving in het leven geroepen overeenkomstenrecht, eigendomsrechten, patenten en octrooien.

Daarmee ging hij in tegen het neoklassieke economische denken, dat er van uitging dat een zoveel mogelijk vrij gelaten marktmechanisme (laissez faire) als vanzelf de economische groei zou aanjagen. Technologische ontwikkeling zou dan spontaan gegenereerd worden en markten zouden als vanzelf in omvang toenemen.

Ik sloeg even zijn fraaie boek Structure and Change in Economic History uit 1981 er op na. En kwam terecht op p. 166-7, waar hij economisch historici aanhaalt die vooral wijzen naar deregulering als oorzaak van de industriële revolutie. Zijn antwoord daarop is vervat in dit wat langere citaat:
What has been missing in the argument, however, is that while laissez faire is identified as the key to the development, the term "laissez faire" not only has misleading ideological overtones but at least in part misses the point. It is true that the decline in mercantilist restrictions including repeal or reform of the Statute of Artificers (denk aan de ambachtsgilden - HdV), poor laws, acts of settlements, usury laws, navigation acts, and so forth is part of the story. Particularly significant to the developing of more efficient markets, however, is the better specification and enforcement of property rights over goods and services; and in many cases much more was involved than simply removing restrictions on the mobility of capital and labor - important as those changes were. Private and parliamentary enclosures in agriculture, the Statute of Monopolies establishing a patent law, and the immense development of a body of common law to better specify and enforce contracts also are part of the story. Laissez faire implies an absence of restraints; efficient markets imply well-specified and enforced property rights, which means the creation of a set of restraints encouraging productivity growth. The removal of restrictions widening the gap between private and social returns frequently required positive action by government - a government which we have seen was, as a result of the English revoltion, oriented toward such development.
In een slogan samengevat: Niet meer markt, maar meer overheid en daardoor meer markt. Een mooie weerlegging van het naïeve marktdenken, uitgerekend in het jaar, 1981, dat Ronald Reagan in de Verenigde Staten tot president werd verkozen.

Maar nu, in 2015, in een tijd waarin we vrezen voor langdurige economische stagnatie als gevolg van (wederom!) een in de politiek wijd verbreide onderschatting van het belang van een positieve de rol van de overheid, kun je je afvragen of we niet nog twee stappen verder moeten gaan dan North deed in 1981.

Allereerst, we beseffen, of zouden behoren te beseffen, dat de economie naast een aanbodkant ook een vraagkant heeft. En dat dus economische groei niet alleen afhangt van overheidsbeleid voor de aanbodkant, waar North op wees, maar ook van macro-economisch beleid om in tijden van liquiditeitsval de vraag op peil te houden. Tragisch dat dit besef, zeker in Europa, maar zo beperkt tot de politiek doordringt. Denk aan alle berichten op dit blog over de bezuinigingszeepbel.

Maar daar komt nog een stap bij. Want je kunt bepaald niet verwachten dat de markt wel genoeg technologische innovatie verschaft als maar aan die institutionele voorwaarden van North is voldaan. Het blijkt immers dat veel technologische vernieuwingen pas tot stand komen als de overheid bereid is om investeringen te doen waarvoor private geldschieters terugdeinzen vanwege de hoge risico's. Zoals overtuigend naar voren gebracht door Mariana Mazzucato in dat prachtige boek The Entrepreneurial State. Zie ook het bericht Het misverstand dat in "de economie" alles draait om concurrentie.

dinsdag 24 november 2015

Hoe gezinnen pogen om sociale contacten in stand te houden - door niet te verhuizen

De aanwijzingen zijn sterk dat gezinnen historisch gezien in hoge mate sociaal geïsoleerd zijn. Bovendien lijkt dat isolement ook nu nog toe te nemen, er uit blijkend dat we steeds minder bij elkaar op bezoek gaan. Zie We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.

In overeenstemming daarmee zou zijn dat mensen graag meer sociale contacten zouden willen dan ze hebben. En uit de CBS-publicatie Frequentie en kwaliteit van sociale contacten blijkt dat dit ook inderdaad het geval is. Er is duidelijk een onvervulde behoefte aan (ontmoetingsplekken en) sociale contacten.

Natuurlijk zou daarmee ook in overeenstemming zijn dat we in onze maatschappij een eenzaamheidsprobleem kennen. En wie zou willen ontkennen dat dat probleem er is? Zie Bijna veertig procent van de volwassen Nederlanders voelt zich eenzaam - RIVM.

En er zou mee in overeenstemming zijn dat het in ons volwassen leven nog maar weinig gebeurt dat we nieuwe vrienden maken. De vrienden die we hebben wonen vaak ver weg en ontmoeten we uitsluitend nadat langdurig de agenda's zijn geraadpleegd. Zie Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

En tenslotte zou je ook kunnen denken dat ons verhuisgedrag er door wordt beïnvloed. Want stel dat je ergens woont waar je dan toch, tegen alle kansen in, vrienden hebt gemaakt. Jonge gezinnen willen nog al eens vrienden maken via hun kinderen. Je treft elkaar in of bij de school en leert elkaar kennen via logeerpartijtjes van de kinderen.

De vrienden die je daar mee maakt, zijn dan natuurlijk een kostbaar "bezit". Misschien zo kostbaar dat je zelfs kansen op de arbeidsmarkt laat liggen omdat je er voor terugdeinst om daar voor te gaan verhuizen.

Volgens het mooie artikel Growing Families That Stay Put in de New York Times van een maand geleden is dat een opkomende trend. Ook als gezinnen door uitbreiding eigenlijk te klein behuisd zijn, kiezen ze er toch vaak voor om te blijven waar ze zijn. Vanwege de sociale inbedding in een netwerkje van buren- en vriendschapsrelaties. Lees dat artikel en bekijk ook de mooie foto's.

Zou je deze trend, als het een trend is, ook kunnen terugzien in de verhuisstatistieken? Misschien een beetje, want er zijn natuurlijk veel factoren die het aantal verhuizingen beïnvloeden. Zo wordt er in een economische crisis, na sterk gestegen huizenprijzen, weinig verhuisd. Zie Verhuizingen, 2014 van het Compendium voor de Leefomgeving.

Maar daar lees je ook dat ruim een derde van de verhuizingen voor rekening komt van twintigers, omdat mensen op die leeftijd het ouderlijk huis verlaten. En daarna een partner en/of een baan vinden, wat ook weer "verhuisbewegingen" tot gevolg heeft.

Maar al snel daarna wordt er minder verhuisd. Vooral minder als er tieners in het huis zijn. Want die hebben dan vriendjes gemaakt. En ouders hebben contacten opgedaan.

Samengevat: "Naarmate mensen ouder worden, is de verhuismobiliteit steeds lager". Want mensen koesteren dat kostbare bezit van vrienden die ze ondanks alles toch gemaakt hebben.

zondag 22 november 2015

Zondagochtendmuziek - Mahler - Das Klagende Lied

Het Radio Filharmonisch Orkest viert het 70-jarig bestaan. En dat mag gevierd worden! Wat een geweldig orkest. Ze kunnen eigenlijk alles en alles op hoog niveau. Donderdag was ik met vele anderen toeschouwer bij de openbare repetitie in de grote zaal van Tivoli Vredenburg. De Negende van Mahler werd nog een keer doorgenomen als voorbereiding op de uitvoering die avond.

Het ging eigenlijk nog maar om een paar kleine dingen. Om het nog beter te doen dan we al kunnen. Dirigent Markus Stenz liet een heel zachte en subtiele strijkerspassage uit het derde deel een paar keer herhalen. "Try to connect even more", hoorde ik hem zeggen.

Hier is een prachtige uitvoering van Mahlers Das Klagende Lied, in de oorspronkelijke versie. Een van zijn vroegste werken, geschreven in zijn laatste jaar van het Weense conservatorium (1880). Het wordt voorafgegaan door een orkestbewerking van Schuberts Einsamkeit. Huiveringwekkend mooi.

vrijdag 20 november 2015

Over het succesvol aanmoedigen tot moreel gedrag

Als je bedenkt dat onze morele intuïties van samenwerking, hulpvaardigheid, eerlijk delen en rechtvaardigheid hun oorsprong hebben in het verre verleden waarin we in kleine groepen de problemen van onderlinge afhankelijkheid oplosten, dan verbaast het niet dat we tegenwoordig veel gedrag zien dat niet met die gemeenschapsintuïties in overeenstemming is.

Want er zijn ten minste twee opvallende verschillen tussen die vroegere sociale omgeving en die van tegenwoordig.

Het ene is dat we nu te maken kunnen hebben met contacten tussen verschillende groepen of leden van verschillende groepen. Die gemeenschapsmoraal is er niet goed op toegesneden om voor zulke intergroepscontacten een leidraad te bieden. Voorbeelden uit de actualiteit liggen voor het oprapen. Voor contacten tussen groepen en voor het oplossen van problemen tussen groepen hebben we daarom, volgens Joshua Greene, een metamoraal nodig.

Joshua Greene is de auteur van Moral tribes. Emotion, Reason, and the Gap Between Us and Them en hij was vorige week een van de twee interessantste sprekers op de conferentie Institutions for moral behavior in Utrecht, die ik bijwoonde. (De andere van de twee was Frans de Waal.) Die metamoraal zou utilitaristisch moeten zijn, in de zin dat de leidraad zou moeten zijn dat het geluk van iedereen even zwaar zou moeten wegen. Greene werkt dat idee in dat boek verder uit, maar dat heb ik nog pas sinds gisteren in huis.

Het andere opvallende verschil is dat we tegenwoordig veel met anderen contact hebben van wie niet duidelijk is tot welke groep ze behoren. Anders gezegd, de groepsgrenzen zijn vaak diffuus, zelfs ook in die zin dat we vaak zelf niet eens weten of we wel tot een groep behoren en tot welke. Nog anders gezegd, we hebben in ons dagelijks leven veel met anderen te maken die we niet of nauwelijks persoonlijk kennen. Maar wat we doen of laten, kan voor die anderen wel grote gevolgen hebben.

Denk aan de zogenaamde onpersoonlijke criminaliteit: fraude, belastingontduiking, corruptie, verduistering, winkeldiefstal. Misdragingen die objectief gezien immoreel zijn, maar omdat er tussen pleger en benadeelden geen persoonlijke relatie bestaat, zijn onze morele intuïties meestal weinig werkzaam. En dat is tragisch, want de maatschappelijke kosten van zulk gedrag zijn hoog.

Het punt is dat we om zulk gedrag tegen te gaan niet zozeer een nieuwe moraal nodig hebben, zoals die metamoraal van Greene. Onze gemeenschapsmoraal zou naar inhoud volstaan. Het probleem is dat we hem in zulke onpersoonlijke situaties gemakkelijk terzijde schuiven. De bijbehorende emoties komen niet spontaan voldoende naar boven. Waardoor we onszelf en anderen kunnen wijsmaken dat we ze zijn "vergeten".

Vandaar dat Dan Ariely en anderen pleitten voor interventies die moreel gedrag aanmoedigen. Zie  Three Principles to REVISE People’sUnethical Behavior (betaalpoort). Want uit onderzoek blijkt dat zulke aanmoedigingen wel degelijk effect kunnen hebben. Het blijkt te helpen als je belastingbetalers
er aan herinnert dat belastingopbrengsten aan iedereen ten goede komen. En de aanwezigheid van een eenvoudig bord met als tekst "Wees aardig voor elkaar" krijgt het voor elkaar dat een parkeerplek voor gehandicapten minder vaak door anderen gebruikt wordt.

Ook helpt het als je de situatie persoonlijker maakt. Het schijnt dat belastingformulieren met reeds ingevulde persoonlijke gegevens eerlijker worden ingevuld. En winkeldiefstal schijn je succesvol tegen te kunnen gaan door bij de kassa en de uitgang grote spiegels op te hangen.

En tenslotte schijnt het effect te hebben als je mensen er toe brengt om zichzelf als een moreel persoon te zien. Zo bevorder je het eerlijk invullen van een belastingaangifte of een verzekeringsclaim als je het formulier begint met het ondertekenen van een eerlijkheidsverklaring. In plaats van aan het eind ("ik heb dit formulier naar waarheid ingevuld").

Niemand wil alleen zijn - Interview op Finster op Fryslân

Onder de titel Niemand wil alleen zijn staat het interview dat Wendy Kennedy van Omrop Fryslân met mij had, nu op de website van Finster op Fryslân (Venster op Friesland).

Het interview is in het Fries, maar de begeleidende tekst van Wendy in het Nederlands. Ik neem aan dat mijn Fries ook voor niet-Friezen behoorlijk goed te volgen is.

Zie Finster op Fryslân - Niemand wil alleen zijn.

dinsdag 17 november 2015

Waardenoverdracht ouders-kinderen is vooral genetisch - meer over de mythe van de opvoedbaarheid


Stel je bent iemand die gemakkelijk anderen te hulp schiet. En iemand die een rechtvaardige wereld voorstaat en die vindt dat mensen gelijk behandeld horen te worden.

Of stel dat je iemand bent die vindt dat er in het leven gepresteerd moet worden, dat je ambitieus hoort te zijn en dat je naar macht moet streven.

En stel dat je constateert dat je opgroeiende kinderen wat deze waarden betreft behoorlijk op jou lijken. Je zou dan kunnen denken dat dat komt doordat jij hen zo hebt opgevoed.

In het eerste geval heb je hen bijgebracht dat je hulpvaardig moet zijn en eerlijk en dat iedereen gelijk is. Of je hebt hen bijgebracht dat het in het leven draait om succes, ambitie en macht.

Dan is er een grote kans dat je onderschat hoeveel van die gelijkenis tussen jou en je kinderen genetisch bepaald is. En dat je je eigen bijdrage als opvoeder overschat.

Dat je dat doet, is te begrijpen, want het overschatten van het belang van opvoeden voor het opgroeien van kinderen is een veel voorkomende fout. Denk aan Het misverstand opvoeding van Judith Rich Harris en aan wat ik eerder de mythe van de opvoedbaarheid noemde.

Nieuwe aanwijzingen voor het grote belang van de genetische overdracht van waarden in vergelijking met de overdracht door opvoeding komen uit de nieuwe studie Genetic and Environmental Parent–Child Transmission of Value Orientations: An Extended Twin Family Study (betaalpoort).

De onderzoekers ondervroegen een-eiige en twee-eiige tweelingen van tussen de 7 en 11 jaar oud en hun ouders over hun houding tegenover de 10 fundamentele waarden van Shalom Schwartz. Die waarden zie je hieronder in een cirkel afgebeeld, waarbij die waarden die dichterbij elkaar liggen in de werkelijkheid ook meer samen voorkomen. (Bron afbeelding. Anders gezegd, tegenover elkaar liggende driehoeken zijn elkaars tegengestelden. Als jij bijvoorbeeld veel waarde hecht aan succes en presteren (statuscompetitie), dan is de kans klein dat je het belangrijk vindt om hulpvaardig te zijn (gemeenschapsgedrag).


Om de vragenlijst voor de kinderen niet te lang te maken, werden vragen over twee waarden (traditie en universalisme) weggelaten.

Na statistische analyse van de overeenkomsten en verschillen tussen de ouders onderling, tussen de ouders en hun kinderen en tussen de een-eiige en de twee-eiige tweelingen komen de onderzoekers tot de conclusie dat de overeenkomst tussen ouders en hun kinderen bovenal moet worden toegeschreven aan de genetische overdracht. In de woorden van de onderzoekers:
The results of our study cast doubt on the conventional wisdom that similarity between family members regarding value priorities results from environmental sources. Although we found significant environmentally mediated parental effects for some value priorities (e.g., benevolence, security, power, and self-direction), the effects were rather small, providing less evidence for value socialization within families contributing to parent–child and siblings’ similarity in value priorities beyond genetic contributions. The twin family analyses yielded significant contributions of twins’ shared environments beyond parental influences that act to increase twins’ similarity. Those effects may reflect intragenerational shared social contexts, such as peer influences, which may be more important as a source of siblings’ similarity in value priorities. This may not be surprising because the primary school age marks the beginning of a trend toward independence from parents and an increasing identification with peers ...
Judith Rich Harris werd wel verweten dat haar boodschap dat opvoeding weinig effect heeft, ouders er toe zou brengen om hun kinderen te verwaarlozen. Want ja, het maakt immers toch niet uit?

Maar Harris heeft daar tegen in gebracht dat ouders gelukkig bijna allemaal van hun kinderen houden en dat het die liefde voor hun kinderen is die maakt dat ze goed voor hen zorgen. Daar gaat het om, niet om de motivatie om hen "goed op te voeden". Ik vond hier dit mooie citaat:
Is my idea dangerous? I've never condoned child abuse or neglect; I've never believed that parents don't matter. The relationship between a parent and a child is an important one, but it's important in the same way as the relationship between married partners. A good relationship is one in which each party cares about the other and derives happiness from making the other happy. A good relationship is not one in which one party's central goal is to modify the other's personality.
I think what's really dangerous — perhaps a better word is tragic — is the establishment's idea of the all-powerful, and hence all-blamable, parent.
Tot zover deze keer over de mythe van de opvoedbaarheid.

maandag 16 november 2015

Doe eens echt iets aan werkstress. Meer autonomie, minder hiërarchie, lagere werkdruk

Het is de Week van de Werkstress. En raad eens, wat staat daarin centraal? Dat er meer over werkstress gepraat moet worden! Werknemers moeten het eerder, bij zichzelf, signaleren en dan niet schromen om het bespreekbaar te maken.

Je verzint het niet. Terwijl onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat werkstress is tegen te gaan door verbetering van de werkomstandigheden. Ja zeker, door de autonomie op de werkvloer te vergroten, door de organisatie minder hiërarchisch te maken, door het sociale klimaat op het werk te verbeteren en door de werkdruk te verminderen.

Maar nee, in plaats daarvan: signaleren en bespreekbaar maken. We schijnen in het tijdperk te leven waarin van elk collectief probleem een individueel probleem wordt gemaakt. Werkloosheid? Kun je als overheid niets aan doen. Macro-economisch beleid? Nooit van gehoord. Nee, lagere en kortere uitkeringen voor werklozen. Tegenprestaties. Sancties. Dat zal ze leren.

Zie over werkstress de berichten:
Mensen met burnout kunnen minder goed met negatieve emoties omgaan - Wat zegt dat over werkomstandigheden?

Een baan met meer autonomie geeft minder kans op burn-out - Dat pleit voor minder hiërarchie op het werk

De economische kosten van burn-out lijken aanzienlijk. En de autonomie in het werk neemt juist alleen maar af

En zie nog eens mijn bericht over de Week van de Werkstress van vorig jaar: Zoveel symptoombestrijding! Naar aanleiding van Rutger Bregman over de Week van de Werkstress.

Er lijkt nog niets veranderd.

zondag 15 november 2015

Zondagochtendmuziek - ARC Ensemble - Piano Quintet, op. 18 (1944) Mieczyslaw Weinberg

Dinsdagavond speelden het Quator Danel en Alexander Melnikov het Pianokwintet op. 18 van Mieczyslaw Weinberg (1919-1996), gecomponeerd in 1944, in de Hertz zaal van Tivoli Vredenburg.

Op de website Mieczyslaw Weinberg (Moishei Vainberg). The Composer and His Music lees je onder meer:
One feature that is prominent above others in many of Weinberg's works is a certain religious yearning, a soulfulness that makes some works (especially those for solo stringed instruments) resemble the intonation of a prayer, yet one which is approachable to everyone, regardless of background or personal beliefs. Themes and ideas dwelling on subjects such as suffering, love and faith are not uncommon, but there is also a characteristic, affirmative joy in life. Ideas centered on suffering feature prominently in so many works, no doubt due to the circumstances of the composer's difficult life and the hardships he had to endure during the wars of the 20th century. In this sense, there is an tremendous edifying quality to the music, combined with a trust and hope in something perennial and eminently human, capable of rising above all unfavourable conditions. It is in this way that Weinberg's music carries something resonantly Divine – a light going beyond all restrictions and challenges, and able to change the world for the better.
En dat geldt ook allemaal voor dit indrukwekkende en indringende Pianokwintet. Hier uitgevoerd door het ARC Ensemble.

vrijdag 13 november 2015

Etnische diversiteit niet slecht voor vertrouwen - Waar het wel om gaat? Om vertrouwdheid!

De Volkskrant maakt er vanochtend melding van dat een her-analyse van data van Robert Putnam uitwijst dar het niet klopt dat mensen in meer etnisch gemengde wijken elkaar minder vertrouwen.

Als je de analyse overdoet en beter rekening houdt met andere, bekende oorzaken van vertrouwen, dan blijkt dat het niet om die diversiteit op zich gaat, maar om onderliggende factoren, zoals armoede en residentiële stabiliteit. Het artikel, Putting Diversity in its Place. The Continuing Significance of Race for Self-Reported Trust, verschijnt in de november aflevering van de American Journal of Sociology, maar nu is alleen nog de Abstract beschikbaar. Putnam moet er niet goed rekening mee hebben gehouden dat etnisch gemengde wijken vaak ook armer zijn en een groter verloop kennen.

Goed dat die her-analyse is uitgevoerd. Het resultaat lijkt te bevestigen dat het bij de vraag of mensen elkaar vertrouwen vooral gaat om hoe vertrouwd ze met elkaar zijn. Dus om hoe lang ze elkaar al kennen en hoe lang ze al contact hebben. Denk aan het bericht Draait alles om vertrouwdheid? en aan dit bericht over de bekende contacthypothese.

Want als een buurt meer een duiventil is, dan hebben de bewoners niet de tijd om elkaar te leren kennen. En dat is slecht voor het sociale leven in de buurt. Evenzo weten we dat als je individuen vergelijkt, het vaak verhuisd zijn negatieve gevolgen heeft.

Maar hoe zit het dan met armoede? Past dat ook in deze redenering? Ja, dat zou best eens kunnen. Want armoede gaat sterk gepaard met een laag opleidingsniveau en het blijkt steeds dat mensen met een lagere opleiding minder sociaal vertrouwen hebben. Zie Sociaal en institutioneel vertrouwen in Nederland (pdf).

Dat laatste ligt misschien aan persoonseigenschappen die bevorderlijk zijn voor het bereiken van een hoge opleiding én voor het gemakkelijk vertrouwen van andere mensen. (Update. Denk aan openness to experience, een van de vijf persoonlijkheidseigenschappen.) Maar het kan ook zijn dat je door een langere onderwijsloopbaan meer ervaring hebt opgedaan in het omgaan met onbekenden en in het contact maken met anderen. Waardoor je gemakkelijker anderen vertrouwt. Update. Ter verduidelijking: verschillen in opleiding zouden dan dus samenhangen met verschillen in de mate waarin je vertrouwdheid met anderen tot stand kunt brengen.

Maar de boodschap lijkt me vandaag dus vooral dat alles draait om vertrouwdheid.

dinsdag 10 november 2015

Helmut Schmidt overleden

Helmut Schmidt is overleden. Hij was bondskanselier van 1974 tot 1982. In de eerste berichten gaat het er nog vooral over dat hem als enige en laatste nog toegestaan werd om in televisie talkshows te roken. Er zullen hopelijk nog serieuzere In memoriams verschijnen.

Ik moet vooral terugdenken aan die indrukwekkende toespraak die hij eind 2011 hield op de SPD-partijdag. Waarin hij er bij de Europese politiek leiders op aandrong om zich er beter rekenschap van te geven dat Europa het kleinste werelddeel is, maar wel met de meeste nationaliteiten. En dat dat vraagt om een verstandiger en voorzichtiger politiek dan er nu gevoerd wordt.

Er zijn nog veel te weinig aanwijzingen dat ze naar hem hebben geluisterd.

Gebruik sociaalwetenschappelijke inzichten om overheidsbeleid te verbeteren

President Obama heeft de diensten van de federale overheid opgedragen om in hun programma's standaard na te gaan of en hoe de uitvoering door toepassing van sociaalwetenschappelijke inzichten kan worden verbeterd. Hij deed dat naar aanleiding van het eerste jaarverslag van het Social and Behavioral Sciences Team dat hij vorig jaar aan het werk had gezet. Zie hier David Nussbaum daarover: How the science of human behavior is beginning to reshape the US government.

Het is een belangrijke ontwikkeling. We plukken er nu de wrange vruchten van dat het overheidsbeleid in het verleden veel te sterk uitsluitend door het vak economie is beïnvloed. Wat niet onaanzienlijk heeft bijgedragen aan het ontstaan van de economische crisis van 2008. (Iets anders is dat politici zich in hun reactie op die crisis wel wat meer hadden kunnen aantrekken van de bekende macro-economische inzichten.)

Een zelfde ontwikkeling als in de Verenigde Staten is waar te nemen in Engeland. waar de regering-Cameron het Behavioral Insights Team heeft ingesteld.

In Nederland kennen we natuurlijk de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Maar daarin lijkt de inbreng van de toegepaste sociale wetenschappen slechts beperkt. Van de acht leden van de Raad is er slechts een, Godfried Engbersen, die daaruit afkomstig is.

Het zou goed zijn als Nederland het voorbeeld van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zou volgen. Zie het bericht Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen voor een voorbeeld van toepassing van sociaalwetenschappelijke inzichten op een beleidsprobleem. Update. En niet te vergeten, zie natuurlijk ook Boete voor no-show in ziekenhuizen? en Over waarom je goede burgers niet kunt vervangen door goede prikkels.

maandag 9 november 2015

De dimensies van statuscompetitiegedrag - en de samenhang met depressie, angststoornis en manische symptomen

Het menselijke sociale gedrag kent twee patronen, dat van de statuscompetitie en dat van het gemeenschapsgedrag. In het verre verleden, in de Paleo Sociale Omgeving, waren mensen doordat ze in kleine groepen leefden in staat om het statuscompetitiegedrag sociaal te onderdrukken. Het was nodig om samen te werken en om voedsel te delen en dan kon je egoïsme, profiteursgedrag en meer willen dan een ander niet gebruiken.

Maar in onze huidige maatschappij is statuscompetitie veel moeilijker te onderdrukken en komt het dus ook veel meer voor. Ieder van ons moet leren daar mee om te gaan of heeft dat min of meer geleerd. Over wat dat bijvoorbeeld voor adolescenten betekent, zie de berichten De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait.

Allerlei nadelige effecten van statuscompetitiegedrag zijn bekend. Een cultuur van statuscompetitie leidt tot meer geweld, depressie en suïcide. Statuscompetitiegedrag verhoogt het stressniveau (allostatische overbelasting), maakt minder pro-sociaal, verhoogt de kans op pesten, evenals de kans op fraude en bedrog en de kans op futloosheid, vermoeidheid en hoofdpijn.

Er is nu nieuw onderzoek, The dominance behavioural system: A multidimensional transdiagnostic approach (betaalpoort)dat statuscompetitiegedrag weet te onderscheiden in verschillende dimensies en laat zien hoe die samenhangen met psychopathologie, in het bijzonder met depressie, angststoornis en manische symptomen. De resultaten van het onderzoek, onder studenten van een Amerikaanse universiteit, vatten de onderzoekers samen in onderstaande figuur.



Die zes dimensies van statuscompetitiegedrag vind je in de linkerkolom. Ik geef van elk een korte aanduiding.

Studenten die hoog scoorden op authentic pride wilden (o.a.) presteren, streefden succes na en hadden een hoge zelfwaardering.

Zij die hoog scoorden op hubris (hoogmoed) waren egoïstisch, arrogant, zelfgenoegzaam en ijdel.

Een hoge mate van discomfort in leadership betekende dat je geen leiderschapspositie nastreeft en vermijdt om macht uit te oefenen. Een hoge score op deze dimensie betekent een lage geneigdheid tot statuscompetitiegedrag.

Hoog scoren op cooperation houdt in dat je bereid bent naar anderen te luisteren, dat je bereid bent tot compromissen en dat je graag samenwerkt. Ook hier betekent een hoge score een lage geneigdheid tot statuscompetitie.

Hoog scoren op influence betekent dat je je in staat acht om anderen ergens van te overtuigen, dat je je zin kunt doorzetten en dat er naar jou wordt geluisterd.

En tenslotte betekent ruthless ambition dat je alles doet om hogerop te komen en dat hogerop komen voor jou belangrijker is dan loyaal zijn aan anderen.

In de figuur zie door middel van de getekende pijlen welke dimensies samenhangen met manische symptomen, depressie en angststoornis.

Wat meteen opvalt is dat hoogmoed sterk samenhangt met elk van de drie psychische problemen. Als statuscompetitie aanzet tot hoogmoedigheid, wat zo is, dan is dat een weg waarlangs de statuscompetitie in onze maatschappij bijdraagt tot psychopathie.

Daartegenover staat dat een authentiek gevoel van trots, willen presteren en geloof in jezelf hebben, juist de kans op zowel manische symptomen, depressie en angst verminderen.

Ook voor overtuigingskracht (influence) geldt dat het de kans op depressie en angststoornis vermindert. Bedenk daarbij dat een geringe overtuigingskracht staat voor het hebben van een lage status en voor de neiging tot onderwerping en onderdanigheid. En die laatste neiging ('ik heb toch niets in te brengen", "naar mij wordt toch niet geluisterd") blijkt dus de kans op depressie en angststoornis te verhogen.

Tenslotte zie je het verband van de meedogenloze ambitie met de kans op manische symptomen.

Het ontbreken van pijlen bij het wel of niet nastreven van leiderschap en het wel of niet bereid zijn tot samenwerken wijst er op dat hier geen samenhang met psychopathie werd gevonden.

Samengevat zijn het dus vooral de hoogmoed, de meedogenloze ambitie en de onderworpenheid/onderdanigheid die maken dat statuscompetitiegedrag een bijdrage levert aan psychopathie. De andere drie dimensies zijn wat dit aangaat onschuldiger.

Er zijn wel wat beperkingen aan dit onderzoek. Zo ontbreken andere vormen van psychopathie, zoals narcisme en de anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. En er is natuurlijk het bezwaar van de specifieke onderzoeksgroep: studenten. Je zou je bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat een geringe bereidheid tot samenwerking je nog niet opbreekt zolang je als student door het leven gaat. Maar dat dat anders wordt als je later in een arbeidssituatie terecht komt.

zondag 8 november 2015

Zondagochtendmuziek - Sherry Dyanne - What Difference a Day Makes (Live in Van Holland)

Sherry Dyanne was me toch wat ontgaan. Maar vrijdagavond trad ze op in Cloud9 in Tivoli Vredenburg. Met Michiel Borstlap aan de piano.

Geheel gewijd aan Billy Holiday. Die hier begeleid wordt door haar muzikale vriend Lester Young en andere grootheden uit de geschiedenis van de jazz.

Maar Sherry Dyanne, wat een ontdekking!

vrijdag 6 november 2015

Hysterese: de schade van het bezuinigingsbeleid is niet alleen nog groter dan eerst gedacht, maar ook blijvend

In vervolg op mijn bericht van gisteren (Over het naderende einde van de eurozone), is vandaag de column van Paul Krugman (Austerity's Grim Legacy) een goede aanleiding om verder stil te staan bij de grote schade die door het bezuinigingsbeleid is aangericht. Wereldwijd, maar vooral ook in de eurozone en in Nederland.

Krugman wijst er op dat de economische schade van het bezuinigingsbeleid nu nog groter blijkt te zijn dan hij en andere critici hadden verwacht. Maar bovendien stapelen de aanwijzingen zich op dat die schade nog wel eens lang zou kunnen voortduren. Dat de economie in een toestand van hysterese, van stabiele lagere groei, terecht kan komen, was al eerder bekend. Maar op dit moment, ik citeer Krugman,
the evidence practically screams hysteresis. Even countries that seem to have largely recovered from the crisis, like the United States, are far poorer than precrisis projections suggested they would be at this point. And a new paper by Mr. Summers and Antonio Fatás, in addition to supporting other economists’ conclusion that the crisis seems to have done enormous long-run damage, shows that the downgrading of nations’ long-run prospects is strongly correlated with the amount of austerity they imposed.
What this suggests is that the turn to austerity had truly catastrophic effects, going far beyond the jobs and income lost in the first few years. In fact, the long-run damage suggested by the Fatás-Summers estimates is easily big enough to make austerity a self-defeating policy even in purely fiscal terms: Governments that slashed spending in the face of depression hurt their economies, and hence their future tax receipts, so much that even their debt will end up higher than it would have been without the cuts.
Zie speciaal voor Nederland ook mijn eerdere bericht Waar het over zou behoren te gaan: de economische schade van het bezuinigingsbeleid, waarin ik Bas Jacobs aanhaalde:
We zijn door de Grote Recessie meer dan 10 procent van het inkomen kwijtgeraakt, structureel. Vele bedrijven zijn failliet gegaan. En de langdurige werkloosheid is sterk opgelopen. Dit grote verlies is mede veroorzaakt door falend macro-economisch beleid. Teveel korte-termijntekortreductie en te weinig herstel van balansen in de private sector. Na vele jaren saneren komt Rutte II in 2016 eindelijk met een lastenverlichting. Het is nog steeds nodig, maar het is zwabberbeleid en het komt 6 jaar te laat.
Diezelfde Bas Jacobs heeft nu ook samen met twee CPB-medewerkers het CPB Achtergronddocument Macro-economie bij balansproblemen en in de liquiditeitsval uitgebracht. Daarin wordt uitvoerig en zorgvuldig uit de doeken gedaan waarom het zo'n slecht idee was van de opeenvolgende regeringen-Rutte om in de recessie te gaan bezuinigen. Hier is een samenvatting van de resultaten van de analyse:
wanneer balansproblemen ernstig zijn of de economie in de liquiditeitsval is beland, zal de economie zich niet uit zichzelf herstellen. De reden is dat de centrale bank niet meer met normaal monetair beleid de neerwaartse druk op de inflatie kan wegnemen. Zolang de nulondergrens op de nominale rente bindend is, stijgen de reële rentes, waardoor de consumptieve bestedingen en de investeringen afnemen. Door dalende inflatie worden ook balansproblemen groter, waardoor consumptieve bestedingen nog verder achterblijven. De output gap wordt bijgevolg groter en de neerwaartse druk op de prijzen wordt sterker. De economie kan dan op een pad van eindeloze stagnatie terecht komen zonder groei, deflatie en schuld-deflatiedynamiek. Monetair en budgettair beleid kunnen dit proces keren, maar alleen als deze voldoende krachtig worden ingezet en de outputgap geheel wordt gesloten zodat de deflatietendenzen worden omgebogen en inflatie ontstaat. Onvoldoende krachtige beleidsimpulsen, die de outputgap niet sluiten, zorgen voor een tijdelijke conjuncturele opleving waarna de economie weer wegglijdt in een stagnatiescenario. Structurele hervormingen en grotere loon- en prijsflexibiliteit hebben niet noodzakelijk gunstige kortetermijneffecten. Ze versterken namelijke de neerwaartse druk op de prijzen en verhogen op korte-termijn reële rentes en schuld-deflatiedynamiek, waardoor de neerwaartse (schuld-) deflatiespiraal aanhoudt.
Is het dan zo dat het bezuinigingsbeleid ook in Nederland self defeating is geweest? In de zin dat de overheidsschuld er door is gestegen in plaats van afgenomen? Ja, dat klopt. De overheidsschuld is sinds 2010, toen de bezuinigingen begonnen, als percentage van het BBP van jaar tot jaar toegenomen, van 59 procent in 2010 tot 68,8 procent in 2014. Zie Rijksjaarverslag 2014 in beeld.

Je kunt wel minder gaan uitgeven als je een tekort hebt, maar als je een overheid bent, dan heeft dat negatieve gevolgen op je economie. Waardoor er vervolgens minder geld binnenkomt. En je schuld toeneemt.

donderdag 5 november 2015

Over het naderende einde van de eurozone - en over de fantasiewereld waarin de euro werd uitgedacht (met 3 grafieken)

Begin van dit jaar, in het bericht Welke aanwijzingen zijn er om in Europa te mogen hopen op een terugkeer van het economisch verstand?, hoopte ik er nog op dat de Europese economische beleidsmakers van hun fouten zouden leren en andere wegen zouden inslaan. Ik noemde een aantal ontwikkelingen die dat optimisme leken te rechtvaardigen. Waar hoopte ik op?

Ik hoopte op het Europese parlement, dat uiterst kritisch was op de door de Trojka aan eurozonelanden opgelegde bezuinigingsbeleid. Maar ondertussen is gebleken dat het Europese parlement niets in te brengen heeft. De Eurogroep, bestaande uit de ministers van financiën van de eurozonelanden, kon gewoon doorgaan met het onderwerpen van Griekenland aan de trojka-dictaten, zonder dat daar enige kritische reactie van het parlement op is gevolgd.

Ik hoopte op de opstand van Frankrijk en Italië. En inderdaad, er zijn wat schermutselingen en beide landen lijken stilletjes, vooral stilletjes, de ruimte te krijgen om de eisen van het begrotingspact minder serieus te nemen. Maar dat is natuurlijk nog lang niet wat ze zouden moeten doen: een eigen, op hun economie toegesneden macro-economisch beleid voeren. (Zolang dat er niet is op het niveau van de eurozone.) Zie vandaag een sceptische Bill Mitchell daarover: Italian government is walking into the trap it set itself.

Ik hoopte op het initiatief van de Europese Commissie om op Europees niveau investeringen aan te wakkeren. Maar eigenlijk was het toen al duidelijk dat dat niet omvangrijk genoeg zou zijn en die indruk is bevestigd. Het blijft bij een mislukte poging om de oorspronkelijke opzet van de eurozone, met de ECB als enige institutie op het niveau van de muntunie, te doorbreken.

Ik hoopte op de gunstige effecten van de omslag in het optreden van de ECB, het min of meer aannemen van de rol van lener in laatste instantie en het agressievere streven naar een hogere inflatie. Maar die effecten hebben er feitelijk alleen uit bestaan dat de euro tot nu toe is gered. Zonder een overheidsinstantie die een macro-economisch beleid voert, is een centrale bank overvraagd. Nu is het ergste voorkomen, maar niets is verbeterd.

En ik hoopte op de opstand van de kiezers. Die was er weliswaar in Griekenland, maar die werd door de eurogroep de kop ingedrukt. Nu hebben de kiezers in Portugal van zich laten horen. Het ziet er naar uit dat ook dat geluid onschadelijk wordt gemaakt. Maar goed, je kunt enige hoop houden dat het idiote bezuinigingsbeleid uiteindelijk electoraal sneuvelt. Denk aan de ontwikkelingen in Engeland, waar Jeremy Corbyn bezig is om de Labourparty op het sociaal-democratische pad terug te krijgen. En denk aan Canada, waar Justin Trudeau met een anti-austerity koers de verkiezingen heeft gewonnen.

Enige hoop dus, maar de kansen lijken groter dat de eurozone al uiteen is gevallen voor de kiezers hebben ingegrepen. Geluiden dat de euro nooit had moeten worden ingevoerd en gedoemd is te mislukken, hoor je steeds vaker.

Wat de euro tot nu toe heeft "opgeleverd", dat kwam goed naar voren uit de presentatie van Peter Praet, lid van de directie van de ECB, op 1 oktober in Frankfurt. Die bestond uit een reeks van ontluisterende grafieken, waaruit je niet anders kunt concluderen dan dat de euro een faliekante mislukking is.

Neem de eerste grafiek, die laat zien hoe de verwachte economische groei door de jaren heen naar beneden werd bijgesteld.

Of neem de tweede grafiek, die laat zien hoe negatief de productiviteitsgroei afsteekt bij die in de Verenigde Staten. Dat was ook al zo voor de invoering van de euro, maar het verschil werd daarna alleen maar groter. Het wijst op een schrikbarend tekort aan investeringen in productiemiddelen, nota bene in een tijd dat geld vrijwel gratis beschikbaar is en de ondernemingen er in zwemmen.



En zie in de derde grafiek de sterke stijging van de werkloosheid en de toename van de ontmoedigden sinds de crisis van 2008. En denk ook even aan de bizar hoge werkloosheidscijfers in de perifere landen, waar de jeugdwerkloosheid tot tegen de 50 procent oploopt.

En het meest ijzingwekkend is wel de laatste grafiek van de presentatie (hier niet te zien), waaruit blijkt dat 61 procent van de inwoners van de eurozonelanden denkt dat de kinderen van nu het later moeilijker zullen hebben dan zijzelf. Daar staat slechts 19 procent tegenover die denkt dat kinderen van nu het later beter zullen hebben. Beter is een fiasco niet in een cijfer uit te drukken. Hoop op een betere toekomst? Vergeet het maar.

Dit slagveld overziende, vraag je je af op grond waarvan ooit aan de euro is begonnen. Hadden degenen die er aan de wieg van hebben gestaan dit niet kunnen zien aankomen?

Ja, dat hadden ze. Want er is voor gewaarschuwd. Het ging al een poos rond op internet, maar ik stuitte er pas op toen ik The Euro is a failure van Edward Harrison las. Harrison verwijst daar naar het uit 1992 daterende (!) artikel Maastricht and all that van de in 2010 overleden Britse econoom Wynne Godley. Godley kritiseert daarin het Verdrag van Maastricht, waarin tot de euro werd besloten en dat eerder dat jaar werd gesloten.

Wat was toen zijn kritiek? Laat ik de twee centrale alinea's citeren:
The central idea of the Maastricht Treaty is that the EC countries should move towards an economic and monetary union, with a single currency managed by an independent central bank. But how is the rest of economic policy to be run? As the treaty proposes no new institutions other than a European bank, its sponsors must suppose that nothing more is needed. But this could only be correct if modern economies were self-adjusting systems that didn’t need any management at all.
I am driven to the conclusion that such a view – that economies are self-righting organisms which never under any circumstances need management at all – did indeed determine the way in which the Maastricht Treaty was framed. It is a crude and extreme version of the view which for some time now has constituted Europe’s conventional wisdom (though not that of the US or Japan) that governments are unable, and therefore should not try, to achieve any of the traditional goals of economic policy, such as growth and full employment. All that can legitimately be done, according to this view, is to control the money supply and balance the budget. It took a group largely composed of bankers (the Delors Committee) to reach the conclusion that an independent central bank was the only supra-national institution necessary to run an integrated, supra-national Europe.
Het was de neoliberale fantasiewereld waaruit de euro is ontsproten. En die heeft ons een sekte van gelovigen opgeleverd, die nu in Europa nog steeds de lakens uitdeelt. Het vermogen van nationale overheden om een macro-economisch beleid te voeren en het hebben van een eigen centrale bank konden gerust worden afgestaan. Want als er maar een centrale bank is die de prijsstabiliteit in de gaten houdt, dan hoeven de overheden er alleen nog maar voor te zorgen dat hun tekort nooit hoger is dan 3 procent en hun schuld niet uitgaat boven de 60 procent van het BBP.

Dan zou de markt er verder wel voor zorgen dat alles goed komt. Inclusief de concurrentie tussen landen, die er automatisch voor zorgt dat er flink "structureel wordt hervormd". Lagere lonen, deregulering, versobering van de verzorgingsstaat en al die andere heilzame ontwikkelingen zouden als vanzelf optreden.

Dat er een overheid moet zijn die naast dat werk van een centrale bank ook nog eens een omvangrijke taak heeft om de economie op het goede pad te houden, nee, dat is in die fantasiewereld ondenkbaar.

Godley nog eens:
Let me express a different view. I think that the central government of any sovereign state ought to be striving all the time to determine the optimum overall level of public provision, the correct overall burden of taxation, the correct allocation of total expenditures between competing requirements and the just distribution of the tax burden. It must also determine the extent to which any gap between expenditure and taxation is financed by making a draft on the central bank and how much it is financed by borrowing and on what terms. The way in which governments decide all these (and some other) issues, and the quality of leadership which they can deploy, will, in interaction with the decisions of individuals, corporations and foreigners, determine such things as interest rates, the exchange rate, the inflation rate, the growth rate and the unemployment rate. It will also profoundly influence the distribution of income and wealth not only between individuals but between whole regions, assisting, one hopes, those adversely affected by structural change.
En lees dat stuk nog even verder om te zien hoe secuur hij beschrijft wat er in tijden van depressie in de eurozone zou gebeuren.

Zelden heeft iemand zo gelijk gekregen.

Wat er nu met de eurozone gaat gebeuren?

Oftewel hij stort in elkaar, in een klap of land voor land. Zie Bill Mitchell daarover: The Eurozone – being ‘trapped in a dysfunctional monetary system’.

Oftewel we gaan naar een democratische(!) Europese overheid, met een eigen belastingheffing en een eigen budgettair en macro-economisch beleid. Een muntunie dus die aan alle eisen voldoet die daarvoor staan. Zie A fully-fledged Economic and Monetary Union: the only way forward van de Europese Beweging.

Het tweede zou beter zijn. Maar ik denk dat die sekte die nu aan de macht is niet anders kan dan het eerste te laten gebeuren.

maandag 2 november 2015

Pro-sociaal gedrag en vertrouwen in anderen gaan samen op - en over waarom dat geen verrassing zou moeten zijn

Onderzoek geeft opnieuw een aanwijzing dat pro-sociaal gedrag en vertrouwen in anderen samen op gaan.

Jouw neiging tot pro-sociaal gedrag, dus tot het helpen en ondersteunen van anderen, wordt sterk beïnvloed door hoeveel van datzelfde gedrag je in jouw sociale omgeving meemaakt. Denk aan de Dual Mode-theorie. En hoe meer jij omgeven wordt door anderen die zich pro-sociaal gedragen, hoe meer jij geneigd zult zijn om andere mensen te vertrouwen. Het is eigenlijk zo eenvoudig als het maar zijn kan. Lees ook nog eens het verreweg meest gelezen bericht van dit blog Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?

Het nieuwe onderzoek Two-Component Model of General Trust: Predicting Behavioral Trust from Attitudinal Trust (betaalpoort) van Toshio Yamagishi e.a. laat nu overtuigend zien dat de neiging tot het hebben van vertrouwen in andere mensen, interpersoneel vertrouwen, op verschillende manieren gemeten, sterk samenhangt met de neiging tot pro-sociaal gedrag. Bovendien hangt pro-sociaal gedrag sterk samen met het honoreren van het in jou gestelde vertrouwen door anderen.

Het zou geen verrassing moeten zijn. Dat het dat voor veel onderzoekers wel schijnt te zijn, komt waarschijnlijk doordat onderzoek er vaak uit bestaat dat steekproeven van personen worden ondervraagd.

Daardoor ben je automatisch gericht op het theoretiseren over en zoeken naar verbanden tussen kenmerken van personen. En krijg je er minder gemakkelijk zicht op dat personen die zich pro-socialer gedragen, de neiging hebben om elkaar "op te zoeken", om te clusteren. Waardoor ze vervolgens weer door hun omgeving meer beïnvloed worden om zich pro-sociaal te gedragen.

En waardoor ze natuurlijk ook gemakkelijker leren dat anderen zijn te vertrouwen.

Dat hele selectie- en beïnvloedingsproces, daar krijgen onderzoekers die alleen met vragenlijsten werken niet zo gemakkelijk zicht op.

Zie in dit verband ook (nog eens) de berichten Te geven is zaliger dan te ontvangen - Maar de gelegenheid maakt de gever en Door lidmaatschappen en vrijwilligerswerk niet meer sociaal vertrouwen - wel door persoonlijke contacten.

vrijdag 30 oktober 2015

Over de frequenties van "vriendschap" en "eenzaamheid" in fictie

Naar aanleiding van het bericht Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden? vroeg ik me af of het klopt wat ik daarin beweerde, namelijk dat woorden als "vriendschap" en "eenzaamheid" vrij recente uitvindingen zijn. In de zin dat ze tegenwoordig frequenter in ons vocabulaire voorkomen dan vroeger.

Maat wat is vroeger? Ik dacht eigenlijk aan heel lang geleden, toen onze verre voorouders nog als jagers-verzamelaars leefden. In groepen van rond de 150 personen (Dunbar's number), die een intensief sociaal leven hadden en voor hun overleving afhankelijk waren van samenwerking en het delen van voedsel. Omdat iedereen elkaars "vriend" was, kun je op het idee komen dat het woord (en het begrip) vriendschap in hun vocabulaire nauwelijks een rol speelde. Net zo als vissen geen woord voor water zouden ontwikkelen als ze zouden kunnen praten.

Maar goed, we kunnen het onze verre voorouders niet meer vragen. En onderzoek naar nog bestaande jagers-verzamelaars verschaft voor zover ik weet geen uitsluitsel. Maar zie hier een bespreking van een studie naar de sociale netwerken van de Hadza, waaruit je zou kunnen opmaken dat bij wisselingen in groepssamenstelling zoiets als vriendschap een rol speelt. Vrienden zijn dan diegenen waarmee je het beste kunt samenwerken.

Als je het wat minder ver weg in de geschiedenis zoekt, kun je met de Google Ngram viewer nagaan hoe vaak een woord in boeken opduikt. Ik heb dat voor de aardigheid eens gedaan met "loneliness" en "friendship" in Engelstalige fictie. Ik zou de ontstane grafieken graag hier reproduceren, maar ik heb nog niet door hoe dat zou kunnen (als het al kan).

Ik deed dat voor de periode vanaf 1700. "Loneliness" komt dan, als percentage van alle woorden, vanaf rond 1800 voor en neemt gestaag toe tot rond 1935, waarna het constant blijft tot rond 1980. Daarna neemt het af tot 2005, waarna er weer een kleine toename is.

En de frequentie van "friendship" begint tegen 1750 sterk op te lopen, waarna het in de tweede helft van de achttiende eeuw opvallend hoog blijft. Dat was de tijd van de Verlichting. Denk aan Rousseau, die leefde van 1712-1778. Daarna neemt het snel af tot 1850, waarna die afname zich langzamer doorzet.

Hoeveel waarde je hier moet toekennen? Ik zou het niet weten. Maar aardig om eens gezien te hebben.

donderdag 29 oktober 2015

Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid

De toename van vluchtelingenstromen lijkt een sterke toename van het anti-immigrantensentiment te veroorzaken. Wat weten we over de achterliggende oorzaken van de negatieve houding tegenover nieuwkomers en immigranten?
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Anti-immigranten sentiment beïnvloed door inkomenspositie en bestaansonzekerheid.

woensdag 28 oktober 2015

Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

Er was een tijd dat mensen gedurende hun levensloop altijd vrienden om zich heen hadden. Dat was zo vanzelfsprekend dat ze elkaar geen vrienden noemden. Het woord vriend lijkt een nog vrij recente uitvinding.

Dat ligt er aan dat het hebben van vrienden al lang niet meer vanzelfsprekend is. In het mooie bericht How our housing choices make adult friendships more difficult vraagt David Roberts daar vandaag aandacht voor.

Geen tijd om het betoog samen te vatten. De kern er van lijkt me dat de sleutel tot het ontstaan (en blijven bestaan) van vriendschappen er in gelegen is dat je elkaar herhaald en spontaan ontmoet. Elkaar tegen het lijf loopt en weer even bij praat. Niet incidenteel, maar regulier, zeg, elke dag of een paar keer per week.

Daarvoor is een setting nodig die bijvoorbeeld nog bestaat als je studeert. En dus is het niet toevallig dat daar veel vriendschappen ontstaan. Maar daarna gaat iedereen zijns weegs en kost het inspanning om die vriendschappen in stand te houden. Die spontane ontmoetingen, die treden nauwelijks meer op. 

Vandaar dat mensen gedurende hun volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden maken. En vandaar dat we een maatschappelijk probleem van eenzaamheid kennen. Het woord eenzaamheid lijkt overigens ook nog maar vrij recent tot het spraakgebruik te zijn doorgedrongen.

Want dat iedereen zijns weegs gaat, dat houdt in dat iedereen ergens een domicilie kiest, ergens in een huis een gezin sticht. Waar dat is wordt bepaald door de eisen van werk en loopbaan. En zo ontstaan de sociaal geïsoleerde gezinnen. Die agenda's moeten trekken om ontmoetingen met vrienden al ver van te voren te organiseren. We moeten weer eens afspreken, is een vaak gehoorde mededeling. En te vaak komt het er niet van.

We hebben dus met zijn allen een leefwijze laten ontstaan waarin de herhaalde, spontane ontmoetingen er niet als vanzelf zijn. Daarom die pleidooien op dit blog voor ontmoetingsplekken in de buurt. En de berichten over het sociale belang van buurten.

Maar goed, lees dat mooie stuk van David Roberts!

maandag 26 oktober 2015

Varoufakis over de werkloosheidsontkenners - waarom lagere lonen de vraag naar arbeid doen afnemen

Lezende in De economie volgens Yanis Varoufakis, zoals uitgelegd aan zijn dochter, kwam ik in hoofdstuk 6 aan bij het betoog waarin het er om gaat waarom de werkloosheidsontkenners ongelijk hebben.

Economie uitgelegd aan mijn dochterDie werkloosheidsontkenners zijn die economen, en politici, die denken dat onvrijwillige werkloosheid niet bestaat. Want, zo redeneren ze, iedereen die (nog) werkloos is, heeft zijn gewenste loon nog niet genoeg laten zakken. Als hij dat laatste wel zou doen, dan zou er onmiddellijk een werkgever opstaan die hem zou aannemen.

De kern van deze redenering is dat arbeid net zo iets is als huizen, auto's en tomaten: als je de vraagprijs maar genoeg laat zakken, is er altijd een koper te vinden. Net als iemand niet moet klagen dat hij zijn fraai gelegen vakantiehuis niet kwijtraakt (vraag dan minder!), moet ook iemand zonder werk niet klagen (ga dan voor een lager loon werken!).

Het probleem met die redenering is dat de kopers van huizen, auto's en tomaten die producten aanschaffen om ze te "consumeren", om de genoegens die daaruit voortvloeien. En iedere koper bepaalt individueel welke prijs door die genoegens wordt gerechtvaardigd.

Daarentegen neemt een potentiële werkgever een werkloze pas in dienst als hij verwacht dat winstgevend te kunnen doen. En die verwachting hangt er vanaf wat de vooruitzichten zijn. Die weer afhangen van het algemenere economische klimaat. Als de economische activiteit groeit en als de consumenten optimistisch zijn, dan maakt een werkloze meer kans om ergens aangenomen te worden.

Dat maakt dat er een zichzelf versterkend proces kan voordoen. Werkgevers kijken naar elkaar, naar het "producentenvertrouwen", en als dat omhoog gaat, als iedereen optimistisch is, dan worden ze zelf ook optimistisch. Waardoor ze meer mensen aannemen. Maar als het vertrouwen laag is, gebeurt het omgekeerde en krijgen werklozen geen kans.

Maar stel dat werklozen bereid zijn om voor nog lagere lonen aan de slag te gaan? Dan wordt het toch op een gegeven moment wel voordelig voor werkgevers om hen aan te nemen?

Nee, dat kon wel eens niet zo zijn. Omdat de ondernemers een algehele verlaging van de lonen gaan zien als een voorloper van minder economische bedrijvigheid. Iedere werkgever betaalt natuurlijk graag een lager loon, omdat hij daarmee zijn kosten verlaagt. Maar tegelijk zou iedere ondernemer graag hebben dat andere werkgevers hogere lonen betalen, omdat zulks zou bijdragen aan de algehele economische activiteit en het algehele optimisme. De koopkracht die door anderen wordt aangewakkerd, daar profiteert iedere ondernemer van, die desalniettemin zelf graag de lonen zou verlagen.

Dat dilemma is analoog aan het uit de speltheorie bekende dilemma van de hertenjagers (Stag Hunt), dat bij Rousseau vandaan schijnt te komen. Varoufakis verwijst er ook naar. Ik sta nu bij deze passage stil omdat hij er zo duidelijk en beknopt mee laat zien dat een loonsverlaging juist kan leiden tot het afnemen van de vraag naar arbeid.

Die werkloosheidsontkenners hebben dus niet door dat arbeid iets anders is dan huizen, auto's of tomaten. Dat is pijnlijk, want het ontkennen van werkloosheid is onder de huidige politici welhaast gemeengoed.

zondag 25 oktober 2015

Zondagochtendmuziek - Orgel Vreten - Jenny (live @Bimhuis Amsterdam)

Donderdagavond genoten van Orgelvreten in Tivoli De Helling in Utrecht. Op 4 november begint de band met de voorstelling "En de ander", een co-productie met het Zuidelijk Toneel. Op hun website schrijven ze daarover:
Thijs Schrijnemakers maakte samen met dichter Dennis Gaens de voorstelling 'En de ander', een zoektocht naar een uniek gevoel van samenzijn dat met de ontkerkelijking verdwenen is. Gebruikmakend van de typische kenmerken van een mis ontstaat een bijzondere mix van muziek, poëzie en theater, een moment van bezinning naast een moment van explosie. Zowel luchtig als meeslepend. En natuurlijk met de battle om het Hammondorgel, dat de ontkerkelijking wel heeft overleefd.
Dat moet nog beginnen. Nu hadden we een mooie avond in Tivoli De Helling.

En hier traden ze op in Vrije Geluiden:

zondag 18 oktober 2015

Zondagochtendmuziek - Gregory Page (USA) Miniconsert (4 songs) Live yn Noardewyn Omrop Fryslân

Gregory Page is weer in het land. Vanavond treedt hij op in Breda. Deze tekst lees je op zijn website over zijn nieuwe album Let's Fall In Love Again:
Het nieuwe album van Gregory Page, Let’s Fall In Love Again, is een “classic collection of romantic love songs”. Mr Page, die omschreven kan worden als een moderne crooner maar ook als een schaamteloze dromer, keert met 10 smaakvolle songs terug naar een lang vervlogen muzikaal tijdperk. De opnames zijn gemaakt door Jason Mraz waarbij het magnifieke pianospel van Sky Ladd goed naar voren komt.
De schitterende songs van Gregory ademen de sfeer van onschuld, romantiek en plezier van het begin van de vorige eeuw. Hij maakt een buiging voor de geweldige muziek die geschreven werd op Tin Pan Alley (een groep in New York gevestigde muziekproducers en songwriters, die de Amerikaanse popmuziek sterk domineerden gedurende eind 19e en begin 20e eeuw), en neemt de luisteraar met veel passie mee naar zijn verleidelijke wereld. De zelf verklaarde uitvinder van het muzikale genre, Modern Nostalgia, zal met de universele thema’s van de songs jong en oud weten te bekoren. Page heeft het zeldzame talent om songs te kunnen schrijven die melancholisch, nostalgisch maar ook eigentijds zijn en is eigenlijk een moderne vaudeville zanger.
Terwijl het lijkt of de rest van de wereld zich alleen maar focust op: groter, sneller en harder, is Let’s Fall In Love Again bovenal een tijdloos album.
Hier trad hij op in Noardewyn Omrop Fryslân, twee jaar geleden: