woensdag 29 juni 2016

Geloof in de enige God als bescherming tegen bestaansonzekerheid - Een biologische antropologie van de Bijbel - 12

Ga er even voor zitten en probeer je eens echt voor te stellen hoe mensen de overgang van jagen-verzamelen naar de landbouwsamenleving beleefd moeten hebben.

Hoe zo? Was dat dan zo ingrijpend?

Ja, dat was het zeker. Het was, om met Jared Diamond te spreken, de grootste vergissing die de mensheid gemaakt heeft. Want wat waren de gevolgen?

Door permanente vestiging en eigendom ontstonden maatschappelijke en sekse-ongelijkheid, conflicten en oorlogen. Door het zich blijvend vestigen ontstonden problemen op het vlak van hygiëne en een grotere vatbaarheid voor besmettingsziektes. Dat werd versterkt door het dicht opeen gaan wonen met huisdieren en vee.

En het leven van de opbrengsten van landbouw leidde weliswaar tot door de tijd genomen hogere gemiddelde opbrengsten per eenheid arbeid, maar oogsten konden ook mislukken. Plots konden hongersnoden ontstaan.

Door de overgang naar landbouw leerde de mensheid voor het eerst rampen en catastrofes kennen. Grote delen van de bevolking konden door een epidemie of een hongersnood of een inval van vijanden weggevaagd worden. Of konden tot slaven worden gemaakt. Nogmaals, ga er voor zitten en stel je voor hoe overlevenden dat moeten hebben ervaren.

De menselijke behoefte om verklaringen te zoeken, zeker voor iets dat nieuw en onbekend is, ligt aan de bron van het ontstaan van de wereldgodsdiensten ten tijde van de landbouwrevolutie. En aan de bron van de Bijbelverhalen, zoals uiteengezet door Carel van Schaik en Kai Michel in Het Oerboek van de Mens. De evolutie en de Bijbel. Zie hier voor het vorige bericht in deze reeks.

In hoofdstuk 7 (Mozes: Gods wil wordt wet) gaan Van Schaik en Michel in op "de overvloed aan wetten, regels, aanwijzingen" in de vier Mozes-boeken. Waar kwamen al die wetten vandaan? Waarom?

Ze kwamen er uit voort dat mensen in hun wanhoop niet in staat waren om een andere verklaring voor die rampen en catastrofes te vinden dan dat iemand, een naar de menselijke psychologie gemodelleerd opperwezen, door menselijke misstappen ontstemd was geraakt. Rampen en catastrofes waren straffen:
Wat de Thora ons voorschotelt berust op een simpele vooronderstelling: als een catastrofe of een ziekte een straf is van God, moet daar ook een misstap van een mens aan vooraf zijn gegaan. Niemand straft zonder dat daar een reden voor is. Het gaat er om die reden te ontdekken teneinde te verhinderen dat God opnieuw getart wordt.
Bovendien nam daarmee de behoefte toe aan een opperwezen als enige God. Het geloof in één God maakte het immers makkelijker om zijn beweegredenen te doorgronden. Met een heel leger van goden was dat veel te ingewikkeld. Tegelijk maakte de omvang van de rampen en catastrofes die ene God tot ene wel heel grote en machtige.

En daardoor ontstonden de wetten van de eerste categorie, die van de bescherming tegen onderling geweld ("Heb uw naasten lief"), van de tweede categorie, bescherming tegen ziektes, van de derde categorie, bescherming van Gods ordening, van de vierde categorie, bescherming tegen het ongewisse, en van de vijfde categorie, die van de offerpraktijken.

Er valt natuurlijk veel meer over te zeggen, maar mij viel in dat in feite met de overgang naar de landbouwsamenleving het probleem van de bestaansonzekerheid de mensheidsgeschiedenis binnenkomt. En dat misschien vanaf dat moment het overgrote deel van alle menselijke individuele en collectieve inspanningen er op gericht is om die bestaansonzekerheid terug te dringen. Om die ene grote vergissing maar weer zoveel als mogelijk te herstellen.

Toegegeven, het is een flinke sprong, maar wat dat aangaat staat die discussie over morele intuïties en het basisinkomen in een heel lange historische ontwikkeling.

maandag 27 juni 2016

Morele intuïties en het basisinkomen

De roep om een basisinkomen speelt zich af in het publieke domein van een nationale staat. Met de invoering van een basisinkomen zouden we als burgers van een staat elkaar de financiële middelen voor een fatsoenlijk bestaan garanderen.

Als je je afvraagt of daar een moreel draagvlak voor is, dan kom je tot het besef dat onze morele intuïties niet gegarandeerd dezelfde richting uitwijzen.

Enerzijds is er de intuïtie, het gevoel, dat er tegenover een recht ook een plicht moet staan. "Wie niet werkt, zal ook niet eten." We zijn bereid om met zijn allen, dus als overheid, aansprakelijk te zijn "voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van iedereen", maar daar moet wel tegenover staan dat iedereen "zelf al het mogelijke doet om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen" (citaten uit Is er een moreel draagvlak voor het basisinkomen?).

Dus hoort tegenover het recht op een bijstandsuitkering de plicht te staan om je in te spannen om werk te vinden. Of zelfs de plicht om een tegenprestatie te leveren, zoals wij die nu in ons land kennen.

Maar anderzijds is er ook de intuïtie, het gevoel, dat in ons land niemand onder het bestaansminimum mag vallen. Een gevoel dat een uitdrukking heeft gevonden in de opvatting van het College voor de Rechten van de Mens dat het bij wijze van sanctie korten op de bijstandsuitkering in strijd kan zijn met de mensenrechtelijke normen voor een behoorlijke levensstandaard (art. 11 Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten).

Twee morele gevoelens, de ene wijst in de richting van "wie niet werkt, zal ook niet eten" (geen basisinkomen) en de ander in de richting van "ieder van ons heeft recht op een behoorlijke levensstandaard" (wel een basisinkomen).

En bij beide gevoelens past morele verontwaardiging. Dat is in het eerste geval de verontwaardiging over "profiteursgedrag". En in het tweede geval de verontwaardiging over de toestand van armoede waarin iemand geduwd wordt.

Het probleem is nu dat in het nadenken of discussiëren over het basisinkomen niet noodzakelijk beide gevoelens op hetzelfde moment beleefd worden. Daardoor kan het gebeuren dat er felle voor- en tegenstanders zijn, niet zozeer doordat ze het oneens zijn, maar doordat hun oordelen op dat moment door het ene dan wel het andere gevoel gestuurd worden.

De paneldiscussie vorige week donderdagavond in De Balie (Ik werk dus ik ben) was een aardige illustratie van dit probleem. Raymond Gradus was in zijn presentatie een uitgesproken tegenstander van het basisinkomen op grond van de morele verontwaardiging over het "profiteursgedrag". Voor degen die er bij waren of de video hebben bekeken: denk aan de dia van de aan het strand van Malibu surfende jongeman, genietend van zijn basisinkomen, dat door ons, belastingbetalers, bijeen was gebracht.

Maar in de paneldiscussie kwam ook dat tweede gevoel aan de orde, het gevoel dat niemand onder het bestaansminimum mag zakken. En de morele verontwaardiging die je zou voelen als dat wel zou gebeuren.

En toen meende ik te zien gebeuren dat Raymond Gradus zich realiseerde dat hij zich in zijn afwijzing van het basisinkomen uitsluitend had laten sturen door de verontwaardiging over het profiteursgedrag. Toen dat tweede gevoel daaraan werd toegevoegd, stelde hij zijn oordeel bij en verklaarde hij in zijn slotwoord dat dat basisinkomen "toch wel ergens aan appelleert". Wat natuurlijk in hem viel te prijzen.

Maar het was dus een mooie illustratie van het gegeven dat ons pakket morele intuïties complex is en ons vaak niet eenduidig één richting uitstuurt. Dat wil zeggen, als we het hele pakket maar tot ons laten doordringen.

zondag 26 juni 2016

Zondagochtendmuziek - Geoffrey Madge - De Kunst van het Luisteren - Mozart - Sonate voor 4 handen - KV 521

Vrijdagmiddag was ik in het onvolprezen Muzieklokaal aan de Bemuurde Weerd Oostzijde in Utrecht bij het vriendenconcert van de onvolprezen Concertzender. Geoffrey Madge speelde Bach/Busoni, Mendelssohn, Schubert/Liszt, Liszt, Schumann/Liszt en Maurice Verheul. Wat een mooie middag.

Hier speelt hij samen met Kamelia Miladinova Mozarts pianosonate voor vier handen KV521. Om tussen al die plensbuien in weer gewoon heel vrolijk van te worden.

En: word vriend van de Concertzender! Gewoon doen.

vrijdag 24 juni 2016

Dossier basisinkomen en video Ik werk, dus ik ben

Op Sociaalweb.nl is een dossier basisinkomen samengesteld, waarin de vorige vier berichten op dit blog zijn opgenomen. Zie Dossier basisinkomen.

En de video van de bijeenkomst Ik werk, dus ik ben in De Balie gisteravond is hier te bekijken: Podium / 23 jun 2016 / 20:00 Ik werk dus ik ben. Ik kom nog een keer terug op de discussie.

donderdag 23 juni 2016

Zullen we door het basisinkomen betere keuzes gaan maken over hoeveel we werken?

De vierde en vijfde vraag over het basisinkomen, die ik hier stelde naar aanleiding van Ik werk, dus ik ben, luidden:
Wat zijn de gevolgen als werken een keuze wordt? Is het niet zo dat mensen hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun werk en hun baan? Komt daar wel iets voor in de plaats als je een basisinkomen invoert?
Wat zijn de gevolgen als mensen niet meer zoals nu gedwongen zijn om slecht betaalde banen en/of banen met slechte arbeidsomstandigheden te accepteren? Zal de invoering van het basisinkomen niet een kwaliteitsverhogend effect hebben op het aangeboden werk?
Die vragen hangen met elkaar samen. Het gaat er enerzijds om wat (betaald) werk voor mensen betekent, anders en meer dan dat je er geld mee verdient. Dat behelst overigens meer dan dat je aan je werk, meer of minder, je identiteit ontleent. Het hebben van werk (in plaats van werkloos te zijn) en het werk als bezigheid hebben ook effecten op geluk en welbevinden. Zie Verhoogt werk ons welzijn? Ja en nee, waarover zo meteen meer.

Anderzijds hangt het antwoord op die vraag er natuurlijk mede van af wat het werk te bieden heeft. Van de kwaliteit van de banen en van de arbeidsomstandigheden. En een van de verwachte effecten van invoering van een basisinkomen is dat mensen gemakkelijker een baan kunnen weigeren, waardoor werkgevers er toe aangezet worden om betere banen aan te bieden.

Maar wat weten we van de effecten van werk op geluk en welbevinden?

Allereerst weten we dat het hebben van werk in vergelijking met werkloosheid een grote bijdrage levert aan geluk en welbevinden. Maar dat komt vooral door de grote negatieve effecten van werkloosheid. Zie Het kwaad van werkloosheid. Over prioriteiten van politieke leiders. De ervaring van werkloosheid doet de tevredenheid met het leven ongeveer 2 punten dalen op een schaal van 1-10. Bovendien laat werkloos geweest te zijn een litteken achter. Je houdt er angst en onzekerheid aan over, waardoor het vroegere tevredenheidsniveau niet meer bereikt wordt. En we weten dat werkloosheid van een ouder negatief uitwerkt op de kinderen.

Naast een groot individueel, is werkloosheid ook een maatschappelijk kwaad. Alleen al doordat hoge werkloosheid ook de werkenden ongelukkiger maakt. De vrees voor baanverlies neemt toe en daardoor staan ook de werkenden onzekerder in het leven.

Je kunt een en ander verklaren met behulp van de zelfbeschikkingstheorie van Edward L. Deci en Richard M. Ryan. Volgens die theorie hebben mensen drie basisbehoeften: competentie, autonomie en verbondenheid met anderen. Het hebben van werk betekent dat je iets kunt en dat je in je eigen levensonderhoud kunt voorzien en dat zorgt dus voor competentie en autonomie.

We leven in een maatschappij waarin betaald werk dus van groot belang is voor in ieder geval twee van de drie basisbehoeften.

Maar dit alles betekent bepaald niet dat werk ons zo gelukkig maakt. Het is vooral het schrikbeeld van de werkloosheid dat ons er zo toe aanzet om een baan te hebben, werkzekerheid te hebben en carrière te maken. Dat verklaart ook dat het geluk sterk toeneemt bij werklozen die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Ze zijn dan immers verlost van dat stigma van incompetentie.

Het is misschien vooral dat schrikbeeld dat jong-volwassenen er toe aanzet om zoveel te investeren in opleiding, baan en carrière. Waarna met het ouder worden de opbrengsten van al die inspanningen toch wat blijken tegen te vallen. Neem nu de U-vorm van het geluksniveau gedurende de levensloop. Tot zo ongeveer 40 jaar blijkt de tevredenheid met het leven af te nemen, waarna er weer een toename is. Dat zou kunnen komen doordat we in de eerste helft van ons leven nog teveel verwachten van de opbrengsten van werk en carrière en dat we dat pas later doorkrijgen.

Dat zou goed kloppen met het inzicht van onderzoekers als Easterlin, Layard en Kahneman dat de tevredenheid met ons leven zou toenemen als we minder zouden werken. Want boven een redelijk inkomensniveau maakt meer geld ons niet of nauwelijks duurzaam gelukkiger. En de vrijkomende tijd zouden we goed kunnen besteden aan het onderhouden van sociale contacten, waarvan de bijdrage aan ons geluk groot en wel duurzaam is. Het belang van die basisbehoefte aan verbondenheid met anderen lijken we te onderschatten.

Bij wijze van conclusie: het zou goed kunnen zijn dat de invoering van een basisinkomen een gunstige invloed heeft op onze keuzes met betrekking tot betaald werk en carrière.

woensdag 22 juni 2016

Is er een moreel draagvlak voor het basisinkomen?

Laten we er van uitgaan dat de roep om een basisinkomen vooral een antwoord is op de toegenomen bestaansonzekerheid. En laten we er van uitgaan dat invoering van een basisinkomen economisch gezien niet zo rampzalig zal uitpakken als sommige tegenstanders denken, dus dat het betaalbaar is.

Vragen die zich dan nog wel opdringen, zijn die naar het morele draagvlak voor een basisinkomen en die naar wat het voor mensen betekent als werken (meer) een keuze wordt (denk aan: Ik werk, dus ik ben). Eerst maar die vraag naar dat morele draagvlak.

Het pakket morele intuïties dat in dat verband van belang is, is dat van het samenwerken en delen, waarvan de evolutionaire bron ligt bij de sterke onderlinge afhankelijkheid van de jagers-verzamelaars. Intuïties die samenhangen met inzichten als "we moeten hier samen wat van maken" en "we zijn op elkaar aangewezen".

Als we Jonathan Haidt volgen, dan gaat het om de intuïties van het gemeenschapsgedrag: je hoort voor elkaar te zorgen (of elkaar in ieder geval de ander geen leed berokkenen), je moet eerlijk zijn tegenover elkaar (in ieder geval de ander niet bedriegen), je moet elkaar in elkaars vrijheid laten (in ieder geval niet de ander willen overheersen) en je hoort onderling loyaal te zijn zodat je op elkaar kunt rekenen (in plaats van de ander te verraden en te laten vallen).

Die intuïties leren opgroeiende kinderen aan als de sociale omgeving waarin ze opgroeien maar voldoende overeenkomst vertoont met een gemeenschap. Anders gezegd, als de mensen waartussen we opgroeien maar genoeg volgens deze intuïties handelen, dan nemen wij ze over zoals we ook onze moedertaal aanleren.

So far, so good. Gecompliceerder wordt het als we bedenken dat er naast deze gemeenschapsintuïties ook altijd nog onze neiging tot statuscompetitie bestaat. De neiging dus om anderen te willen overheersen en anderen als concurrenten te zien in de strijd om status en de voordelen die met status samenhangen.

Die complicatie was er ook al in de Paleo Sociale Omgeving van de jagers-verzamelaars. Dat werd toen opgelost door statuscompetitiegedrag en profiteursgedrag collectief de kop in te drukken. Als iemand de baas wilde spelen, meer wilde dan een ander of niet wilde delen, dan werd hem/haar aan het verstand gebracht dat zulks niet werd geaccepteerd.

Daarbij hielp het om verontwaardigd en boos te zijn als zulk gedrag plaats vond. En dat waren precies de voorwaarden waaronder een selectie plaats vond op de neiging om agressief te reageren op al dat gedrag dat met die gemeenschapsmoraliteit in strijd is.

Kortom, tot de morele intuïties van gemeenschapsgedrag behoort ook de emotioneel-agressieve reactie op overtredingen daarvan. We keuren het af als iemand zich oneerlijk gedraagt, meer wil hebben dan anderen en niet zijn bijdrage levert.

Ondertussen zijn we natuurlijk in een gans andere maatschappij beland dan die van de jagers-verzamelaars. Wat doen we dan met die gemeenschapsintuïties, die we altijd nog bij het opgroeien aanleren?

Ze beïnvloeden natuurlijk hoe wij ons in ons persoonlijke leven van dag tot dag opstellen.

Maar we zijn ook allemaal burgers van een nationale staat en dus beïnvloeden ze ook ons politieke denken en handelen. En dat heeft er toe geleid dat algemeen kiesrecht en democratie zich konden ontwikkelen. Met de gedachte dat er op het niveau van een staat een beleid gevoerd zou moeten worden dat iedereen ten goede komt. En zelfs de gedachte dat er op het niveau van de wereldbevolking mensenrechten behoren te worden nageleefd (de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens).

En de geschiedenis leert dat democratieën, als ze niet gekaapt worden door machtige belangengroepen, de neiging hebben zich te ontwikkelen tot verzorgingsstaten. Gemeenschapsintuïties worden dan via het politieke proces omgezet in wetten en regelingen.

Voor ons land is die ontwikkeling in en kort na de Tweede Wereldoorlog mooi beschreven door Ton Kappelhof. Een en ander resulteerde in het rapport van de Commissie-Van Rhijn, waarin de rechtsgrond voor de sociale zekerheid werd omschreven als:
De gemeenschap, georganiseerd in de Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde dat deze leden zelf het mogelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen.
En in die formulering vind je die gemeenschapsintuïties behoorlijk goed terug. We zorgen met zijn allen voor iedereen. Wel onder de voorwaarde dat iedereen ook zichzelf inspant en niet van anderen profiteert.

Dat laatste zou je kunnen opvatten als "Wie niet werkt, zal ook niet eten." En dat zou betekenen dat er voor een onvoorwaardelijk basisinkomen geen rechtsgrond is. Dus geen moreel draagvlak.

Maar is dat wel zo? Ik moest denken aan de recente ontwikkelingen met betrekking tot de positie van bijstandsgerechtigden. Die moeten van de huidige regering een tegenprestatie leveren. En als ze daarin tekort schieten of als ze niet op tijd de juiste informatie hebben verschaft, kunnen ze worden gekort op hun uitkering.

Dit nieuwe regime heeft geleid tot wantoestanden in de behandeling van uitkeringsgerechtigden. Ik schreef daarover op Sociaalweb.nl (zie hier en hier). Niet alleen was die behandeling soms vernederend, ook hadden die kortingen tot gevolg dat mensen onder het bestaansminimum terecht kwamen.

Daarover heeft het College voor de Rechten van de Mens geoordeeld. dat dat bestaansminimum hoort te worden gehandhaafd. En als tegenprestatie werk moeten doen waar anderen voor betaald worden, is in strijd met het beginsel van gelijk loon voor gelijk werk.

Belangrijke oordelen, die inhouden dat je als overheid voorwaarden mag stellen, maar dat je aan het recht op een bestaansminimum en op gelijke behandeling niet mag tornen.

Het lijkt mij dat het College voor de Rechten van de Mens daarmee in feite een concretisering geeft van die gemeenschapsintuïties die de rechtsgrond van de Commissie-Van Rhijn verder invult. Je mag voorwaarden stellen voor de toekenning van bijstand, maar daar zijn grenzen aan. Niemand mag onder het bestaansminimum zakken. Ongelijke behandeling is uit den boze.

Vergis ik me nou als ik denk dat van hieruit de stap naar een (vorm van) basisinkomen niet zo groot meer is?

(De afbeelding toont de vergadering van de VN waarin de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werd aangenomen, Parijs 1948.)

dinsdag 21 juni 2016

Is het basisinkomen betaalbaar?

Om maar met de deur in huis te vallen: ik zou het niet weten. Als je "basisinkomen betaalbaar?" en "basisinkomen onbetaalbaar?" googelt, dan ben je binnen een paar minuten geheel ontregeld.

Dat ligt er deels aan dat er allerlei verschillende varianten van het basisinkomen de ronde doen, met bovendien allerlei verschillende voorstellen voor bijkomende maatregelen. Zo is er de vraag of je alle bestaande uitkeringen en sociale voorzieningen kunt afschaffen of niet. (Mij lijkt van niet.)

Maar daar komt bij dat we vooralsnog maar beperkt zicht hebben op welke effecten invoering van een basisinkomen zal hebben. En op hoe groot die effecten zullen zijn.

Zal het arbeidsaanbod er door afnemen? En heeft dat niet alleen negatieve effecten op de economie, maar ook positieve? Als je bedenkt dat werkenden gelukkiger zijn dan werklozen, maar dat betaald werk als bezigheid tot de minst gewaardeerde tijdsbestedingen behoort en dat de kosten van werkstress en burn-out hoog zijn, dan staat nog te bezien wat het saldo van kosten en baten is.

Denk in dat verband ook aan het pleidooi van Rutger Bregman: De oplossing voor bijna alles: minder werken. Onze keuzes voor betaald werken worden mede beïnvloed door de motieven van de statuscompetitie waarin we met elkaar verzeild raken en dat maakt dat die keuzes niet optimaal hoeven uit te vallen. Uitwerkingen van die gedachte vind je bij Robert H. Frank ( The Winner-Take-All Society en Luxury Fever: Money and Happiness in an Era of Excess).

En wat zal de waarde zijn van het onbetaalde werk dat mensen gaan doen als ze minder betaald gaan werken? Misschien gaan ze zich bijscholen. misschien besteden ze meer tijd aan sociale contacten, aan het uitbreiden van hun sociale kring en worden ze actiever in hun buurt. Dat zou goed zijn voor onze gezondheid en voor het opgroeien van kinderen. En het zou een bijdrage kunnen zijn aan het tegengaan van eenzaamheid. Wat natuurlijk weer economische voordelen heeft. Denk aan de kosten van de gezondheidszorg, de jeugdzorg en de kosten in het kader van de Participatiewet en de WMO.

Maar het invoeren van een basisinkomen zal naar verwachting ook de machtspositie van werknemers op de arbeidsmarkt vergroten. Dat lijkt hoognodig, nu het aandeel van de arbeid in het nationale inkomen al decennia lang gedaald is en daarmee samenhangend de macht van de vakbonden zo is afgenomen. Je mag verwachten dat werkgevers er door geprikkeld worden om de kwaliteit van het werk te verhogen. Wat de overheidsbemoeienis met arbeidsomstandigheden kan terugdringen. En betere arbeidsomstandigheden zouden op hun beurt juist weer kunnen leiden tot een verhoging van het arbeidsaanbod.

Kortom, welke effecten zullen optreden, hoe sterk die effecten zullen zijn en hoe ze met elkaar samenhangen of tegen elkaar in werken, we weten daar nog weinig van.

Wat dat praktisch en beleidsmatig en op korte termijn betekent? Ik kwam al zoekende ook het betoog Basisinkomen, basisbaan ofgewoon armoede bestrijden? van Paul de Beer tegen. Het lijkt me wel een verstandig pleidooi voor een aantal kleine, concrete stappen in de richting van het basisinkomen: maak het voor uitkeringsgerechtigden makkelijker om naast hun uitkering bij te verdienen, pas de arbeidskorting in de inkomstenbelasting zo aan dat het effectieve tarief voor werkenden met een laag inkomen negatief wordt en voer een algemene basisverzekering voor werkenden in.

maandag 20 juni 2016

Het basisinkomen is een (de?) oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid

Onder de titel Ik werk, dus ik ben organiseert De Balie a.s. donderdag een avond over het basisinkomen. Omdat ik daar als panellid een rolletje in speel, boog ik me vanochtend over de toelichtende tekst van de organisatoren.

In zijn beknoptheid is die tekst interessant, omdat vrijwel alle vragen die er rond dat basisinkomen de ronde doen, aan de orde komen. Hier mijn poging om een en ander op een rijtje te zetten, met een aanvulling:
  1. De vraag voor welk probleem het basisinkomen geacht wordt te zijn.
  2. De vraag of het basisinkomen uitvoerbaar is, in het bijzonder of het betaalbaar is. Subvraag: Zet het basisinkomen niet teveel aan tot niet-werken, met negatieve economische gevolgen?
  3. Is er voor het basisinkomen wel een moreel draagvlak? Moet niet gelden: "Wie niet werkt, zal ook niet eten?"
  4. Wat zijn de gevolgen als werken een keuze wordt? Is het niet zo dat mensen hun identiteit voor een groot deel ontlenen aan hun werk en hun baan? Komt daar wel iets voor in de plaats als je een basisinkomen invoert?
  5. Mijn aanvulling: Wat zijn de gevolgen als mensen niet meer zoals nu gedwongen zijn om slecht betaalde banen en/of banen met slechte arbeidsomstandigheden te accepteren? Zal de invoering van het basisinkomen niet een kwaliteitsverhogend effect hebben op het aangeboden werk?
Dat zijn vragen die nog al wat overhoop halen. Daar zullen we donderdagavond dus niet helemaal uitkomen.

Maar laten we eens kijken hoe ver we komen als we de berichten die in de loop van de jaren op dit blog zijn verschenen gebruiken als bron van informatie en inspiratie. Te beginnen met die vraag voor welk probleem het basisinkomen een oplossing zou kunnen zijn.

Wat zeggen de organisatoren daarover? Ze openen hun tekst met een verwijzing naar de Panama-papers en dus naar de grote bedragen die door belastingontwijking en -ontduiking aan de staatskassen worden onttrokken. "Kan al dat geld niet eerlijker verdeeld worden onder de bevolking in de vorm van een onvoorwaardelijk basisinkomen?"

Dat wijst op het basisinkomen als oplossing voor het probleem van de in veel landen sterk gestegen ongelijkheid. Daar zit wat in. Als je de middelen voor het basisinkomen haalt uit het terugdringen van belastingontwijking en -ontduiking en uit verhoging van de hoogste tarieven van de inkomstenbelasting, en die als een basisinkomen over iedereen verdeelt, dan zal dat wel inkomensnivellerend werken.

Maar je haalt wel veel overhoop door met een basisinkomen de ongelijkheid terug te willen dringen. Dat zou ook met andere middelen kunnen.

Ligt het niet meer voor de hand om het basisinkomen te zien als een mogelijke oplossing voor het probleem van de toegenomen bestaansonzekerheid? Die vertoont wel enige samenhang met de toegenomen ongelijkheid, maar is een probleem waarvoor het basisinkomen wel heel direct een oplossing verschaft.

Is die bestaansonzekerheid dan zo toegenomen? En zou dat dan ook verklaren waarom dat idee van een basisinkomen zo in de belangstelling is komen te staan?

Ja, daar valt veel voor te zeggen. Je kon al vermoeden dat de opkomst van die bizarre ideologie van het neoliberalisme (minder overheid, minder bescherming, meer markt) sinds zo ongeveer 1980 (Thatcher, Reagan) negatief heeft uitgewerkt op de bestaanszekerheid van mensen. Dat vermoeden is nu voor Nederland bevestigd door Cok Vrooman in zijn oratie Meedoen in onzekerheid.

Vrooman laat daar voor Nederland zien dat na 1980 voor de bevolking tussen 18 en 64 jaar de inkomensbescherming door middel van sociale zekerheidsregelingen sterk is afgenomen. In rapportcijfers uitgedrukt daalde die van 7,1 in 1980 naar 4,7 in 2015. Met als gevolg dat de inkomenszekerheid voor dezelfde groep met 34 procent daalde. Bovendien daalde de werkzekerheid met 27 procent.

Schrikwekkende cijfers. Dat ze doen schrikken als je ze zo voor je ziet, zal er mee te maken hebben dat ze beetje bij beetje tot stand zijn gekomen. Dan weer is die regeling verslechterd en dan weer die bescherming en dan weer die voorziening. Alles bij elkaar opgeteld, zie je wat de neoliberale hersenspinsels van de politiek hebben aangericht.

Wat je trouwens ook ziet, is dat die toename van onzekerheid in deze periode veel minder geldt voor de ouderen (65 jaar en ouder). Wat is namelijk het geval? Die hebben, in de vorm van de AOW, eigenlijk al een soort basisinkomen.

Deze ontwikkeling verklaart natuurlijk heel goed hoe het idee van een basisinkomen zo in de belangstelling kon komen te staan.

Want we weten hoe belangrijk bestaanszekerheid voor mensen is. We hebben op dit blog immers gezien dat mensen liever een gestage geringere inkomensgroei hebben dan een per saldo grotere, maar met meer schommelingen. En dat mensen gelukkiger worden van economische groei, maar alleen dan als die gestaag is, zonder recessies er tussen door.

Ook weten we dat economische bestaansonzekerheid met fysiek lijden gepaard gaat en dus met een groter gebruik van pijnstillers. En we kennen de grote negatieve effecten van werkloosheid en van baanonzekerheid.

Kortom, dat het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen nu zo in de belangstelling is komen te staan, dat kan niet verbazen. Mensen zoeken naar oplossingen voor de bedreigingen van hun meest fundamentele behoefte, die van bestaanszekerheid.

De verzorgingsstaat is een stelsel van oplossingen om aan die behoefte tegemoet te komen. Als je denkt dat die verzorgingsstaat zijn langste tijd gehad heeft, omdat die neoliberale ideologie je dat influistert, dan moet je niet vreemd opkijken als veel mensen op het idee komen van een basisinkomen.

dinsdag 14 juni 2016

Hebben kinderen beter door dan volwassenen dat je je door te delen gelukkiger voelt?

We zagen dat mensen met hoge bloeddruk door geld aan iemand te schenken hun bloeddruk verlaagden en dat dit effect niet optrad bij degenen die dat geld voor zichzelf besteedden. Meer in het algemeen weten we dat pro-sociaal gedrag (delen, schenken) positieve effecten heeft voor de donor. Het verhoogt geluksgevoelens en welbevinden en activeert hersengebieden die met het ontvangen en verwerken van beloningen te maken hebben.

Als dat zo is, hebben mensen dat dan ook door? En speelt dat een rol in hun beslissingen?

De auteurs van de studie Preschoolers’ generosity increases with understanding of the affective benefits of sharing noemen onderzoek dat doet vermoeden dat volwassenen dit maar heel beperkt inzien. Gesteld voor de keuze om een bedrag aan geld voor zichzelf te besteden of weg te geven, verwachtte een meerderheid zich gelukkiger te gaan voelen door het voor zichzelf te besteden. Terwijl het omgekeerde het geval bleek te zijn.

Maar misschien zijn volwassenen al te veel geïndoctrineerd door het opgegroeid zijn in een maatschappij waar veel, zo niet alles, om geld lijkt te draaien. En zijn ze er ten onrechte in gaan geloven dat geld gelukkig maakt doordat het je in staat stelt om je materialistische behoeftes te bevredigen.

Hoe zit dat dan met kinderen? De onderzoekers lieten voorschoolse kinderen keuzes maken over het wel of niet weggeven van attractieve stickers. Waarbij de kinderen met behulp van de
Facial Affective Scale konden aangeven hoe ze zich verwachtten te voelen en hoe ze zich voelden nadat ze de keuze gemaakt hadden.

Het bleek toen dat kinderen wel degelijk doorhadden dat ze zich door stickers te delen beter zouden voelen. En vooral ook dat ze zich slechter zouden voelen als ze alles voor zichzelf zouden houden. Bovendien gaven de kinderen die meer dit inzicht hadden ook meer stickers weg.

Dat je je door pro-sociaal gedrag gelukkiger voelt is dus een besef dat voorschoolse kinderen al (of nog!) hebben. Het zou goed kunnen zijn dat dat inzicht ondersneeuwt bij het opgroeien in een statuscompetitieve en materialistische maatschappij.

Bedenk daarbij ook dat we ons door blootstelling aan reclame ondankbaarder en ongelukkiger gaan voelen.

maandag 13 juni 2016

Wie goed doet, doet dubbel goed. Pro-sociaal gedrag is aanstekelijk

Wie goed doet, doet dubbel goed. Sociaalwetenschappelijk gezegd: als je je pro-sociaal gedraagt, draag je er aan bij dat anderen dat ook doen.

De nieuwe studie Prosocial Conformity: Prosocial Norms Generalize Across Behavior and Empathy versterkt het al langer bestaande vermoeden dat mensen graag bereid zijn iets voor de goede zaak te doen en om anderen te helpen, maar dat het daarbij veel uitmaakt wat anderen doen. Als anderen het goede voorbeeld geven, dan doen mensen graag mee.

De onderzoekers lieten mensen via Amazon Mechanical Turk kiezen hoeveel van een toegekende bonus (1 dollar) ze aan een goed doel bereid waren af te staan. Ze konden 100 keer die keuze maken, bij steeds wisselende goede doelen, waarna een willekeurig bepaalde keuze ook daadwerkelijk werd uitgevoerd. De deelnemers kregen tussen door (gefingeerde) informatie over hoeveel anderen aan het goede doel hadden gegeven. De ene helft kreeg te horen dat anderen gemiddeld 75 cent hadden gegeven en de andere helft dat anderen 25 cent hadden gegeven.

Over de gehele groep genomen gaven de
deelnemers in de eerste ronde gemiddeld 9 cent weg. Bij degenen die verteld was dat anderen gemiddeld 75 cent hadden gegeven, liep het bedrag dat ze daarna weggaven op, terwijl het bij de anderen nagenoeg gelijk bleef.

Uit vervolgonderzoekjes bleek dat dit aanstekelijkheidseffect bleef bestaan bij een groter tijdsverschil tussen het ontvangen van de informatie over het gedrag van anderen en de te maken keuze. Ook bleef het bestaan als de te maken keuze ging over een andere vorm van pro-sociaal gedrag.

En ook bleef het bestaan als de informatie niet betrekking had op het pro-sociale gedrag van anderen, maar op hoeveel empathie anderen voelden met iemand die tegenslag had te verduren of met daklozen. Het bleek dat die empathie van anderen de eigen empathie vergrootte. Dus ook empathie is aanstekelijk en empathie vergroot de kans op pro-sociaal gedrag.

Conclusie: wie goed doet, doet dubbel goed. Niet alleen dat je anderen helpt of iets doet voor de goede zaak, je geeft ook het goede voorbeeld. Een voorbeeld dat anderen graag navolgen, maar dat ze dus wel nodig blijken te hebben. (Denk ook weer even aan de Dual Mode-theorie.).

En je leert er van dat het veel uit kan maken welke informatie mensen krijgen. Ik moest even terug denken aan het bericht dat veel asielzoekerscentra met instemming en zelfs steun van de bevolking tot stand waren gekomen.

Goed dat dat bericht er ook was, Want daarvoor was er in de media uitsluitend aandacht voor die enkele gevallen waarin tegen asielzoekers was gedemonstreerd of erger.

donderdag 9 juni 2016

Plastic tasjes, sociale beïnvloeding en de maakbare samenleving

Dat het verbod op gratis plastic tasjes vanaf 1 januari van dit jaar zo goed werkt, heeft niet veel aandacht gekregen. Toch is het van belang er bij stil te staan.

Nederland voldoet met het verbod aan een Europese verplichting. En die is er omdat plastic tasjes uiteindelijk in het milieu terechtkomen en daar grote schade aanrichten. Denk aan de plasticsoep in de oceanen. En dichter bij huis is er het zwerfafval.

Hoe te verklaren dat het verbod zo goed werkt? Terwijl er van te voren geluiden waren dat het verbod niet zou kunnen worden gehandhaafd. Lees nog even het bericht Tasjesverbod gedrocht dat op 27 december in De Telegraaf verscheen.

Zoals ik eerder betoogde toen het ging om het vuurwerkverbod en het rookverbod, kan een verbod goed werken als het gaat om een gedrag dat schade aan anderen toebrengt (negatieve externe effecten). Als mensen goed geïnformeerd zijn over de omvang van die schade of die schade zelf waarnemen, dan vinden ze een verbod gerechtvaardigd en zullen ze het ook naleven.

Kijk maar naar de resultaten van de flitspeiling die op 17 mei werd afgenomen. 71% van de Nederlanders vindt de maatregel voor het verbod op gratis plastic tasjes uitstekend of zeer goed. En 83% geeft aan zelf een tas mee te nemen voor hun aankopen in de winkel.

Maar, kun je je dan afvragen, waarom is dan een verbod eigenlijk nog nodig? Waarom namen mensen dan al niet voor 1 januari 2016 al een eigen tasje mee naar de winkel en weigerden ze een gratis plastic tas?

Ik denk dat het er aan ligt dat het toch iets meer moeite kost om dat te doen. Het is wel lekker makkelijk, zo'n gratis tasje. En dat wijst er op dat mensen voor de goede zaak best een kleine moeite willen doen, maar pas als ze weten dat anderen dat ook doen. Als het "normaal" is om die moeite te doen.

Anders gezegd, niemand wil een zonderling zijn. En zo'n verbod helpt omdat het de boodschap verspreidt dat wij nu met zijn allen hebben besloten dat het afgelopen moet zijn met die gratis plastic tasjes. Als anderen het ook doen, dan doen wij graag mee.

En dat is precies het tweede, van de drie, sociaalwetenschappelijke inzichten die ik noemde in dat bericht over het vuurwerkverbod. Ik citeer:
Het tweede inzicht is dat mensen zich in hun gedrag sterk door wat anderen doen laten leiden. Informatie over het gedrag van anderen heeft meer invloed op het eigen gedrag dan informatie over de wenselijkheid of de voordelen van dat gedrag. Opvallend is dat mensen zich er niet van bewust zijn, want ze denken dat die wenselijkheid of voordelen de grootste rol in hun beslissingen spelen. We zijn sterk sociaal beïnvloedbaar, maar dat weten we niet van onszelf . Onze bereidheid om verboden na te leven op het terrein van negatieve externaliteiten is sterk afhankelijk van de informatie die we over het gedrag van anderen krijgen. 
Gratis plastic tasjes, vuurwerk en roken leren ons dus dat we met een eenvoudige maatregel als een verbod wel degelijk iets kunnen veranderen. Waar een overheid al niet goed voor is.

Hoe noemden we dat ook al weer? De maakbare samenleving!

(De afbeelding is afkomstig van de website van Sterke Yerke.)

dinsdag 7 juni 2016

Opgroeien in religieus gezin maakt kinderen strenger in hun morele oordelen, maar juist minder vrijgevig in hun gedrag

Veel mensen zijn geneigd te denken dat je ongelovigen minder kunt vertrouwen dan gelovigen. Zie Is geloof in God nodig om moreel te kunnen handelen? De fout van de misplaatste concreetheid.

Ook denken veel mensen dat geloof in een God nodig is om moreel te kunnen handelen, hoewel in rijkere landen veel minder dan in armere.

Maar tot nu toe zijn er niet of nauwelijks aanwijzingen dat gelovigen zich moreler gedragen of meer voor anderen over hebben. Sterker, volgens het nieuwe onderzoek The Negative Association between Religiousness and Children’s Altruism across the World zijn kinderen van tussen de 5 en 12 jaar uit religieuze (Christelijk of Moslim) gezinnen in zes verschillende landen juist minder pro-sociaal dan kinderen uit niet-religieuze gezinnen.

Pro-sociaal (of altruïstisch) gedrag werd vastgesteld met het zogenaamde  Dictator-spel. Kinderen mochten tien stickers uitkiezen die ze het mooiste vonden en die ze mochten houden. Maar hen werd verteld dat er geen tijd meer was voor andere kinderen om stickers uit te kiezen en dat ze dus ook een of meer stickers zouden kunnen afstaan om aan die andere kinderen te geven. Of ze stickers afstonden, en hoeveel, was de maat voor pro-sociaal gedrag.

Het onderzoek werd uitgevoerd onder in totaal 1170 kinderen verdeeld over Canada, China, Jordanië, Turkije, Verenigde Staten en Zuid-Afrika. In al die landen nam het pro-sociale gedrag met de leeftijd toe, maar waren kinderen uit gelovige gezinnen dus steeds minder vrijgevig.

Dat is opvallend, omdat de gelovige ouders hun kinderen als gevoeliger voor onrecht en empathischer inschatten dan ongelovige ouders hun kinderen. Ook is opvallend dat de kinderen uit de gelovige gezinnen juist wel strenger oordeelden over voorbeelden van onheus gedrag en voorstander waren van strengere straffen.

Een mogelijke verklaring is dat een religieuze opvoeding kinderen vooral aanleert dat de moraal een externe oorsprong heeft, in de figuur van een God die dingen voorschrijft. En die, denk aan de toornige God, overtredingen streng bestraft. En opvallend is dan dat die aangeleerde omweg via God en straf kinderen dus juist minder pro-sociaal maakt. Een onbedoeld gevolg van de fout van de misplaatste concreetheid?

(De eerste auteur van dit onderzoek is Jean Decety. Zie over hem ook Empathie en de duale menselijke sociale natuur.)

De afbeelding is afkomstig van de site van Boekhandel Den Hertog.

Update. Zie hier voor een reactie op dit bericht op het Christelijk Informatie Platform: Omdenken voor Christenen.

maandag 6 juni 2016

Anderen verslaan maakt oneerlijker - Nog een argument voor minder statuscompetitie

We leven in een maatschappij met een hoge mate van statuscompetitie. Dat heeft een welhaast onoverzienbaar scala aan vooral negatieve gevolgen. Zo is er nu de studie Winning a competition predicts dishonest behavior, die laat zien dat mensen oneerlijker worden nadat ze iemand in een competitie hebben verslagen.

Het is ook echt het element van competitie dat oneerlijker maakt, want het oneerlijkheidseffect trad niet op na het winnen van een loterij en na het goed presteren op zich. Het verslaan van iemand anders, daar lijkt het om te gaan.

Waar zou dat aan kunnen liggen? Ander onderzoek wijst er op dat de kans op oneerlijk gedrag groter is als mensen het gevoel hebben dat ze recht hebben op wat ze zich oneerlijk toe eigenen. Als je vindt dat iets je toekomt, dan heb je de neiging om je oneerlijke gedrag voor jezelf goed te praten. "Het is misschien niet eerlijk, maar ik heb er toch gewoon recht op?"

En uit dit onderzoek blijkt inderdaad dat de winnaars van een competitie meer dat gevoel hebben van "Het komt mij toe". Dat gevoel, sense of entitlement, wordt gemeten met dit vragenlijstje:
  1. I honestly feel I’m just more deserving than others.
  2. Great things should come to me. 
  3. If I were on the Titanic, I would deserve to be on the first lifeboat!
  4. I demand the best because I’m worth it. 
  5. I do not necessarily deserve special treatment. (omgekeerd)
  6. I deserve more things in my life. 
  7. People like me deserve an extra break now and then. 
  8. Things should go my way. 
  9. I feel entitled to more of everything. 
Een van de negatieve gevolgen van een statuscompetitieve maatschappij is dus dat er een hele bevolkingsgroep ontstaat, degenen die succesvol zijn in het verslaan van anderen, bij wie het gevoel wordt aangewakkerd dat ze overal recht op hebben. 

Dat zal een van de verklaringen zijn voor het gegeven dat een statuscompetitieve maatschappij slecht samen gaat met gelijke kansen. En dus de sterke neiging heeft om te resulteren in toenemende maatschappelijke ongelijkheid. Zie Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

Bedenk dat we ook al wisten dat een hogere status mensen egoïstischer maakt en dat het gevoel van macht, dat meestal samen gaat met hoge status, minder empathischer maakt.

Een wat minder statuscompetitieve maatschappij, dat zou wat zijn om na te streven.

donderdag 2 juni 2016

De actualiteit van de aartsvaderverhalen - Een biologische antropologie van de Bijbel - 11

De aartsvaderverhalen van Genesis geven ons een inkijkje in de ontwikkeling van ongelijkheid, competitie en conflicten na de landbouwrevolutie.

Het gaat over Abraham, Isaak, Jacob en Jozef. Het zijn, volgens Van Schaik en Michel in het zesde hoofdstuk van hun Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel, oorspronkelijk afzonderlijke verhalen, die zijn doorverteld en met elkaar verbonden.

Ging het in het vorige bericht over de pogingen om na de landbouwrevolutie nog een moraal in stand te houden, met behulp van een toornige God, nu gaat het onverbloemd over ongelijkheid, competitie en conflict. Om liegen en bedriegen.

Dat alles kwam er uit voort dat de landbouw gepaard ging met eigendom van land, vee en voorraden. Als er dan overschotten ontstaan, kunnen sommigen die zich toe eigenen, waardoor er ongelijkheid ontstaat. Ongelijkheid die op zijn beurt een scala van gevolgen heeft.

Want rijke mannen, patriarchen, kunnen meer vrouwen onderhouden en streven dat ook na. Daardoor veranderde de positie van vrouwen. Ze werden "bezit" en waren genoodzaakt zich neer te leggen bij beslissingen van mannen. Ongelijkheid tussen mannen en vrouwen dus.

Door die polygynie moesten er wel mannen overblijven, degenen zonder vrouw, land en bezit. Ongelijkheid tussen mannen dus. Van Schaik en Michel:
Dan krijg je verliezers: het aantal mannen zonder bezit en zonder land groeit. Hun rest (ik zou zeggen: hen rest) vrijwel niets anders dan in te zetten op agressieve, risicovolle strategieën om kans te maken in de strijd om het schaarse goed 'vrouw'. 'Dat zal resulteren in hogere cijfers voor moord, diefstal, verkrachting, sociale ontwrichting, ontvoering (vooral van vrouwen), seksuele slavernij en prostitutie', concluderen antropologen. Wie met lege handen staat, vormt een gevaar; ongetrouwde mannen neigen eerder tot geweld.
Vervolgens moesten de patriarchen een oplossing bedenken voor de overdracht van hun bezit aan de volgende generatie. Verdeling over zonen (!) zal wel eens zijn voorgekomen, maar al gauw bleek dat het bezit dan uiteenviel. Dus groeide het eerstegeboorterecht. De oudste zoon erft alles.

Maar natuurlijk leidde dat tot conflicten. Zowel tussen de vrouwen van de patriarch, als tussen zijn zonen. Anders gezegd, dat eerstegeboorterecht wordt maar halfhartig gerespecteerd. Want de belangen zijn groot: je krijgt alles of niets. Of jouw zoon krijgt alles of niets.

Wat te doen om de clan toch zo goed mogelijk bij elkaar te houden? Het eerste wat zich aandient is om het bezit te vergroten. Hoe meer er is, hoe beter verliezers en opstandigen met geschenken kunnen worden zoetgehouden. En dat zie we in de patriarchenverhalen ook gebeuren: de aartsvaders worden rijker en rijker.

Daar komt bij dat er andere clans zijn die dezelfde strategie van expansie hanteren. Daardoor wordt macht en het demonstreren van macht van levensbelang. Toon altijd je vastberadenheid en je bereidheid om bij het verdedigen van je bezit tot het uiterste te gaan.

Vandaar Abrahams bereidwilligheid om zijn zoon Isaak te offeren. Van Schaik en Michel:
Hoewel deze episode doorgaat voor bewijs van Abrahams onvoorwaardelijke trouw aan God, rijst sinds jaar en dag toch de volgende vraag: waarom moet God Abraham zo in gewetensnood brengen? Waarom vraagt God Abraham nog om een bewijs van diens trouw? Dat heeft hij immers helemaal niet nodig: God weet wat hij aan Abraham heeft, anders zou hij hem niet hebben uitverkoren. Het bewijs is nodig om anderen te overtuigen. Het laat zien dat Abraham bereid is om tot het uiterste te gaan.
Kortom, met de ongelijkheid hebben we ook meteen de expansiedrang. En omdat machtsvertoon en vastberadenheid altijd moeten worden beantwoord met tenminste een zelfde vertoon, ontstaat er dus een geweldsspiraal. Statuscompetitie in volle omvang.
En voor de oorlogen die hieruit voortkomen, zijn er met de verliezers van deze maatschappelijke processen genoeg strijders voorhanden. Voor hen vormt geweld een laatste strohalm om toch nog aan een vrouw en bezit te komen - desnoods door middel van roof en doodslag. Despotische toestanden breken uit.
Waarbij je natuurlijk bedenkt hoe actueel dit allemaal is. Ik dacht even aan Hoe worden sommige jongemannen zo gevaarlijk dat ze aanslagen gaan plegen?