donderdag 29 januari 2015

Welke aanwijzingen zijn er om in Europa te mogen hopen op een terugkeer van het economisch verstand?

Oké, het lijken duistere tijden in Europa. Maar is er ook enige reden tot optimisme? Welke aanwijzingen hebben we dat het economisch verstand terugkeert? Er zijn er een paar.

Misschien begon de wending ten goede met het besluit van het Europese Parlement, nog in zijn vorige samenstelling, om het werk van de Trojka (ECB, IMF, EC) aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Nu bijna een jaar geleden keurde het Parlement de onderzoeksrapporten goed, waarmee het bevestigde dat de door de Trojka opgelegde strenge bezuinigingsprogramma's de werkloosheid en de armoede hadden vergroot en meer kwaad dan goed hadden gedaan. De Trojka zou moeten worden afgeschaft en het beleid zou moeten worden veranderd. En de gang van zaken zou transparanter en democratischer moeten worden. Zie hier en hier voor meer informatie. Hoe de stand van zaken nu is, weet ik eigenlijk niet.

Dan was er de opstand van Frankrijk en Italië tegen het begrotingspact. De regeringen van beide landen verklaarden zich niet langer te willen houden aan de regels van dat pact, omdat ze als ze dat wel zouden doen, hun economieën nog verder in het diepe zouden duwen. Natuurlijk volgden daar wat schermutselingen op met Duitsland en met de Europese Commissie, de nieuwe, onder Juncker, maar het lijkt er op dat de beide landen een voldongen feit hebben willen creëren en daarin zijn geslaagd.

Een andere ontwikkeling was dat de nieuwe Europese Commissie heeft ingezien dat er op grote schaal publieke investeringen nodig zijn om uit de recessie te geraken. Dat is uiteraard door Duitsland tegengehouden, waardoor het investeringsplan dat nu ontwikkeld wordt, veel minder omvangrijk is dan het zou moeten zijn. Maar het is een grote vooruitgang vergeleken met de vorige commissie, die onder Barosso, die veel meer de oren liet hangen naar wat Duitsland wilde.

Dan is er de omslag in het beleid van de Europese Centrale Bank onder aanvoering van Mario Draghi. De ECB ontwikkelt zich tot een normale centrale bank, die inziet dat de rol van lener in laatste instantie onmisbaar is. En nu, eindelijk en misschien te laat, de gevaren inziet van een aanhoudend te lage inflatie. Zie vandaag daarover Draghi maakt einde aan scholenstrijd centrale banken.

En dan is er natuurlijk de overwinning van Syriza in Griekenland. Waardoor nu Yannis Varoufakis minister van Financiën is geworden, de auteur, samen met Stuart Holland en James Galbraith, van A Modest Proposal for Resolving the Eurozone Crisis. Dit zal het begin zijn van de opstand van de perifere landen. Denk aan de nieuwe en razendsnel opgekomen partij Podemos in Spanje.

En het blijft verbazen dat die opstand zo lang is uitgebleven. Zoals meer wat maar blijft verbazen

Al met al een rijtje van ontwikkelingen die er op wijzen dat we de goede kant op gaan en dat het economische verstand terugkeert. 

Waar we nu op mogen hopen is dat de Europese media hun werk beter gaan doen. Zie gisteren en vandaag Heiner Flassbeck over die media in Duitsland: Wetten, dass … en Wette gewonnen! En Simon-Wren-Lewis over de media in Engeland: To all UK journalists. En Paul Jonker-Hoffren, die me vanuit Finland op de hoogte houdt, meldt hoe treurig de berichtgeving daar is. En Nederland? Laat ik mijn goede humeur bewaren en daar maar niet over uitweiden.
Update. Zie voor de Duitse media nu ook: Die deutschen Medien versagen in der Griechenland-Berichterstattung auf ganzer Linie. Update. En lees vandaag, 31 januari, ook Griechenland in deutschen Medien: Immer voll auf Merkel-Linie.
Update. Zie nu ook Ewald Engelen over de Nederlandse media en over de "identificatie van het journaille met de politieke en bestuurlijke elite – zelfde opleiding, zelfde vriendenkring, zelfde wereldbeeld, zelfde existentiële onzekerheid, zelfde levensstijl –", die "zo langzamerhand ziekelijke, democratie-eroderende vormen (heeft) aangenomen." (Met dank aan Arie Glebbeek.)

woensdag 28 januari 2015

Meer samenwerking en pro-sociaal gedrag als mensen zich prettig en veilig voelen. En over de verzorgingsstaat en het basisinkomen

Er waren al aanwijzingen dat mensen pro-socialer zijn als ze intuïtief en spontaan handelen. Zie het bericht Intuïtief zijn we pro-sociaal. Maar alleen met een sociale omgeving die pro-sociaal is en volg de link daarin naar een vorig bericht met dezelfde strekking. Het nieuwe onderzoek The Collective Benefits of Feeling Good and Letting Go: Positive Emotion and (dis)Inhibition Interact to Predict Cooperative Behavior versterkt die aanwijzingen.

De onderzoekers sluiten aan bij het bekende inzicht dat aan ons gedrag twee onderling concurrerende cognitieve systemen ten grondslag liggen, een dat snel, automatisch, intuïtief en meestal emotioneel is en een dat langzaam, gecontroleerd en deliberatief delibererend verloopt. Denk aan Kahnemans Thinking Fast and Slow

Dat inzicht combineren ze met de Social Heuristics Hypothesis, die inhoudt dat gedragingen die in ons dagelijkse sociale leven doorgaans succesvol zijn, geautomatiseerd worden tot sociale intuïties. Als onze sociale omgeving voldoende pro-sociaal en coöperatief is, dan is ook onze eigen pro-sociale gedrag meestal succesvol, en ontwikkelen we dus pro-sociale intuïties. (Voor de lezers die nog onbekend zijn met de term pro-sociaal, zie het bericht Wat is eigenlijk pro-sociaal gedrag?)

Bovendien veronderstellen ze dat het bekende gegeven dat positieve emoties (je goed voelen) bevorderlijk zijn voor pro-sociaal gedrag, er mee samenhangt dat het op je intuïties kunnen vertrouwen een goed gevoel geeft. Het wijst er op dat de omgeving vertrouwd is en dus veilig.

Maar wat betekent dat alles als we in een sociale situatie terechtkomen die niet meteen bekend en vertrouwd is? Zoals de situatie waarin de personen terechtkwamen die aan dit onderzoek deelnamen. Ze moesten beslissen wat ze zouden doen in een Publiek Goed Spel. Dat houdt in dat de spelers beslissen hoeveel van hun eigen munten ze in een publieke pot zullen doen, waarna de munten in die pot vermeerderd worden en gelijk over iedereen verdeeld. Daarnaast houdt iedereen de eigen munten die hij niet in de pot heeft gedaan.

Dit is een bijzonder geval van het bekende gevangenendilemma. Het zou sociaal optimaal zijn als iedereen alles in de pot zou doen. Dus zou samenwerken. Maar omdat de spelers niet van elkaar weten wat ze doen, is er ook een motief om de munten juist zelf te houden en mee te profiteren van de munten die anderen wel in de pot hebben gestopt. Volgens de speltheorie is het daarom individueel optimaal om niets aan de pot bij te dragen. Waardoor dus het sociale optimum niet bereikt wordt.

We weten al dat veel proefpersonen in zulke situaties niet handelen zoals de speltheorie voorspelt, maar integendeel behoorlijk veel aan het publieke goed bijdragen. Zich coöperatief of pro-sociaal gedragen. En dus het risico op de koop toe nemen dat anderen (de freeriders) daarvan profiteren.

Wat is nu van invloed op hoe mensen zich zullen gedragen? In dit onderzoek werd iedereen gevraagd om kort uit te leggen waarom ze zo gekozen hadden als ze hadden gedaan. De onderzoekers analyseerden hun antwoorden met de Linguistic Inquiry and Word Count, waarna ze op grond van de gebruikte woorden een indeling konden maken in "overwegend positieve emoties", overwegend negatieve emoties" en "overwegend geremd". Waarbij geremd slaat op onderdrukking van spontaniteit (inhibition) en daarentegen juist op je hoede zijn. Hieronder zie je voorbeelden van zinnetjes die werden ingedeeld.

Table 1.  Example texts that received high LIWC scores for positive emotion, negative emotion, and inhibition.

Je ziet dat degenen die in de rechterkolom terechtkwamen, vooral op hun hoede waren. In de middenkolom kwamen de egoïsten terecht en links vind je degenen die zich kennelijk veilig en prettig voelden.

Het bleek toen dat degenen die zich prettig voelden én niet op hun hoede waren, zich het meest pro-sociaal gedroegen. Een goed én een veilig gevoel maken pro-sociaal. In die gevallen waarin mensen wel een goed gevoel hadden, maar ook op hun hoede waren, dus niet vertrouwden op hun intuïties, was het zo dat het pro-sociale gedrag dat anders zou voortkomen uit dat goede gevoel, werd onderdrukt door het op hun hoede zijn.

Kortom, meer aanwijzingen dus dat je samenwerkingsbereidheid en pro-sociaal gedrag kunt bevorderen door er voor te zorgen dat mensen zich prettig en veilig voelen. Onzekerheid maakt mensen alert, wantrouwend en op hun hoede, waardoor ze uit voorzichtigheid meer vooral op eigen gewin uit zijn. Lees ook nog even het bericht De belichaming van pro-sociaal gedrag - En wat we daarvan kunnen leren dat qua strekking hier mee overeenkomt.

Een conclusie daaruit voor hoe wij onze maatschappij zouden moeten inrichten, ligt voor de hand. Denk even aan de berichten Participatiesamenleving in plaats van verzorgingsstaat? Niet of-of, maar en-en, Verzorgingsstaat, welvaart en geluk en De verzorgingsstaat verhoogt de tevredenheid met het leven.

En bedenk dat al dit onderzoek sterke argumenten verschaft voor de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen.

dinsdag 27 januari 2015

"Overvalued ideas" in de Europese politiek bedreigen de democratie

In de psychiatrie bestaat de diagnose van de overvalued ideas, overtuigingen waarin iemand rotsvast gelooft, zonder zich al tot een waanvoorstelling of een obsessie te hebben ontwikkeld, maar die wel iemands leven beheersen.

Als je de ontwikkelingen in Europa sinds 2008 hebt gevolgd, dan kun je zomaar op het idee komen dat die psychiatrische diagnose een sociaalwetenschappelijke aanvulling behoeft. Want dat zoveel politieke machthebbers op het zelfde moment aan deze stoornis lijden, dat is onwaarschijnlijk. Maar dat ze met zijn allen een sociaal proces hebben ondergaan, dat er in heeft geresulteerd dat de bezuinigingszeepbel ontstond, dat moet haast wel.

Dat de eurocrisis is ontstaan door te hoge overheidsuitgaven en dat de recessie dus door drastische bezuinigingen moet worden bestreden en dat schulden altijd moeten worden terugbetaald, dat lijken overvalued ideas. Want de aanhangers ervan verwachtten er snelle resultaten van toen ze in 2009 beleid gingen voorschrijven dat op deze ideeën was gebaseerd. Die resultaten bleven uit en de feitelijke ontwikkelingen bleven ver achter bij de verwachte successen. Maar de aanhangers volhardden halsstarrig.

Update. Zie de "grafiek des doods", met dank aan een tweet van Bas Jacobs. Zie de blauwe onderbroken lijn voor het succes dat de bezuinigers in 2010 van hun beleid verwachtten. De zwarte lijn geeft de werkelijke ontwikkeling weer. De andere gekleurde lijnen zijn de latere verwachtingen. Alles in termen van het bruto nationaal product.
Permalink voor ingesloten afbeelding

Als je dan toch zo halsstarrig vasthoudt aan je overtuiging, dan moeten ze ons niet kwalijk nemen dat we aan de stoornis van de overvalued ideas gaan denken.

En als machthebbers zich zo gedragen alsof ze aan die stoornis lijden, dat kun je dat wel een bedreiging van de democratie noemen.

Daar stond ik even bij stil toen ik vandaag het bericht las dat de scheidende premier van Griekenland, Antonis Samaras, niet bereid bleek te zijn om aanwezig te zijn bij de overdracht van zijn ambt aan zijn opvolger, de grote winnaar van de verkiezingen, Alexis Tsipras. Sterker, hij moet alle documenten hebben meegenomen en zelfs de wachtwoorden van het netwerk hebben achtergehouden. Spiegel online noemt hem terecht een slechte verliezer.

Maar het wijst op het gedrag van iemand met een overtuiging die hij niet kan loslaten. Er zou niet iemand premier van het land mogen zijn die die overtuiging niet deelt.

Hetzelfde gedrag als dat van de Duitse minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, die moet hebben verklaard dat verkiezingen niets veranderen.

En hetzelfde gedrag als dat van de niet verkozen functionarissen van de ECB die landen gingen voorschrijven welk sociaal-economisch beleid ze moesten voeren. Er zouden meer voorbeelden te geven zijn.

Kortom, de neoliberale ideeën over de noodzaak van "hervormingen" en afbraak van de sociale regelingen en van de publieke dienstverlening, die kun je zo langzamerhand wel kenschetsen als overvalued ideas. Die de democratie bedreigen.

maandag 26 januari 2015

De actualiteit van een brief van Keynes uit 1933 voor de problemen van vandaag

We hebben in Europa nu al zes jaar lang te lijden onder een terugval in publieke kennis, dat wil zeggen, de kennis over wat je als overheid moet doen om uit een recessie te komen. Zie eerder, nu bijna twee jaar geleden, het bericht Jan Pen in 1965 en de onmiskenbare terugval in publieke kennis. Daarin citeerde ik uit het werk van de Keynesiaanse macro-econoom Jan Pen (1921-2010). Wat Arie Glebbeek toen deed verzuchten dat we in de economie en in de economische politiek een merkwaardige terugval in publieke kennis meemaken.

Gisteren heeft Syriza de Griekse verkiezingen gewonnen en lijkt in Europa het einde weer wat dichterbij te komen van een economisch onverstandig en moreel onverdedigbaar beleid.

En vandaag is er dit fraaie blogbericht van Frances Coppola: Reflections on Recovery and Reform. Ze neemt een lang citaat op van een beroemde econoom, die later in het bericht John Maynard Keynes blijkt te zijn. Als je dat citaat leest, uit een open brief aan President Roosevelt uit 1933, dan kost het geen enkele moeite om de actualiteit er van in te zien.

En dan trek je je de haren uit het hoofd, omdat je maar niet kunt begrijpen hoe het heeft kunnen gebeuren dat de Europese politieke leiders de actuele en waardevolle economische inzichten die in het verleden door grondige studie tot stand zijn gekomen, zo roekeloos overboord hebben gegooid. Wat een onwetendheid en wat een hoogmoed.

En wat een halsstarrigheid om daar zes jaar lang mee door te gaan. En wat een moreel laakbaar handelen om in plaats van te werken aan gezamenlijk economisch herstel, grote delen van de Europese bevolking zinloos te bestraffen voor niet door hen gemaakte fouten. Als je een werkloosheid van 25 procent en een jeugdwerkloosheid van 50-60 procent en een algehele verarming van de bevolking, ziet als oorbare instrumenten om jouw doel te bereiken, dan kun je wel zeggen dat je niet alleen onverstandig, maar ook moreel laakbaar, handelt.

Lees vandaag dat blogbericht van Frances Coppola.

vrijdag 23 januari 2015

Door lokale blootstelling aan ongelijkheid meer antisociaal gedrag van jongens

We weten al dat de inkomensongelijkheid van een land negatieve gevolgen heeft voor de bevolking. Denk aan het onderzoek van Richard Wilkinson, waar ik hier aandacht aan besteedde. Een van die gevolgen is dat ongelijkheid statuscompetitief gedrag aanwakkert en daarmee de kans op antisociaal gedrag en geweldscriminaliteit vergroot. Zie hoofdstuk 10 (Violence: gaining respect) van The Spirit Level. Why More Equal Societies Almost Always Do Better van Wilkinson en Kate Pickett.

Er is nu nieuw onderzoek dat ons leert dat ditzelfde verschijnsel zich voordoet op lokaal niveau. Uit de studie Living alongside more affluent neighbors predicts greater involvement in antisocial behavior among low-income boys (betaalpoort) blijkt dat de kans op antisociaal gedrag van jongens toeneemt, hoe meer die jongens in hun buurt aan ongelijkheid blootstaan.

Neem de Figuur hieronder, waarin het gaat om jongens uit gezinnen met een laag inkomen. Op de horizontale as zijn vier soorten buurten onderscheiden. Te beginnen aan de rechterkant met een buurt met heel veel arme gezinnen (75-100%). Naar links toe neemt het aantal arme gezinnen af en het aantal niet-arme gezinnen dus toe. Een jongen uit een arm gezin kan dus te midden van andere arme gezinnen wonen (rechts) of te midden van niet-arme gezinnen (links).Hoe meer naar links, hoe meer die jongen uit dat arme gezin aan ongelijkheid wordt blootgesteld.



Op de verticale as staat de mate van antisociaal gedrag van jongens uit arme gezinnen afgebeeld. In deze figuur gaat het om jongens van 5 jaar, maar het beeld verandert niet als die jongens 7, 10 of 12 jaar oud zijn. We zien dat de staafjes naar links toe hoger worden. Jongens uit gezinnen die in armoede leven, gedragen zich antisocialer als ze omgeven worden door niet-arme (rijkere) gezinnen dan wanneer ze in een arme buurt wonen.

We zien dus dat het voor de kans op antisociaal gedrag van jongens uit arme gezinnen uitmaakt met hoeveel ongelijkheid ze in aanraking komen. Als ze in hun dagelijks leven vooral armoede zien en dus weinig merken van ongelijkheid, gedragen ze zich minder antisociaal dan wanneer ze rijkdom om zich heen zien.

Maar hoe zit dat dan met niet-arme jongeren? Voor hen geldt in feite hetzelfde. Als ze in een niet-arme buurt wonen, gedragen ze zich weinig antisociaal. Maar hoe meer ze in hun buurt met armoede in aanraking komen, en dus met ongelijkheid, hoe meer antisociaal gedrag. Ook zij worden door meer ongelijkheid geprikkeld tot meer statuscompetitief gedrag.

Dat antisociale gedrag werd vastgesteld door de moeder en een leraar er over te ondervragen. Dat gebeurde met vragen over delinquent en agressief gedrag uit de Aschenbach Checklist, een veel gebruikt en gevalideerd instrument. In de statistische analyses werd gecontroleerd voor kenmerken van de buurt, zoals de collectieve zelfredzaamheid, en een eventuele geschiedenis van antisociaal gedrag van de ouders.

Wat moet je hieruit nu concluderen? De onderzoekers neigen er toe om te suggereren dat het dus geen goed idee is om buurten te creëren waarin inkomens sterk variëren. Maar liever geen gemengde wijken, want dat leidt maar tot meer antisociaal gedrag.

Maar dat is wel een heel cynische conclusie, omdat je daarmee de inkomensongelijkheid nog zou bevorderen. Zie Meer inkomensongelijkheid en meer inkomenssegregatie, Rijken bij de rijken en armen bij de armen: inkomenssegregatie in de V.S. En in Nederland? en Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

Nee, ook dit onderzoek is weer een ondersteuning voor een politiek gericht op een meer gelijke en dus meer ontspannen en solidaire maatschappij. Op alle niveau's, tussen landen en binnen landen en dus ook op het lokale niveau.

donderdag 22 januari 2015

Hoe fundamenteel sociaal zijn wij?

Mensen zijn fundamenteel sociaal. In de zin dat de spontane activiteit in onze hersenen in een toestand van rust, ons er op voorbereidt om snel de bedoelingen van andere mensen te begrijpen. De spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, "zorgt er voor" dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover mensen. Dat is de uitkomst van de studie The Default Mode of Human Brain Function Primes the Intentional Stance (pdf).

Dat defaultnetwerk is een netwerk van (frontale en pariëtale) gebieden in de hersenen dat vooral actief is in een toestand van rust, waarin we niet op gebeurtenissen in de buitenwereld zijn gericht. We zijn met onszelf bezig (introspectie) of we zijn aan het dagdromen. Mentale activiteit dus die spontaan ontstaat zonder door de buitenwereld te zijn uitgelokt. Als we weer iets gaan doen, dus op de buitenwereld gaan reageren, dan wordt dat netwerk weer minder actief.

Dat is boeiend, want waarvoor hebben we het dan nodig? Die vraag dringt zich op als je bedenkt dat het grootste deel van het energieverbruik van onze hersenen verbonden is met dit defaultnetwerk. In die rusttoestand gebruiken de hersenen meer energie dan wanneer je bezig bent met een rekensom op te lossen.

Als je dan ook nog bedenkt dat onze hersenen een buitenproportioneel deel opsouperen van de totale energie die ons lichaam nodig heeft, dan moet het wel zo zijn dat dat de activiteit in dat defaultnetwerk uiterst belangrijk is voor onze aanpassing aan de omgeving.

En dat belang lijkt er dus in te liggen dat we er altijd op zijn voorbereid om op een goede manier met andere mensen om te gaan. Het wijst dus op het grote belang van de sociale omgeving voor ons welzijn en voor onze overleving. Wij zijn fundamenteel sociaal.

De onderzoekers lieten proefpersonen foto's van mensen zien en beoordelen of een zin een geschikte beschrijving was van wat ze zagen. Die zin sloeg oftewel op de intentionaliteit van de handeling, bijvoorbeeld het lezen van een boek, oftewel op een fysiek aspect van het beeld. Heel kort samengevat, bleek toen dat een hogere activiteit in het defaultnetwerk voorafgaand aan de taak, samenging met een grotere gerichtheid op de bedoelingen van de afgebeelde personen.

Het onderzoek wijst ons op het grote belang van de vroege ontwikkeling van het defaultnetwerk bij pasgeborenen, omdat het hen een jump start verschaft voor het aanleren van de benodigde sociale vaardigheden in een complexe sociale omgeving, waarin we van elkaar afhankelijk zijn. In de woorden van de onderzoekers (hun laatste alinea):
The data we present here suggest that the DMN ( het defaultnetwerk) and its activity in between moments of directed thought may be evolution’s solution to the problem of other minds. Evolution seems to have made a “bet” that the best thing to do with any spare moment is to get ready to see the world in terms of other minds. This bet has allowed human beings to get together in groups and achieve far more than ever would have been possible separately.
Wat het betekent om een sociale diersoort te zijn, wordt weer iets duidelijker. Denk ook nog even aan de belangrijke rol van spiegelneuronen. Zie het bericht Spiegelneuronen, nadenken en intuïtie.

dinsdag 20 januari 2015

Het kan met narcisme te maken hebben dat vooral jonge mannen, en nauwelijks jonge vrouwen, terreurdaden plegen

In mijn poging om de vraag Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen? te beantwoorden, ging het onder meer om de vraag waarom het vooral jonge mannen zijn en niet jonge vrouwen. Ik veronderstelde dat mannen gemiddeld genomen meer geneigd zijn tot statuscompetitief gedrag. En dat het falen in de statuscompetitie die in onze kapitalistische maatschappij zo dominant aanwezig is, voor hen dus zwaarder zal wegen.

Er moet onderzoek zijn dat die veronderstelling ondersteunt. Maar op zoek daarnaar, kwam ik ander onderzoek tegen waaruit blijkt dat mannen gemiddeld genomen narcistischer zijn dan vrouwen. het gaat om de studie Gender Differences in Narcissism: A Meta-Analytic Review (betaalpoort), Dit verschil bestaat voor alle leeftijdsgroepen, dus ook voor jonge mannen en jonge vrouwen.

Narcisme speelde in mijn poging tot verklaring een rol, namelijk in de laatste stap van de redenering. Op zoek naar een sociale context die hen geborgenheid en respect verschaft, kun je terecht komen in een godsdienstige of een nationalistische of een racistische groep. Of je verzint zelf een broederschap, zoals Anders Breivik deed. Maar waarom word je gewelddadig als die groep bedreigd wordt of als je denkt dat hij bedreigd wordt?

Daar zou narcisme een rol kunnen spelen. Bedreigingen worden dan niet alleen bedreigingen van die groep, maar ook van jouw zelfbeeld. En om dat zelfbeeld te verdedigen en in stand te houden, kan gewelddadigheid een middel worden. De bedreiging moet worden vernietigd. En de drempel om dat te doen is klein als je je vanwege dat narcisme hoog verheven voelt boven anderen. 

Dat verschil in de mate van narcisme zou dus een deel van de verklaring kunnen zijn voor de sterke oververtegenwoordiging van mannen in terroristische aanslagen.

maandag 19 januari 2015

Wat is het echte gat in de lokale democratie?

Wat is het echte gat in de lokale democratie? Is het dat gemeenten, nu ze meer taken krijgen, meer samenwerkingsverbanden aangaan, waardoor gemeenteraadsleden minder gemakkelijk op elk moment het beleid kunnen beïnvloeden? Of ligt het er in dat de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen door de jaren heen gedaald is tot net iets boven de 50 procent en dat het verschil met de opkomst bij de Tweede Kamerverkiezingen groter wordt?

Raoul du Pré denkt bij het gat in de lokale democratie alleen maar aan dat eerste. Zie zijn hoofdredactioneel commentaar in De Volkskrant van 16 januari. Zijn probleem is dat gemeentebesturen afspraken maken en contracten sluiten waar hun eigen gemeenteraad vervolgens niets meer aan kan veranderen. Raadsleden schijnen er over te klagen dat hun invloed afneemt.

Daarom ondersteunt Du Pré het streven van dit kabinet naar grotere gemeenten, die groot genoeg zijn om zonder samenwerkingsverbanden hun taken te kunnen uitvoeren. Terwijl gemeenten nu gemiddeld 40.000 inwoners tellen, moeten gemeenten volgens het kabinet toe naar minstens 100.000 inwoners. Pas dan zijn ze "bestuurlijk sterk genoeg" en kunnen ze efficiënt werken. Of dat laatste ook zo is, dan kun je aan twijfelen want onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen wees juist uit dat de kosten in gefuseerde gemeenten sterker stegen dan in niet gefuseerde gemeenten.

Onze gemeenten zijn vooral na de jaren 60 van de vorige eeuw door fusies en herindelingen al zo groot geworden dat we in Europa een outlier zijn geworden. Die ontwikkeling is dus gepaard gegaan met een flinke daling van de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen, van boven de 70 procent in 1978 naar 54 procent in 2010. En uit onderzoek van het CPB blijkt dat de opkomst na fusies of herindelingen flink lager is dan daarvoor.

Dat wijst dus op een oorzakelijk verband: hoe groter de gemeenten, hoe lager de opkomst. Daarmee komt ook overeen dat de daling bij de gemeenteraadsverkiezingen sneller verloopt dan bij de Tweede Kamerverkiezingen in dezelfde periode. Creëren we met al die fusies en herindelingen niet een democratisch gat in de lokale politiek dat veel ernstiger is dan dat raadsleden het moeilijker vinden om het beleid te beïnvloeden?

Want die raadsleden kunnen daar natuurlijk veel aan doen. Ze kunnen hun wethouders van te voren duidelijk instrueren en grenzen aangeven, waarbinnen de samenwerking zich moet afspelen. En naderhand kunnen ze de samenwerking evalueren, bijstellen en eventueel opzeggen of zich bij een andere samenwerking aansluiten. Immers, de raad is en blijft het hoogste orgaan in de gemeente. Zo kunnen ze door de tijd heen en met wat trial and error op zoek naar de optimale schaalgrootte en samenstelling van die samenwerkingsverbanden. Met het grote voordeel dat ze over de lokale kennis beschikken die daar voor nodig is.

Terwijl die lage opkomst bij de verkiezingen toch echt op een groot probleem wijst. De betrokkenheid bij de lokale democratie is een groot goed. Mensen leren van nabij hoe de democratie werkt, hoe ze invloed kunnen uitoefenen en dat ze soms geen gelijk krijgen. Burgerschapsvorming in het echte leven.

Merkwaardig dat elke aandacht daarvoor ontbreekt in een hoofdredactioneel commentaar in een grote landelijke krant. Denkt ook de journalistiek al zo bestuurlijk dat ze bij democratie niet op het idee komen om stil te staan bij de rol van de burgers?

Zie eerder ook Hoe groter de gemeenten, hoe groter de vraag naar meer lokale democratie en Weer tien gemeenten minder - Is Nederland bestuurlijk gidsland?

zondag 18 januari 2015

Zondagochtendmuziek - J. S. Bach - "Ich will den Kreuzstab gerne tragen", BWV 56 (Ton Koopman)

Vrijdagavond voerde de Nederlandse Bachvereniging o.l.v. Fabio Bonizzoni in de Grote Zaal van Tivoli/Vredenburg drie Bach-cantates uit. Waaronder Ich will den Kreuzstab gerne tragen, BWV 56.

Die werd voor het eerst uitgevoerd op 27 oktober 1726. In de Thomaskirche in Leipzig. Dus ik sloot de ogen en stelde me voor daar even terug te zijn.

Het kan zijn dat Bach bij die eerste uitvoering zelf de prachtige, en moeilijke, baspartij zong. Agnes van der Horst haalt in het programmaboekje dit citaat aan van de Duitse bas-bariton en Bachspecialist Klaus Mertens:
Bach was een goede bariton. Verschillende onderzoekers beweren dat Bach veel bas- en baritonpartijen voor zichzelf schreef, en ze ook zelf zong. Dat maakt het nog beter te begrijpen, waarom ze zo moeilijk zijn: maar vooral ook: waarom ze zo mooi zijn. Het is geweldige muziek met prachtige instrumentcombinaties.
Neem die combinatie van bas en hobo. Vrijdag bestaande uit Matthias Winckler (bas) en Martin Stadler (hobo). Prachtig!

Maar hier is Klaus Mertens zelf. En Marcel Ponseele bespeelt de hobo. Met Ton Koopman en het Amsterdams Barokorkest en Koor. (Fabio Bonizzoni is een leerling van Ton Koopmans. Die leermeester-leerling verhouding kan ver gaan, want op sommige gebaren afgaand, dacht je soms even Ton Koopmans daar zelf te zien staan.)

woensdag 14 januari 2015

Europese Hof van Justitie: ECB mag echte centrale bank zijn. Maar moet wel uit de Troika

De Advocaat-Generaal van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg heeft vandaag zijn advies aan het Hof uitgebracht over de vraag of het opkoopprogramma van staatsobligaties door de ECB (Mario Draghi's whatever it takes) verenigbaar is met het mandaat van de bank. Zie hier het persbericht en hier het volledige advies. Die vraag was bij het Hof terechtgekomen doordat het Duitse Constitutionele Hof als zijn oordeel had gegeven dat dit programma niet verenigbaar zou zijn met de Duitse grondwet, maar niettemin de zaak had doorverwezen naar het Europese Hof.

Hoe dat nu verder gaat met dat Duitse Hof is interessant, maar vooraleerst is de boodschap van het Europese Hof, gesteld dat die het advies overneemt, wat eigenlijk altijd gebeurt, overduidelijk: de ECB blijft binnen zijn mandaat met het opkoopprogramma. En dat is belangrijk nieuws.

Want bedenk dat dat opkoopprogramma, of eigenlijk alleen al de aankondiging daarvan, een grote weeffout in het eurozonestelsel herstelde. In dat stelsel was namelijk niet voorzien in een functie als lener in laatste instantie van de ECB. Een functie die alle andere centrale banken wel hebben. En dat had tot gevolg dat na het uitbreken van de financiële crisis de perifere eurozonelanden slachtoffer werden van de financiële markten. Wat er overigens op wijst dat de ontwerpers van de muntunie er toen nog overmoedig van uitgingen dat financiële crisissen voor goed tot het verleden zouden behoren.

De financiële markten gingen namelijk twijfelen aan de kredietwaardigheid van die landen, juist omdat ze niet een eigen centrale bank hadden. Daardoor werden de rentes op de staatsobligaties opgedreven. Landen als Duitsland en Nederland gingen daar van profiteren doordat ze steeds lagere rentes hoefden te betalen. Het geld moet ergens heen. De twijfel van de geldschieters kwam er dus uit voort dat ze er niet als bij andere landen buiten de eurozone op konden rekenen dat er altijd een centrale bank zou zijn die in uiterste nood zou bijspringen.

Dat uiteenlopen van die rentes was een aanwijzing voor die weeffout. En het lag er niet aan dat die perifere landen niet genoeg hervormden, zoals Duitsland en Nederland (Jan Kees de Jager!) voortdurend maar beweerden. Of dat ze allemaal hoge tekorten hadden. Paul de Grauwe vroeg als eerste aandacht voor die weeffout. Zie deze column van hem uit 2012 en zie Oplossing eurocrisis vereist (nog steeds) een echte Europese Centrale Bank - Paul de Grauwe, maar die waarschuwing was er al veel eerder. Vandaar dat Draghi in 2012 aankondigde dat de ECB alles zou doen wat nodig was om de rentes op de staatsobligaties te stabiliseren. Waarmee hij de euro redde.

Tegen de zin van Duitsland. Het land dat achteraf beschouwd de muntunie nooit echt heeft omhelsd. Want de eisen die de Duitsers stelden aan de optuiging van de ECB (alleen prijsstabiliteit) en de begrotingsregels (nooit meer dan 3 procent tekort) die ze hebben doorgedrukt, ontbeerden goede economische onderbouwing. Lees nog eens Vervolgstappen in de ontknoping van het Europese bezuinigingsdrama - Het is de hoogste tijd met dit citaat van Heiner Flassbeck:
Es war eben nicht „ökonomischer Verstand“, sondern mangelnder ökonomischer Verstand auf der deutschen Seite, der den Anfang und das Ende der Geschichte von der Europäischen Währungsunion markiert.
Dat andere landen toch akkoord gingen, moet er weer mee te maken hebben gehad dat ze in de neoliberale roes verkeerden dat financiële crisissen nooit meer zouden optreden. Het zou allemaal wel meevallen. En als het toch verkeerd ging, dan zouden de Duitsers wel bijdraaien.

Maar goed, nu is er dus het oordeel dat het opkopen van staatsobligaties binnen het mandaat van de ECB valt. Bovendien is er een passage in het advies die impliceert dat het Europese Hof van oordeel is dat de opstelling van "Karlsruhe" (het Duitse Constitutionele Hof) in feite niet in overeenstemming is te brengen met het bestaan en het voortbestaan van de muntunie. Een muntunie waarin elk land de vrijheid zou hebben om bij elke maatregel een absoluut voorbehoud te maken, zou immers in de praktijk niets meer voorstellen.

Zal Karlsruhe buigen? Mark Schieritz wijst vandaag op een passage die er op neerkomt dat het Europese Hof het verzoek aan Karlsruhe richt om zich aan Luxemburg te onderwerpen. Dat wordt nog spannend. In de woorden van Schieritz:
Deshalb geht man in Luxemburg davon aus, dass die Richter in Karlsruhe die Entscheidung des EuGH als “maßgeblich erachten” werden. Das ist nichts weniger als die Aufforderung an das BVerfG, sich gefälligst dem europäischen Gericht zu unterwerfen. Man könnte auch sagen: Es ist eine Kriegserklärung. Es wird spannend sein zu sehen, wie die deutschen Richter damit umgehen.
Wat tenslotte vandaag ook nog langs kwam, is de verwijzing (van wie, kan ik niet terugvinden) naar een passage in het persbericht waaruit valt op te maken dat het Europese Hof van oordeel is dat de ECB zich dient te beperken tot de "ondersteuning" van het economische beleid van de lidstaten en dat ze zich dient te onthouden van het aan landen voorschrijven van economische beleidsmaatregelen. Het gaat om deze passage:
However, given the significant role which the ECB plays in financial assistance programmes (design, approval and regular monitoring), its actions might in certain circumstances be perceived as being more than mere “support” for economic policy. Thus, in the event of the OMT programme being implemented, the ECB must, if the programme is to retain its character of a monetary policy measure, refrain from any direct involvement in the financial assistance programme that applies to the State concerned.
Dat zou tenslotte een tweede heel belangrijke beslissing zijn. Want de ECB is zich tot nu toe te buiten gegaan aan het in detail voorschrijven aan landen welke hervormingen ze zouden moeten doorvoeren. Als lid van de Troika, maar ook daarbuiten. Het Hof vindt die handelwijze wel degelijk in strijd met het mandaat van de ECB. Dat zou betekenen dat de ECB de Troika zou moeten verlaten en zich niet meer het recht zou behoren toe te eigenen om aan de nationale politiek voor te schrijven welk economisch beleid er moet worden gevoerd.

Dit heeft vandaag minder aandacht gekregen, maar lijkt mij van groot belang voor de democratie in Europa. Update. Zie nu ook Merijn Knibbe: Has the ECB to leave economic policy to the politicians?

dinsdag 13 januari 2015

Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen?

Ik vroeg me af wat er met sommige jonge mannen aan de hand is dat ze gevaarlijk worden en terreurdaden plegen. Zie het bericht Wat is het onderliggende probleem van terroristische daden? De islam of gevaarlijke jonge mannen? Het vinden van een volledig antwoord zal nog heel wat voeten in de aarde hebben. Maar de column van Paul de Grauwe vandaag lijkt ons een eindje in de goede richting te brengen. Ik waag een poging.

Ons economisch stelsel, het kapitalisme, zo stelt De Grauwe, heeft twee problemen: de ongelijke verdeling van de welvaart en de morele neutraliteit.

Dat eerste probleem brengt met zich mee dat:
Belangrijke delen van de bevolking (...) niet geïntegreerd (raken) en (...) werkloos en arm achter(blijven). Vooral migranten hebben daar last van. Ze komen terecht in een vicieuze cirkel: het systeem respecteert hen niet, en dit leidt dan ook tot een verlies aan zelfrespect en identiteit. Velen gaan dan op zoek naar identiteit en zelfrespect.
Dat zijn maar een paar zinnen, maar er zit een belangrijk sociaalwetenschappelijk inzicht in besloten. Het inzicht namelijk dat mensen niet alleen naar die materiële welvaart streven die het kapitalisme tot stand brengt, maar ook nog naar zaken als "identiteit en zelfrespect".

Door die ongelijkheid roept het kapitalisme een sterke mate van statuscompetitie in het leven. Degenen die in die competitie het onderspit delven, zijn niet alleen materieel arm. Ze ondergaan daarnaast ook de vernedering van het falen. En dat tekortschieten bedreigt hun identiteit en zelfrespect. Dus gaan mensen daarnaar op zoek.

Om te bepalen waar dat toe kan leiden, moeten we stilstaan bij dat tweede probleem, dat van die morele neutraliteit. Paul de Grauwe bedoelt daarmee dat onze maatschappij:
ultratolerant (is) ten aanzien van moraal en godsdienst. Het systeem laat alle visies, opinies en morele normen toe. Ze staat daar volledig onverschillig tegenover.
Bij velen leidt dit tot een reactie van verwerping en een zoektocht naar iets dat houvast biedt.
En daar komen we bij nog iets anders dat mensen klaarblijkelijk nodig hebben: zoiets als een moreel houvast.

Mijn aanvulling zou hier zijn dat het hier in de eerste plaats gaat om individualisme als kernprobleem en dat het gebrek aan moraal en normen daaraan inherent is. Dat zoeken naar een houvast bestaat dan bovenal uit het zoeken naar een sociale context die niet alleen morele richting geeft, maar ook de ervaring van geborgenheid verschaft. Update. Zie het bericht Juist in individualistische cultuur meer geneigdheid tot "eigen volk eerst" voor aanwijzingen dat mensen in een individualistische cultuur ook een triviale kans aangrijpen om een groepsgevoel te kunnen ervaren.

Kortom, wat we nu hebben is een kritiek op het kapitalisme, die stelt dat dit systeem er in tekortschiet om zaken als zelfrespect, moreel houvast en geborgenheid (identiteit) te verschaffen. Die kritiek lijkt sterk op sociaalwetenschappelijke inzichten in de traditie van Emile Durkheim (1858-1917), maar dat terzijde.

Wat zegt dit nu over gevaarlijke jonge mannen en terreurdaden? Om daar terecht te komen, zijn er nog wel wat vervolgstappen nodig. In de eerste plaats misschien de stap dat het vooral jongeren zijn die van deze problemen te lijden hebben. Want het is precies in hun levensfase dat de statuscompetitie en de sociale context de grote uitdagingen zijn. Aan het begin van een mogelijke loopbaan is de twijfel over succes of falen het grootst. En er is het verlies van de geborgenheid van het ouderlijk gezin en schoolvrienden, terwijl een nieuwe sociale context er nog niet hoeft te zijn.

Vervolgens de stap dat dat deze uitdagingen voor jonge mannen groter zijn dan voor vrouwen. Dat zou er mee te maken kunnen hebben dat mannen gemiddeld genomen meer geneigd zijn tot statuscompetitief gedrag en dat falen voor hen dus zwaarder weegt dan voor vrouwen. Daarvoor zijn aanwijzingen, maar die zou ik moeten opzoeken.

Oké, maar niet alle jonge mannen plegen terreurdaden. Waarom sommigen wel en anderen niet? Allereerst: er zijn natuurlijk veel jongeren die behoorlijk goed slagen in de statuscompetitie en in het vinden van voldoende geborgenheid in nieuwe sociale kringen. Zij bewandelen keurig het legitieme pad.

Voor anderen begint het duidelijk te worden dat die weg geen succes te bieden heeft. Dat kan er toe leiden dat illegitieme middelen gekozen gaan worden om een legitiem doel, materieel succes, te bereiken. Dat is de verklaring door de zogenaamde anomietheorie van de oververtegenwoordiging van jongeren in de misdaadstatistieken. (Die trouwens teruggaat naar diezelfde Durkheim.)

Maar er kunnen zich ook andere mogelijkheden aandienen, die minder uitsluitend op het materiële vlak liggen. De sociale context van een godsdienst of van nationalisme. Of van racisme. Of die van een zelfverzonnen "broederschap", zoals bij Anders Breivik het geval was.

En dan zijn we bij de laatste stappen aangeland. Want ergens moet die gewelddadigheid vandaan komen. En dan komen we waarschijnlijk terecht bij persoonlijkheidskenmerken als narcisme en sociale dominantie. Als je toch al meer narcistisch bent, dan moet het besef van falen in de statuscompetitie onverdraaglijk zijn. En de behoefte aan een sociale kring waarin anderen je bevestigen, wordt dan allesoverheersend.

Maar bovendien is een extreme reactie te verwachten op alles wat het bestaan van die kring bedreigt. Elke bedreiging is een bedreiging van het kwetsbare, maar tegelijk grandioze, zelfbeeld van de narcist. Die eigen, nieuw gevonden, kring van gelijkgezinden is bovendien de ideale voedingsbodem voor collectief narcisme en sociale dominantie. De eigen identiteit is zozeer met die kring verbonden, dat individueel lot en gezamenlijk lot niet meer zijn te onderscheiden. Wat de groep bedreigt, is een bedreiging van het grandioze zelfbeeld en dient dus te worden verwijderd of vernietigd. Zie ter aanvulling ook PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme en Zijn familiedrama's en schietpartijen een sociaal-wetenschappelijk probleem? Over maatschappij-verandering!

Deze schets van een mogelijke verklaring maakt, als hij wat waard is, in ieder geval duidelijk dat er verschillende verklarende "factoren" zijn die samen tot het eindresultaat leiden. Het is dus niet verstandig er één factor uit te lichten (godsdienst, islam, kapitalisme, ongelijkheid) en die tot de oorzaak uit te roepen.
Update. Zie nu ook het artikel Crisis in France Is Seen as Sign of Chronic Ills in de New York Times, dat ingaat op de grote problemen in de Franse voorsteden op het gebied van werk, opleiding en sociale uitsluiting.
Update. En zie (met dank aan Thomas Vanheste): Perspectives against extremism.

donderdag 8 januari 2015

Wat is het onderliggende probleem van terroristische daden? De islam of gevaarlijke jonge mannen?

De drie verdachten van de vreselijke aanslag gisteren op de redactie van het satirische weekblad Charlie Hebdo in Parijs zijn jonge mannen. Twee van hen zijn broers van 32 en 34 jaar oud, van Algerijnse afkomst, geboren in Parijs. Ze schijnen niet godsdienstig te zijn opgevoed, een van hen is opgegroeid in een weeshuis. De 18-jarige derde verdachte is een zwager van een van de beide broers. Hij schijnt een alibi te hebben.

Een van de twee broers is in 2005 opgepakt toen hij naar Syrië wilde vertrekken, wat toen voor jihadisten de doorgang was naar Irak om daar tegen de Amerikanen te vechten. Hij werd in 2008 veroordeeld tot drie jaar cel, waarvan 18 maanden met uitstel, voor zijn betrokkenheid bij het ronselen van jonge strijders voor de oorlog in Irak. De daders moeten ‘Allah Akhbar’ hebben geroepen en een van hen riep ‘we nemen wraak voor de profeet’. Zie dit bericht in De Volkskrant en dit bericht in De Standaard.

Wat blijft er bij je hangen als je deze twee alinea's hebt gelezen? Dat het om een door de islam geïnspireerde aanslag ging? Of dat het om drie jonge mannen ging?

De kans is groot dat vooral dat eerste is blijven hangen.

En dat wijst op een belangrijk probleem. Want het zou goed kunnen zijn dat het feit dat het om drie jonge mannen ging, meer informatie verschaft die relevant is voor het vinden van een verklaring voor zulke daden, dan het feit dat ze door de islam waren geïnspireerd.

Ik stond daar bij stil toen ik vanochtend ook de column Is Islam to Blame for the Shooting at Charlie Hebdo in Paris? van Nicolas Kristof las in The New York Times.

Kristof wijst er op dat er zeker veel aanslagen uit naam van de islam worden gepleegd. Maar de overweldigend grote meerderheid van de 1,6 miljard aanhangers van de islam heeft met zulke aanslagen niets te maken, behalve dan dat ze er buitenproportioneel slachtoffer van zijn. Kristof meldt dat er gisteren ook in het islamitische Jemen een aanslag plaatsvond, vermoedelijk door Al Qaeda, met 37 slachtoffers. Hij drukt ons daarom op het hart:
The great divide is not between faiths. Rather it is between terrorists and moderates, between those who are tolerant and those who “otherize.”
En:
Let’s stand with Charlie Hebdo, for the global outpouring of support has been inspiring. Let’s denounce terrorism, oppression and misogyny in the Islamic world — and everywhere else. But let’s be careful not to respond to terrorists’ intolerance with our own.
Als we dit soort aanslagen uit de wereld willen helpen, dan is het denk ik verstandiger om er bij stil te staan dat het meestal om jonge mannen gaat die zulke gewelddaden plegen, gevaarlijke jonge mannen. In plaats van er een godsdienststrijd van te maken. Maar dat laatste ligt op de loer.

Om dat te illustreren: toevallig verscheen vandaag ook dit bericht Muslims and Latinos much more prominent in TV crime news than in real-life crime. Het verwijst naar het onderzoek The Changing Misrepresentation of Race and Crime on Network and Cable News. De onderzoekers analyseerden de nieuwsprogramma's van de nationale televisiezenders op de berichtgeving over terroristische aanslagen in de Verenigde Staten tussen 2008 en 2012.

In die berichtgeving waren de daders in 81 procent van de gevallen identificeerbaar als moslim. Toen keken ze ook naar de FBI-rapporten over dezelfde periode en ontdekten dat slechts 6 procent van de binnenlandse verdachten van terreurdaden moslim waren.

Travis Dickson, een van de onderzoekers, geeft als commentaar dat terrorisme op Amerikaans grondgebied bovenal een zaak is van "white supremacists". Supremacisme is vergelijkbaar met sociale dominantie, het geloof in het superieur zijn van de eigen groep en het daarmee gepaard gaande neerkijken op andere groepen. Zie ook mijn berichten Over Sociale Dominantie en "In Rotterdam spreken we Nederlands" en PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme. Verontrustend dat het beeld dat de Amerikaanse media aan de Amerikanen voorhouden zo extreem van de werkelijkheid afwijkt. Update. Lees nu ook It's not just Fox News: Islamophobia on cable news is out of control. En huiver.

Dat slaat op Amerika, Ik weet niet wat zo'n onderzoek in Europa zou opleveren. Maar denk aan de serie moorden op Turkse Duitsers door de National-Sozialistische Untergrund (NSU), waaraan naast de twee jongemannen Uwe Böhnhardt en Uwe Mundlos ook een jonge vrouw, Beate Zschäpe, deelnam. De twee jongemannen pleegden zelfmoord. Het proces tegen Beate Zschäpe loopt nog steeds. Spiegelonline zet de gebeurtenissen op een rij.

En denk aan Anders Breivik, die in 2011 in Oslo een bloedbad aanrichtte onder aanhangers van de Noorse socialistische partij. Over hem schreef Åsne Seierstad een lijvig boek, Een van ons, voor het lezen waarvan ik nog niet de moed gevonden heb. In een interview trekt Seierstad een vergelijking met de Westeuropese Syriëgangers, die veelzeggend is:
“Er zijn veel overeenkomsten. Het is vreemd: in het geval van Breivik hebben we de neiging om te gaan psychologiseren: hoe kwam hij tot zijn daad? Bij de jonge moslims die naar Syrië en Irak gaan doen we dat niet, dan vinden we hun geloof of hun aandrang tot terrorisme kennelijk afdoende verklaring."
"Maar dat klopt niet. Jonge moslims in Noorwegen zijn vaak slecht geïntegreerd, ze doen het matig op school, hebben een moeizame relatie met hun ouders, en willen dolgraag ergens bij horen. Precies hetzelfde zagen we bij Breivik. Die werd overal afgewezen en verzon uiteindelijk een soort eigen rechts-extremistische leger, een broederschap."

"Naar zo’n broederschap zijn de Syriëgangers ook op zoek. De gelijkenissen zijn opvallend. Breivik had zelfs plannen om de voormalige premier van Noorwegen, Gro Harlem Brundlandt, te onthoofden."
Het probleem van al die terreurdaden is dus veel meer een probleem van gevaarlijke jonge mannen, dan van godsdienststrijd. Het lijkt dus urgent om meer te weten te komen over wat er met die jongemannen aan de hand is en over de de omstandigheden waaronder ze tot zulke daden komen. Maar eens op zoek naar wat daarover bekend is. Update. Lees ook het vervolg op dit bericht: Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen?
Update. Zie vandaag ook de reactie van Yde van de Burgh.
Update 9/1. En zie ook After Charlie Hebdo: Muslims in France. Only a handful of French Muslims are violent extremists

Hoe groter de gemeenten, hoe groter de vraag naar meer lokale democratie

Dit is een vervolg op het bericht Weer tien gemeenten minder - Is Nederland bestuurlijk gidsland? van drie dagen geleden. Daar voor zijn er twee aanleidingen.

De eerste is dat Corine Hoeben, van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), mij opmerkzaam maakte (zie de link opmerkingen onderaan dat bericht) op onderzoek van het CPB waaruit blijkt dat de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen na fusies van gemeenten flink lager is dan daarvoor. Dit verschil blijft 7-8 jaar na de fusie bestaan. Dat bevestigt het vermoeden dat fusies van gemeenten, en meer in het algemeen, de ontwikkeling naar steeds grotere gemeenten, slecht is voor de betrokkenheid bij de lokale politiek. En dus slecht voor de lokale democratie.

Het CPB wijst overigens wel op een complicerende factor. Als je namelijk de opkomstpercentages naar gemeentegrootte vergelijkt, dan is dat percentage in grotere gemeenten niet alleen lager bij gemeenteraadsverkiezingen, maar ook bij verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede Kamer. Het verschil zal dus ook te maken hebben met andere verschillen tussen grotere en kleinere gemeenten dan de betrokkenheid bij de lokale politiek. Als je aanneemt dat geringe betrokkenheid bij de lokale democratie niet automatisch samengaat met geringe betrokkenheid bij de landelijke democratie. Een ander verschil kan zijn dat de bevolkingssamenstelling van grotere gemeenten, en dat zijn vooral de grote steden, sociaal-economisch verschilt van die van kleinere.

Maar dat neemt dus niet weg dat die afname van opkomstpercentages na fusies wijst op een oorzakelijk verband tussen gemeentegrootte en betrokkenheid bij de lokale politiek. Als je gemeenten groter maakt, neemt de betrokkenheid af.

Dat spoort met de historische ontwikkeling van de opkomstpercentages. Uit de figuur blijkt niet alleen dat sinds 1978 de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen altijd zo'n 15 procent lager ligt dan bij Tweede Kamerverkiezingen, maar bovendien dat dit verschil groter wordt. Omdat in diezelfde periode gemeenten groter zijn geworden, zou je dat dus ook verwachten.

Overigens blijft natuurlijk de vraag boven de markt hangen waardoor dat verschil überhaupt bestaat? Zou het er aan kunnen liggen dat onze gemeenten al te groot zijn geworden? Ik zou benieuwd zijn naar een vergelijking met andere landen. Als zou blijken dat in de andere Europese landen, met gemiddeld veel kleinere gemeenten, de opkomstpercentages bij gemeenteraadsverkiezingen hoger zijn, dan valt daar een les uit te trekken.

De tweede aanleiding om op dat eerdere bericht terug te komen, is dat ik dat bericht besloot met te herinneren aan de aankondiging van minister Plasterk in het voorjaar van 2013 dat hij met gemeenten in overleg zou gaan over de instelling van wijk- en dorpsraden. Dat was een aanwijzing dat de minister zich ook zorgen maakt over de lokale democratie. De negatieve ontwikkeling van steeds maar grotere gemeenten zou je immers kunnen tegengaan door wijk- en dorpsraden in te stellen en die ook bevoegdheden te geven. Maar ik verzuchtte dat we nu twee jaar verder zijn en dat ik er nog niet veel van gemerkt had.

Maar ziedaar, ik wordt op mijn wenken bediend. Vanochtend stuurt de minister de nota Vitale lokale democratie: Richting en ruimte voor verandering (pdf) naar de Tweede Kamer. Hij kondigt daarin een wet aan die experimenten met lokale democratie mogelijk moeten maken. Hij wil initiatieven die al her en der in het land genomen worden om buurtbewoners formele buurtrechten te geven, wettelijk mogelijk maken en ondersteunen.

Het gaat om zaken als het recht van een buurtcollectief om mee te doen in aanbestedingen, het recht om als eerste te mogen bieden op land of vastgoed dat te koop komt in de buurt, of het recht om een plan voor buurtontwikkeling te maken.

Een waardevolle ontwikkeling. Zie ook mijn eerdere berichten Nieuwe stap in richting buurtzelfbeheer - pleidooi voor buurtrechten van PvdA-Kamerlid Grace Tanamal en Wanneer is buurtzelfbeheer succesvol? Over mandeligheid, zelforganisatie en de participatiesamenleving.

En zie het vervolg op dit bericht: Wat is het echte gat in de lokale democratie?

dinsdag 6 januari 2015

Veel praten met kinderen is beter voor hun ontwikkeling dan veel voorlezen

Kinderen veel voorlezen is goed voor hun ontwikkeling, dat weten we. Maar nu blijkt dat veel tegen kinderen praten nog beter is. Dat is de uitkomst van de studie Does reading to infants benefit their cognitive development at 9-months-old? An investigation using a large birth cohort survey (betaalpoort).

De Ierse onderzoekers ondervroegen een representatieve steekproef van ouders van 9 maanden oude kinderen. De opzet van het onderzoek was om te kijken of het klopt dat veel voorlezen goed is voor de ontwikkeling van kinderen. Maar als vergelijking werd de moeder o.a. ook gevraagd naar hoe veel ze tegen het kind praatte terwijl ze met andere dingen bezig was, zoals met het huishouden.

Het blijkt dan dat zowel voorlezen als praten positief samenhangen met communicatie- en probleemoplossingsvaardigheden van het kind. Maar verrassend was dat praten flink meer bijdroeg aan die vaardigheden dan voorlezen.

Om wat voor vaardigheden ging het precies? Daarvoor moet je te rade gaan bij de Ages and Stages Questionnaire.  Bij communicatie gaat het bijvoorbeeld om geluidjes maken (da, ga, ka, ba), hetzelfde geluidje herhalen als iemand dat heeft gemaakt, een spelletje als kiekeboe kunnen spelen en opdrachten zoals "Kom eens hier" kunnen uitvoeren. En bij probleemoplossing om vaardigheden als een speeltje van de ene hand naar de andere brengen, twee speeltjes kunnen oppakken, in elke hand een, en vasthouden, en proberen om een lekkernij uit een fles te bemachtigen.

Doordat de onderzoekers allerlei controlevariabelen meenamen, kunnen ze aannemelijk maken dat het verband ook inderdaad oorzakelijk is. Dus dat het meer voorlezen, maar vooral dus het meer praten, bijdroeg aan de ontwikkeling van die vaardigheden. Bijvoorbeeld: de ontwikkeling gaat sneller bij borstvoeding en niet te vroeg geboren zijn. Dat zou kunnen betekenen dat de kinderen die borstvoeding kregen en niet te vroeg geboren waren, zich sneller ontwikkelden en daardoor meer voorlezen en praten van de ouders uitlokten. Maar de verbanden bleven bestaan bij statistische controle.

Veel met taal in aanraking komen doordat er veel met je gepraat wordt, blijkt dus belangrijker dan voorlezen. Hoe dat komt? De onderzoekers suggereren dat het er aan ligt dat dat praten meer gebeurt en betrekking heeft op de wereld om je heen. Verwijzingen in taal naar wat er echt om je heen is en gebeurt, dringen waarschijnlijk meer door en beklijven meer dan naar een abstracte wereld van een verhaal. Ook als dat met plaatjes wordt ondersteund. De wereld om je heen is nu eenmaal echter dan de wereld van een plaatje. Dit zou overeenkomen met de ideeën van de leertheoreticus Vygotsky (zie bijvoorbeeld hier).

Als dat praten zo belangrijk is, dan verwacht je dat het meer meemaken dat anderen dan je eigen moeder tegen je praten, ook bevorderlijk is voor de ontwikkeling van die communicatieve en oplossingsvaardigheden. Wat dit onderzoek daarover kan zeggen is niet eenduidig. Meer oppas door familie, zoals door grootouders, blijkt significant bij te dragen aan de communicatieve vaardigheden. Wat dus sterk pleit voor het terugdringen van het sociale isolement van gezinnen.

Maar meer formele kinderopvang gaat juist ten koste van die vaardigheden. Dat komt overeen met het vermoeden dat er op de crèche misschien niet zoveel tijd is om met elk kind te praten.

En je zou verwachten dat het hebben van meer oudere broers en zussen een gunstig effect heeft. Maar dat blijkt juist negatief uit te werken. En dat is wel verrassend.

Bij dat alles moeten we bedenken dat de ontwikkeling van kinderen natuurlijk meer omvat dan precies die vaardigheden waar het in dit onderzoek om gaat.

Update. Toevallig is er vandaag ook het artikel The Talking Cure van Margaret Talbot in The New Yorker over programma's in de Verenigde Staten om te bevorderen dat armere en lager opgeleide ouders meer met hun kinderen praten. Het schijnt inderdaad zo te zijn dat rijkere en hoger opgeleide ouders dat meer doen. In dat Ierse onderzoek hierboven was dat ook het geval, zij het dat er in de regionen van de hoogste opleiding weer minder gepraat werd. Overigens meldt Talbot dat de kans op praten met de kinderen sterk stijgt als de televisie uit staat.

maandag 5 januari 2015

Weer tien gemeenten minder - Is Nederland bestuurlijk gidsland?

Het CBS meldt vandaag dat we per 1 januari weer tien gemeenten minder hebben. Zie CBS: Per 1 januari 2015 393 gemeenten. Zestien gemeenten zijn zodanig heringedeeld dat er tien zijn overgebleven.

De bestuurlijke schaalvergroting gaat door. Zie het bericht Dit jaar weer minder gemeenten in Nederland. Moet dat? van twee jaar geleden. In de grafiek van het aantal gemeenten sinds 1915 zie je de bestuurlijke schaalvergroting afgebeeld. Vooral na ongeveer 1960 is de ontwikkeling snel gegaan.
Aantal gemeenten 1915–2015
Is dit een gunstige ontwikkeling? Is Nederland in Europa op bestuurlijk vlak gidsland? Dat kun je je afvragen, want het gemiddelde inwonertal per gemeente in ons land ligt vele malen hoger dan in de andere Europese landen.

Bestuurlijke schaalvergroting kan natuurlijk wenselijk zijn als als gemeenten daardoor efficiënter kunnen werken en als de kwaliteit van de geleverde diensten er door toeneemt. Anderzijds kunnen gemeenten ook de optimale schaalgrootte voorbij schieten, waardoor de organisatie- en afstemmingskosten zwaarder gaan wegen. Er zijn aanwijzingen, zie dat bericht waar ik hierboven naar link, dat fusering van gemeenten niet tot kostenbesparingen heeft geleid.

Misschien slaan we in ons land dus door met die bestuurlijke schaalvergroting. Zie ook de berichten Is samenwerken tussen gemeenten niet beter dan fuseren? - Negen gemeenten helpen samen werklozen aan de bak en Laat gemeenten samenwerken in plaats van bestuurlijke herindeling - Veel beter!

Want naast het argument van efficiënt bestuur bestaat ook nog de zorg over de lokale democratie. Ik citeer even mezelf:
Hoe minder gemeenten en hoe groter, hoe minder mensen dat lokale bestuur nodig heeft voor gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders. Stel dat we nog 1200 gemeentes hadden. De kans dat een willekeurige burger dan een gemeenteraadslid zou zijn of een wethouder, was dan flink groter dan hij nu is. Of de kans dat je als willekeurige burger een gemeenteraadslid persoonlijk zou kennen, zou veel groter zijn. Anders gezegd: die schaalvergroting vergroot de afstand tussen lokale politiek en burgers. En dat vermindert de betrokkenheid bij het lokale bestuur en dus de mate van democratie.
En is die betrokkenheid van burgers bij het lokale bestuur ook niet van groot belang? Ik zou denken van wel.

Maar dat probleem zou je natuurlijk kunnen oplossen door gemeenten taken te laten overdragen aan wijk- en dorpsraden. Dat zou een goed idee zijn.

Maar wacht, dat plan is er al! Al in het voorjaar van 2013 kondigde minister Plasterk aan dat het kabinet met de gemeenten in overleg zou gaan over de instelling van wijk- en dorpsraden. En er zou een handreiking komen over hoe dat zou kunnen gebeuren. Zie het bericht Lokale democratie versterken door dorps- en wijkraden - Een interessante passage in nota van minister Plasterk.

We zijn nu bijna twee jaar verder en als daar iets van terechtgekomen is, dan is dat mij niet opgevallen. Update. Zie nu ook het vervolgbericht Hoe groter de gemeenten, hoe groter de vraag naar meer lokale democratie.

zondag 4 januari 2015

Zondagochtendmuziek - Elephant Revival - full set WinterWonderGrass Avon, CO 2-23-14 SBD HD tr...

Vandaag nog eens Elephant Revival. Omdat het zo mooi is. Nu in de kou op het WinterWonderGrass Festival in Avon, Colorado, bijna een jaar geleden. Bijna anderhalf uur lang.

Zo nu en dan een stukje kijken. Word je vrolijk van.

zaterdag 3 januari 2015

Een verbod kan effectief zijn, ook zonder (extra) handhaving - kijk maar naar het vuurwerkverbod

Heeft het vuurwerkverbod gewerkt?

Ja, daar lijkt het op. Metingen van Sensornet wijzen uit dat het geluidsdrukniveau (decibel) pas na 18:00 uur echt boven de grens 'zeer lawaaiig' uitkwam. De metingen werden gedaan op 200 plekken verspreid over het land. Ter illustratie het plaatje voor straten in Nijmegen en Pijnacker.

De Volkskrant concludeert:
Uit de metingen van Sensornet blijkt dat het op oudejaarsdag tot 18 uur vrij rustig was. Vanaf dat moment liep het gemiddeld geluidsdrukniveau (decibel) langzaam op, met een piek om twaalf uur. Vanaf 01.00 uur zakte het gemiddeld geluidsniveau snel in. 'De resultaten laten duidelijk zien dat vrijwel iedereen zich aan de nieuwe regels heeft gehouden', aldus Ron Maas van Sensornet.
Natuurlijk zou je willen vergelijken met zulke metingen van vorig jaar, om echte conclusies te kunnen trekken. Maar kennelijk zijn die toen niet uitgevoerd.

Niettemin dringt de indruk zich op dat in ieder geval overdag tot zes uur er minder knalvuurwerk is afgestoken. En dat is een grote vooruitgang. Zie mijn eerdere berichten Vuurwerkverbod wenselijk? Daar valt veel voor te zeggen en Verbieden en ontmoedigen - rookverbod en vuurwerkverbod.

Het was wel spannend of dit verbod zou werken (zie Gaat het vuurwerkverbod werken?), omdat de politie had aangekondigd aan de handhaving er van geen extra prioriteit te geven. Dat kon worden opgevat als een uitnodiging om je er maar niet teveel van aan te trekken. 

Dat desondanks het verbod aardig lijkt te zijn nageleefd, pleit voor mijn argument dat invoering van een verbod, naast bestuurlijke, ook sociale effecten heeft. Het maakt het voor ouders gemakkelijker om hun zoontjes te verbieden om overdag met rotjes de straat op te gaan. En het maakt het voor buurtbewoners gemakkelijker om er wat van te zeggen.

Want je hebt het meest voor de hand liggende argument dat er maar kan zijn: Jongens, het mag niet. Ik verwachtte dan ook dat zulke sociale mechanismen er voor zouden zorgen dat het tot zes uur redelijk rustig zou blijven. En dat is dus uitgekomen.

Dat het gemakkelijker is om er wat van te zeggen, ervoer ik zelf. Want toen ik op oudejaarsdag om een uur of twaalf naar de supermarkt fietste, klonken er vanuit een zijstraat flinke knallen. Ik deed toen wat ik vorig jaar niet gedaan zou hebben: ik fietste er naar toe. En in mijn rol van vriendelijke oudere heer zei ik er wat van. 

Het ging om drie jongens van een jaar of veertien. "Maar jongens, jullie weten toch wel dat het pas om zes uur mag?" Ze keken me bedremmeld aan en zwegen. Ik probeerde een vaderlijke toon: "Om zes uur mag het en dan mag je ook heel veel afsteken. Oké?" Het bleef even stil en toen antwoordde er een van hen: "Oké, meneer".

"Veel plezier vanavond", voegde ik er nog aan toe en vervolgde toen mijn weg naar de supermarkt. Eerlijk gezegd, met enige voldoening, hoewel ik natuurlijk niet wist of mijn "interventie" ook een langer durend effect zou hebben.

Maar daar ging het ook niet om. Het verschil met vorig jaar was dat ik nu eenvoudig kon zeggen "Jongens, het mag niet" en er daardoor wel iets van zei, terwijl ik dat vorig jaar niet had gedaan. En dat zou wel eens voor meer mensen hebben kunnen gelden. 

Een verbod heeft dus ook sociale gevolgen. En de mate van naleving er van is dus niet alleen afhankelijk van handhaving door de politie. 

En dat bevestigt dat je naar de vraag of je iets moet verbieden of niet, niet alleen met een bestuurlijke blik, maar ook met een sociaalwetenschappelijke blik moet kijken.