zondag 31 januari 2016

Zondagochtendmuziek - Groot Omroepkoor - Mendelssohn - Psalm 42 - 'Wie der Hirsch schreit' Live Concert [HD]

Het Groot Omroepkoor viert zijn 70-jarig bestaan. In TivoliVredenburg repeteerden ze donderdag het programma met Russische koorwerken dat ze vanavond uitvoeren in het Amsterdamse Concertgebouw. Het was indrukwekkend om het proces van bijslijpen en perfectioneren mee te maken, onder leiding van de Letse dirigent Kaspars Putniņšš.

Op 12 december 2014 zongen ze Psalm 42 "Wie der Hirsch schreit" van Mendelsohn onder leiding van Philippe Herreweghe, met sopraan Christina Landshamer.

vrijdag 29 januari 2016

Hoog tijd voor een andere politiek. En voor een ander vak economie - N.a.v een rede van Paul de Grauwe

Paul de Grauwe, die als eerste wees op de systeemfouten in het stelsel van de eurozone, legt in deze rede ter gelegenheid van zijn eredoctoraat aan de Universiteit van Maastricht nog eens uit welke kapitale ontwerpfouten er zijn gemaakt bij de introductie van de euro.



Neem een halfuurtje om bijgepraat te worden. En blader nog eens door mijn eerdere berichten over en naar aanleiding van Paul de Grauwe, zoals Paul de Grauwe haalt zijn gelijk binnen. Terecht en Paul Krugman neemt zijn hoed af voor die andere Paul.

Aan het eind van zijn betoog gaat hij in op de vraag hoe het nu met de euro verder moet. En daar bepleit hij om te proberen met kleine stapjes vooruit te komen. Want de grote stap die eigenlijk nodig is, een politieke unie, is politiek niet haalbaar. Maar na die kleine stapjes te hebben uiteengezet, een gemeenschappelijke werkloosheidsverzekering en een gemeenschappelijke consolidatie van schulden, moet hij eigenlijk wel toegeven dat zelfs die kleine stapjes politiek niet haalbaar zijn. 

En dat wijst ons op het treurige gegeven dat er in Europa een sekte aan de macht is, die met dubbele volharding reageert op de opeenstapeling van weerleggingen van het eigen gelijk. Vandaar dat het meer in de rede ligt om ons voor te bereiden op het uiteenvallen van de eurozone. Zie Over het naderende einde van de eurozone.

Maar het betoog van Paul de Grauwe is ook om een andere reden interessant. Het gaat om een passage van twee à drie minuten die begint na 10 minuten. Hij zet daar het economische recept uiteen voor de zwakkere landen binnen de eurozone, inhoudende dat die landen hun economie moeten flexibiliseren. Dat is het bekende neoliberale stokpaardje van de Europese elite: de lonen en de uitkeringen en de overheidsuitgaven moeten omlaag. Economisch gezegd: interne devaluatie. Dat is ook precies het beleid dat aan de "perifere" landen is opgelegd.

Wat dan opvalt is dat De Grauwe niet een economisch argument gebruikt voor de ondeugdelijkheid van dat recept. Nee, wat het onwerkzaam maakt is dat het tot een politieke opstand leidt. De bevolking pikt het niet om zo in de misère en de armoede te worden geduwd. Klopt. Kijk naar Griekenland, Portugal en Spanje. Het economische recept stuit dus op een politieke grens.

En dat leert iets over het vak economie en over hoe economen, ook Paul de Grauwe dus, de afbakening met de politiek zien. Het leert ons dat het vak economie zich zo heeft ontwikkeld, althans een groot gedeelte van het vak, dat alles in dienst moet staan van dat ene einddoel: de perfecte werking van het marktmechanisme. In plaats van dat het vak zich in dienst stelt van het menselijk welzijn, is het er geheel en al op ingesteld om het abstracte ideaal van de perfecte markt te verwezenlijken. Mensen en wat mensen nodig hebben zijn bijzaken.

In dat wereldbeeld is de arbeidsmarkt niet te onderscheiden van andere markten, zeg die van aardappelen. Aardappeloverschot? De aardappelprijs is te hoog. Werkloosheid? De prijs van arbeid is te hoog. Lager die lonen. Een hongerloon is niet een misstand, nee, het is een economisch instrument. Bestaansonzekerheid? Net goed. Dat leert de arbeiders om met een lager loon genoegen te nemen. Wees flexibel!

Nu denken veel economen niet zo. En naar ik meen te weten ook Paul de Grauwe niet. Maar het is wel een manier van denken die door veel economen wordt aangehangen. En, en dat is erger, waar veel politici hun oren naar laten hangen.

Conclusie: niet alleen moet er in de politiek veel veranderen, ook het vak economie moet weer over mensen  gaan. Moet in dienst staan van het menselijk streven naar welvaart, welzijn en bestaanszekerheid. En dat laatste zou veel meer voorop moeten staan. Want de menselijke natuur zit zo in elkaar dat bestaanszekerheid wel een heel hoge prioriteit heeft. 

Immers, we weten dat mensen liever een gestage geringere inkomenstoename hebben dan een per saldo hogere, maar met ups en downs. En we weten wat die zogenaamde "interne devaluatie", die schandalige daling van lonen en uitkeringen en overheidsuitgaven, voor menselijk leed heeft veroorzaakt. Denk alleen maar even aan het zelfmoordcijfer in Griekenland. Update. En denk aan die andere kwalijke gevolgen van bestaansonzekerheid: wrok en negatieve sentimenten tegenover immigranten en vreemdelingen. Zie hier en hier.

Het is hoog tijd dat we een vak economie krijgen dat zich in dienst stelt van de basale behoefte aan bestaanszekerheid. Zodat die behoefte niet langer alleen maar langs de weg van de politiek behartigd hoeft te worden. En zodat economen niet meer kunnen zeggen: we weten wel hoe het moet, maar ja, de politiek staat in de weg. Hoe bizar is dat eigenlijk.

woensdag 27 januari 2016

Zegt de daling van het geboortecijfer iets over de kindvriendelijkheid van onze maatschappij?

Het CBS meldt vandaag dat het geboorteoverschot in 2015 met 23 duizend erg laag was. Het geboorteoverschot is het saldo van sterfte en geboorte. Je ziet de ontwikkeling sinds 1805 hieronder afgebeeld.


Eerder schatte het CBS dat het vruchtbaarheidscijfer (het gemiddelde aantal kinderen per vrouw) zou dalen van 1,71 in 2014 naar 1,66 in 2015. Het is voor het eerst sinds 1871 (!) dat de bevolking zo weinig groeide door natuurlijke aanwas. Dat we in 2015 nog groeiden, kwam vooral door het migratiesaldo.

De daling van het geboortecijfer is vooral te wijten aan het uitstel van het krijgen van kinderen. Het CBS daarover:
Ook over een langere periode is er sprake van uitstel van het moederschap. Vooral jonge twintigers krijgen nu later kinderen dan tien jaar geleden. Zo daalde het aantal geboorten per duizend twintigjarigen van 20 naar 12. Ook vrouwen van eind dertig tot begin veertig stellen nog wat verder uit.
Hier zie je dat uitstel in de periode 2004-2014 afgebeeld:

Je ziet dat de curve in het korte tijdsbestek van 10 jaar voor het oog zichtbaar naar rechts schuift.

Dat we het krijgen van kinderen steeds maar meer uitstellen, heeft grote nadelen. Al was het maar doordat kinderen opgroeien met oudere ouders en oudere grootouders. Zie Afstand en leeftijd van belang voor zorg door grootouders voor kleinkinderen.

Waarom stellen we zo uit? Hoogleraar sociale demografie Jan Latten zegt daar in Trouw over:
Het zou kunnen dat de flexibele arbeidsmarkt een rol speelt. Gemiddeld doen jongeren er langer over voor ze een vast contract hebben en daardoor hebben ze minder bestaanszekerheid. Dat kan een verklaring om nog geen gezin te stichten.
Ja, dat lijkt heel plausibel. Maar die flexibilisering heeft natuurlijk een proces versterkt dat al langer aan de gang was. Onze arbeidsmarkt en de maatschappij in het algemeen is zo ingericht dat je je vooral in je jonge en jong-volwassen jaren moet uitsloven om maatschappelijk succes te hebben. De ratrace speelt zich vooral in die periode af en daar kun je niet even uitstappen om kinderen te krijgen. Die hele constellatie is sterk discriminerend voor vrouwen.

En het blijkt te kloppen dat het niet meedoen met die ratrace, dus het niet uitstellen van kinderen, wat om allerlei andere redenen een goede keuze is, materieel slecht uitwerkt. Uit het net verschenen Deense onderzoek The Relationship between Age at First Birth and Mother's Lifetime Earnings: Evidence from Danish Data blijkt dat jonge moeders (jonger dan 25 jaar) niet alleen op korte termijn een lager arbeidsinkomen hebben, maar ook over hun gehele arbeidsleven. Dit geldt zowel voor lager- als voor hoger-opgeleiden, met dien verstande dat het verlies voor de hoger-opgeleiden groter is.

We zijn als maatschappij niet kindvriendelijk genoeg. Want het zou niet zo moeten zijn dat de kinderwens en de wens om het in je leven materieel goed te hebben tegen elkaar in werken.

dinsdag 26 januari 2016

Hoe meer gemeenschap en hoe minder statuscompetitie, hoe gezonder we zijn en hoe langer we leven

Mensen hebben sociale behoeften en hebben dus voor een goed gedijen sociale contacten nodig. Dat we ons met dat inzicht op het terrein van de biologie bevinden, blijkt er uit dat een gebrek aan sociale contacten of het hebben van slechte sociale contacten negatieve effecten hebben op gezondheid en levensduur. Zie de berichten achter het label gezondheid.

En in lijn daarmee krijgen we ook steeds meer inzicht in de biologische (fysiologische) mechanismen waarlangs deze effecten hun werk doen. Ik besteedde daar eerder aandacht aan in het bericht Gezondheid en sociale omgeving (6): de lichamelijke mechanismen.

Nu komt daar de studie Social relationships and physiological determinants of longevity across the human life span bij. De onderzoekers analyseerden de data van vier longitudinale bevolkingsonderzoeken in de Verenigde Staten. Daardoor konden ze de effecten nagaan van het aantal sociale contacten (sociale integratie), van de verkregen sociale steun en van het ondergaan van sociale stress. Effecten zowel rechtstreeks op gezondheid en levensduur als effecten via fysiologische mechanismen. En dat alles gedurende de levensloop. Zie de onderzoeksopzet zoals in de Figuur afgebeeld.


Het blijkt dan dat sociale contacten hun uitwerking hebben op gezondheid en levensduur via biomarkers als inflammatie (ontstekingen), hart- en vaatproblemen (bloeddruk) en energiemetabolisme (obesitas). De onderzoekers concluderen dat de aanwijzingen voor pad C in de Figuur al met al robuust zijn. De aard van de sociale omgevingen waarin wij gedurende onze levensloop verkeren, blijkt biologisch relevant. Wij zijn inderdaad fundamenteel sociale dieren. Zie Hoe fundamenteel sociaal zijn wij?
Update. En voor de volledigheid: het effect van sociale contacten op gezondheid en levensduur (A) blijkt te verlopen via (wordt verklaard door) die fysiologische mechanismen (C en B).

En bedenk dat het er om gaat of die sociale omgeving meer het karakter heeft van een gemeenschap (sociale integratie en sociale steun) dan wel meer de kenmerken heeft van statuscompetitie (sociale stress). Hoe meer gemeenschap (of hoe minder eenzaamheid) en hoe minder statuscompetitie, hoe gezonder we zijn en hoe langer we leven.

maandag 25 januari 2016

Ruim een miljoen Nederlanders depressief - Wat is het echte wondermiddel tegen depressie?

Het CBS meldt vandaag dat ruim 1 miljoen Nederlanders aangeven een depressie te hebben of een depressie te hebben gehad in het afgelopen jaar. Hier zie je de verdeling over de leeftijdsgroepen:
Wat je ziet is dat depressies zich in de adolescentiefase beginnen te melden en dat de aantallen in de middelbare leeftijdsgroepen hun top bereiken. Dit suggereert de oorzakelijke werking van de statuscompetitie van opleiding en beroepsloopbaan. Die ons afleidt van waar het in het menselijk bestaan echt om gaat: het leiden van een zinvol leven. Dat dat zo is beginnen de meesten van ons pas op latere leeftijd door te krijgen. Merk op dat depressie na de leeftijd van 16 jaar het minst voorkomt bij de 65 tot 74-jarigen.

En ja, we weten dat het leiden van een zinvol leven het beste middel is tegen depressie. Zie Wat is het èchte nieuwe wondermiddel tegen depressie?

Maar wat is dat dan, een zinvol leven? Zie daar voor: Je gelukkig voelen is prima, maar een zinvol leven leiden is beter.

zondag 24 januari 2016

Zondagochtendmuziek - Itzel Trejo Medecigo - G. Bizet - Carmen - Près des remparts de Séville (Seguidilla)

In het vrijdagse lunchpauzeconcert in TivoliVredenburg zong de mezzo-sopraan Itzel Trejo Medecigo de aria Mi lusinga il dolce affetto uit Alcina van Händel. Begeleid door de Utrecht Conservatory Strings.

Het was oor- en oogstrelend en ik was denk ik niet de enige die dacht dat hier iemand stond te zingen aan het begin van een grote carrière. Zou ze ook op YouTube staan, vroeg ik me af. Jazeker, hier zingt ze Carmen op de InCanto International Summer Academy in september vorig jaar. Overtuig u zelf.



woensdag 20 januari 2016

Geloof niet in de mythe van de gezonde overheidsfinanciën! De overheidsbegroting hoort functioneel te zijn

James Montier (zie hier en hier) geeft een heldere analyse van de nu alom aangehangen mythe dat de overheidsfinanciën "gezond" moeten zijn. Dat wil zeggen dat de overheidsbegroting moet "kloppen", dus dat er niet meer mag worden uitgegeven dan er binnenkomt. Zie Market Macro Myths:Debts, Deficits, and Delusions.

Overheden behoren niet naar begrotingsevenwicht te streven, maar naar functionele overheidsfinanciën. Dat is een begrotingsbeleid dat er aan bijdraagt dat de overkoepelende doelen van de macro-economische politiek worden bereikt: volledige werkgelegenheid en prijsstabiliteit.

Aan de mythe van de noodzaak van begrotingsevenwicht liggen vijf "sub-mythes" ten grondslag, die Montier als volgt omschrijft:
  1. Overheden zijn gelijk te stellen aan huishoudens
  2. Geld drukken om overheidstekorten te financieren leidt tot inflatie
  3. Begrotingstekorten/hoge overheidsschulden leiden tot hoge rentes
  4. Overheidstekorten zijn onhoudbaar
  5. Overheidsschuld is een last voor toekomstige generaties
Lees zijn betoog om je er van te overtuigen dat al deze zogenaamde vanzelfsprekendheden niet kloppen. Echt, ze kloppen niet. En we leven in rare tijden, want de politici die aan de macht zijn, zijn onwetend. Lees de citaten, waar Montier mee opent. Willens en wetens? Of uit gewone onkunde? Wie zal het zeggen?

En dat ze niet kloppen, dat weten we al lang. Proef even dat mooie citaat van de econoom Abba Lerner uit 1943, dat Montier aanhaalt:
The central idea is that government fiscal policy, its spending and taxing, its borrowing and repayment of loans, its issue of new money and its withdrawal of money, shall be undertaken with an eye only to the results of these actions on the economy and not to any established traditional doctrine about what is sound or unsound. This principle of judging only by effects has been applied in many other fields of human activity, where it is known as the method of science… The principle of judging fiscal measures by the way they work or function in the economy we may call Functional Finance. (1943)
En lees aan het eind van het betoog de verwijzingen naar het beroemde artikel “Political Aspects of Full Employment” van Michal Kalecki, ook uit 1943. Waarin die uitlegt dat de "industrial leaders" altijd sterk geneigd zijn om zich tegen functionele overheidsfinanciën te verzetten. Toen en nu. En dat politici geneigd zijn hun oren daar naar te laten hangen.

Ten koste van de economie en van onze welvaart. Tragisch is het.

dinsdag 19 januari 2016

Hoe hoog is de echte werkloosheid? Er is nog helemaal geen economisch herstel

Onze regering wil ons graag laten geloven dat het bezuinigingsbeleid succesvol is geweest, dat we daardoor nu uit de crisis zijn en dat beter tijden op het punt staan aan te breken. Omdat verkiezingen dichterbij komen, heeft de regering er voor gezorgd dat de belastingen worden verlaagd en we er bijna allemaal iets in koopkracht op vooruit gaan. En de media doen graag mee met het aanwakkeren van dit succesverhaal.

Maar er is weinig reden tot juichen. Want de aanwijzingen dringen zich op dat de economie van de eurozone stagneert. Zie EURO ZONE: IN THE GRIP OF ‘SECULAR STAGNATION’?

Daar mee komt overeen dat in ons land de werkloosheid sinds het hoogste punt begin 2014 nog maar weinig is gedaald en in de tweede helft van 2015 weer is gaan oplopen. Zie CBS: Werkloosheid toegenomen. In november waren er 616.000 mensen werkloos.

Maar zegt dat wel alles? Nee, want als je kijkt naar de mensen die in deeltijd werken en graag meer uren zouden willen werken, dan blijken dat er 537.000 te zijn. Zie Wil meer uren werken. Omdat het hier gaat om een groep die ook direct beschikbaar is voor meer uren, mag je aannemen dat het extra werk ook echt nodig is met het oog op extra inkomen. Een groot deel van deze groep bestaat uit de werkende armen. Anders gezegd: verborgen werkloosheid.

Maar vandaag krijgen we bovendien zicht op een andere vorm van verborgen werkloosheid. Het CBS publiceert cijfers over aantallen werkenden die onder het niveau van hun opleiding werken. En dat zijn grote aantallen. Van de hoger opgeleiden werken er 769.000 onder hun niveau en van de middelbaar opgeleiden 225.000. Samen 994.000. Die dus niet de werkervaring opdoen die bij hun opleiding zou horen.

Update. Als je al deze aantallen zou optellen, dan kom je op het verbijsterende aantal van 2 miljoen en 183.000. Maar dan tel je een onbekend aantal mensen dubbel die zowel meer uren zouden willen werken als onder hun niveau werken.

Al met al niet alleen een menselijk, maar ook een economisch drama. Aangericht door het rampzalige bezuinigingsbeleid. Lees ook nog even weer Voorpaginanieuws: schade bezuinigingsbeleid 20-30 miljard euro per jaar, 200.000 tot 300.000 banen.

En blijf je er over verbazen hoe zorgvuldig de media vermijden om hier ruchtbaarheid aan te geven.

Update. En zie ook hier hoe het consumentenvertrouwen, dat weliswaar sinds april 2015 weer positief is, miezerig net boven de nullijn blijft schommelen en sinds december weer daalt. Bepaald geen overtuigend herstel.

Update. En zie nu ook De Nederlandsche Bank: Arbeidsmarkt ruimer dan werkloosheid doet vermoeden.

donderdag 14 januari 2016

Hebben cynici een hoger of lager inkomen?

Als je cynisch bent, anderen wantrouwt en hen als vijanden ziet, dan heb je geen prettig leven. In onderzoek wordt cynisme als een persoonlijkheidstrek vastgesteld door mensen te vragen hoe eens of oneens ze het zijn met met uitspraken als:
  • Ik denk dat de meeste mensen zouden liegen als ze daar beter van werden
  • Het is veiliger om niemand te vertrouwen
  • De meeste mensen gebruiken oneerlijke middelen om voordelen te behalen
Bedenk dat er overlap is met de persoonlijkheidstrekken van de Donkere Drie. En het ligt voor de hand dat cynici meer statuscompetitief zijn ingesteld.

Zulke mensen zijn er, maar ze hebben zoals gezegd geen aangenaam leven. Ze zijn vaak slechtgehumeurd en neigen tot depressie. En ze hebben een grotere kans op gezondheidsklachten die met stress kunnen samenhangen, zoals suikerziekte en hart- en vaatziekten. Dat kan er goed mee te maken hebben dat ze door hun wantrouwen en vijandigheid niet in staat zijn om goede sociale contacten te onderhouden.

Maar zou het kunnen zijn dat cynisme en wantrouwen je in materieel opzicht wel goed van pas komen? Een cynicus zal zich weinig aantrekken van het lot van anderen en zal opportunistisch elke mogelijkheid gebruiken om er zelf beter van te worden, ook als dat ten koste gaat van anderen. Hij (zij) laat zich niet hinderen door morele gevoelens en medeleven met anderen. Met als motto: als niemand deugt, hoef ik zelf ook niet te deugen. Levert dat bijvoorbeeld een hoger inkomen op?

Nieuw onderzoek (Cynical beliefs about human nature and income: Longitudinal and cross-cultural analyses) kan daar antwoord op geven. Daaruit blijkt dat het er vanaf hangt in wat voor samenleving je verkeert.

In de meeste landen is cynisme een eigenschap die materieel succes in de weg staat. Cynici doen het qua bereikte inkomen slechter dan degenen die anderen met meer vertrouwen tegemoet treden. Hun wantrouwen en vijandigheid maken het moeilijk om goede relaties met anderen te hebben en om met anderen samen te werken. Ze raken vaak in conflicten verzeild of ze trekken zich terug. En dat blijkt niet te helpen om hogerop te komen.

Maar dat blijkt anders te liggen in landen waar mensen elkaar weinig vertrouwen. Waar veel meer mensen cynisch in het leven staan. Anders gezegd, landen die hoog scoren op de Societal Cynicism Index. Dat zijn landen waar veel inwoners opvattingen onderschrijven als:
  • Je komt er alleen maar door in de problemen als je je bezig houdt met maatschappelijke kwesties
  • Als je te aardig bent lopen anderen over je heen
In zulke landen zijn mensen ook weinig geneigd om anderen bij te staan (volgens de World Giving Index) en liggen bovendien de moord- en doodslagstatistieken hoger.

Als je in zo'n wantrouwende en vijandige sociale omgeving opgroeit en verkeert, dan is het maar beter om niet te goed van vertrouwen te zijn. 

Je ziet dat in de figuur afgebeeld. Zelf sterk cynisch zijn (rechts op de horizontale as) is voor jouw bereikte inkomen veel nadeliger als je inwoner bent van een land met een laag cynisme van de bevolking (zie de bovenste vette lijn) dan wanneer je niet cynisch bent (links op de horizontale as). Maar in een land met een overwegend cynische bevolking maakt jouw cynisme voor jouw inkomen maar weinig uit (zie de onderste dunne lijn).

Een en ander komt overeen met de voorspelling van de Dual-Mode theorie dat statuscompetitie een slechte strategie is, maar dan vooral in een sociale omgeving met veel gemeenschapsgedrag. De meeste mensen zijn sociaal flexibel en weten zich aan te passen aan de sociale omgeving waarin ze opgroeien en verkeren. Zie Gezondheid en sociale omgeving (9): maakt het uit wat mensen nastreven?

O ja, voor welke landen geldt dat cynisme nauwelijks minder inkomen oplevert? Landen dus waarvoor die onderste dunne, bijna horizontale lijn geldt? In dit onderzoek waren dat: Albanië, Azerbeidzjan, Cyprus, Estland, Ierland, Macedonië, Moldavië, Portugal, Rusland, Turkije en Oekraïne.

woensdag 13 januari 2016

Imitatie als middel om (weer) geaccepteerd te worden - Waarom we zo conformistisch zijn

Wat bij volwassenen al bekend was, dat wij na sociale afwijzing imitatie gebruiken als middel om weer geaccepteerd te worden, is nu ook bij kinderen vastgesteld.

In de studie In-Group Ostracism Increases High-Fidelity Imitation in Early Childhood creëerden de onderzoekers voor kinderen van rond de 6 jaar een in-group ("geel") en een out-group ('groen"), Vervolgens speelden de kinderen op de computer Cyberball, waarbij ze na een aantal rondes wel of niet door de anderen werden buitengesloten. Die anderen konden ook "geel" zijn of "groen". Daarna werd hen gevraagd om een soort ritueel te imiteren dat als een heersend gebruik binnen de eigen "gele groep" werd gepresenteerd.

Het bleek toen dat de kinderen die waren buitengesloten door de leden van hun eigen in-group dat ritueel zorgvuldiger imiteerden dan degenen die niet waren buitengesloten en die waren buitengesloten door leden van de out-group. (De kinderen werd na afloop verteld dat die uitsluiting niet echt was. Bovendien mochten ze daarna opnieuw spelen zonder die uitsluiting.)

We weten dat sociale afwijzing als stressvol en pijnlijk wordt ervaren. Zie Meer over de stress en de pijn van sociale afwijzing. We lijken er door in een spagaat te komen van het enerzijds afstand houden ("ze zien mij toch niet staan") en het anderzijds, vaak onbewust, opnieuw toenadering zoeken. Zie Sociale afwijzing leidt tot de spagaat van afstand houden èn contact zoeken.

En dat onbewuste op zoek zijn naar acceptatie, naar er weer bij mogen horen, komt tot uiting in het er op gespitst zijn de leden van je in-group in hun gedrag zo goed mogelijk te imiteren. Kinderen van 6 jaar doen dat dus al.

En onbewust lijken we ook te beseffen dat imitatie een goed middel is, omdat mimicry een gevoel van vertrouwdheid blijkt op te wekken.

We groeien op in een maatschappij waarin het ergens bij horen niet een vanzelfsprekendheid is. Het is vaak niet zo duidelijk of we wel ergens bij horen. Omdat we niettemin geëvolueerd zijn tot een sterk sociale diersoort, zijn we er wel erg mee bezig of we wel genoeg geaccepteerd worden, of anderen ons wel genoeg zien staan. En daardoor zet afgewezen worden aan tot pogingen om weer te mogen meedoen en dus tot imitatie en conformisme.

Dat brengt op de gedachte dat je eigenlijk wel heel veel conformisme om je heen ziet. En, geef het toe, bij je zelf.

dinsdag 12 januari 2016

Hoopvol: Een of twee positieve contacten zijn genoeg om gebrek aan empathie met outgroup weg te nemen

Omdat wij met maar een klein deel van de sociale wereld om ons heen persoonlijk vertrouwd zijn, kunnen we over andere delen daarvan gemakkelijk allerlei negatieve vooroordelen ontwikkelen. We nemen dan soms snel "het zekere voor het onzekere". Tot nu toe blijkt het beste middel daartegen een toename van contacten tussen groepen te zijn. Zie Meer contact helpt tegen vooroordelen en tegen (gewelddadige) conflicten. En over hoe dat komt.
Dit is een citaat uit het bericht Over het vermogen om je empathie uit te schakelen. En over verantwoordelijke politici. In dat bericht en in het bericht waar ik in het citaat naar link, gaat het erover dat mensen in staat zijn tot het ontwikkelen van ingroup-outgroup indelingen en dat bovendien de maatschappij waarin wij leven tot het denken in zulke indelingen uitnodigt. Een actueel inzicht, mag je wel zeggen.

Een in de sociale wetenschappen al langer bestaand inzicht is dat negatieve vooroordelen minder worden als er meer contact is tussen groepen. Dit is bekend geworden als de contacthypothese, een term die in 1954 geïntroduceerd werd door de sociaal-psycholoog Gordon Allport (1897 - 1967). Door meer contact is er meer vertrouwdheid en we weten dat vertrouwdheid belangrijk bijdraagt aan empathie.

Er is nu nieuw onderzoek dat meer vertelt over wat voor contact, en hoeveel contact, dat dan zou moeten zijn: How learning shapes the empathic brain. Het onderzoek werd in Zwitserland uitgevoerd, waar een grote minderheid immigranten uit de Balkan woont, wat door veel Zwitsers als problematisch wordt gezien.

Stel je voor dat je een Zwitser bent. In het onderzoek word je een aantal keren met een andere Zwitser of met een Balkan-immigrant gekoppeld, waarbij na elke ronde de personen wisselen. Degene waar mee je gekoppeld bent, kan tegen inlevering van 5 Frank voorkomen dat jij een milde, maar ook weer niet prettige, schok krijgt toegediend op de rug van je hand. Maakt het dan verschil wie die ander is die daarover beslist, een mede-Zwitser of een Balkan-immigrant?

De onderzoekers gingen dat na doordat ze van te voren gemeten hadden hoe empathisch de proefpersonen reageerden op het zien van die toch wat pijnlijke ervaring van die schok door mede-Zwitsers en door Balkan-immigranten. Dit deden ze door de activiteit van de betreffende hersengedeeltes af te lezen (de personen lagen in een hersenscanner.) Meer activiteit in die gedeeltes staat voor meer empathie. Aan het eind van het onderzoek werden die metingen herhaald.

Toen bleek dat het geholpen worden door een Balkan-immigrant (door die schok te voorkomen) de empathie met die persoon, maar ook met andere Balkan-immigranten sterk verhoogde. Anders gezegd, positieve ervaringen met een lid van de outgroup generaliseerden naar de andere leden van die groep.

Bovendien bleek dat die toename van empathie tot stand kwam via een positiever gevoel over de leden van de outgroup. Een vergelijkbare toename van empathie was er niet bij de mede-Zwitsers, waar de empathie aanvankelijk al hoger was.

Hoe vaak moest je dan geholpen zijn voor dat die toename van empathie intrad? Na een grondige analyse van de gegevens kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat dit effect al optrad na een of twee keer geholpen te zijn. Leertheoretisch gezien: een of enkele positieve ervaringen met een tot dan negatieve stimulus was voldoende om je van je negatieve gevoelens te genezen.

Al met al levert het onderzoek sterke aanwijzingen op voor de geldigheid van de contacthypothese. Negatieve vooroordelen zijn te bestrijden door mensen met elkaar in contact te brengen en gelegenheden te creëren om iets voor elkaar te doen.

Dat geeft, in deze toch wat barre tijden, een beetje hoop.
(De afbeelding is afkomstig van Gordon Allport.)

maandag 11 januari 2016

Meer over waardoor leeftijdsmenging pesten tegengaat

Berekeningen op data van het Groningse KiVa-project bevestigen het vermoeden dat pesten minder voorkomt in leeftijdsgemengde schoolklassen. Zie Leeftijdsgemengde schoolklassen verminderen het pesten - Nieuwe aanwijzingen.

Maar leeftijdsmenging komt in twee vormen voor. Als het gescheiden lesgeven van verschillende jaargroepen in hetzelfde leslokaal, zoals op kleine scholen gebeurt. En als het doelbewust kiezen van lesgeven aan leeftijdsgemengde groepen, zoals de praktijk is in Jenaplan- en Montessorischolen.

In dat laatste geval is uit pedagogische overwegingen voor leeftijdsmenging gekozen. Zo luidt een van de basisprincipes van het Jenaplan-onderwijs:
In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren.
En op de website van het Montessori-onderwijs lees je dit citaat van Maria Montessori:
Klassen met alleen kinderen van dezelfde leeftijd, zoals in gewone scholen, raad ik af. Veel mensen denken dat ik bijvoorbeeld kinderen van 3 tot 6 jaar bij elkaar zet in een ruimte, omdat ik te weinig lokalen beschikbaar heb of niet genoeg kinderen om drie aparte klassen te maken. Maar zelfs als er meer dan duizend kinderen waren en een heel groot gebouw, dan zou ik het nog wenselijk vinden om kinderen die drie jaar in leeftijd verschillen bij elkaar in een groep te plaatsen.' Kinderen worden op deze manier in groepen geplaatst om een proces van continu leren en ontwikkelen mogelijk te maken. Bovendien is de sociale opvoeding gediend met een zo natuurgetrouw mogelijke manier van samen leven.
Maakt het nu uit om welke vorm van leeftijdsmenging het gaat? Ja, dat blijkt veel uit te maken. Ashwin Rambaran stuurde me zijn paper Who Bullies Whom? Level and Direction in Single-Grade and Multi-Grade Classrooms (samen met Marijtje van Duijn, René Veenstra en Jan Kornelis Dijkstra), waarin pedagogisch gemengde schoolklassen worden vergeleken met schoolklassen zonder leeftijdsmenging of met gescheiden onderwijs aan verschillende jaargroepen in hetzelfde klaslokaal.

En dan blijkt dat gepest worden in de pedagogisch gemengde schoolklassen de helft minder voorkomt dan in de andere twee typen schoolklassen. Het gaat dus echt om het leeftijdsgemengd les krijgen. Het samen in een klaslokaal zitten is niet voldoende.

Opvallend is dat dit gunstige effect al bereikt wordt met leeftijdsverschillen van niet meer dan drie jaar. Dat is nog maar een beperkte benadering van de sociale omgeving die er in het verleden, voorafgaand aan de "uitvinding" van de school, voor kinderen altijd was.

Je moet natuurlijk wel bedenken dat de Jenaplan- en Montessori-scholen ook op andere kenmerken zouden kunnen verschillen dan alleen de leeftijdsmenging. Het onderwijs lijkt er ook in meer algemene zin op het bevorderen van samenwerking gericht. Idealiter zou je het effect van de leeftijdsmenging op zich en van die algemene gerichtheid op samenwerking uit elkaar willen kunnen halen.

Maar het is natuurlijk ook weer niet toevallig dat die twee in de praktijk samen gaan. Als je vindt dat het belangrijk is om kinderen in een natuurlijke sociale omgeving te leren samenwerken en voor elkaar te zorgen, dan bedenk je meteen dat het lesgeven in jaargroepen geen goed idee is.

zondag 10 januari 2016

Zondagochtendmuziek - Arvo Part - Salve Regina (Full)

In het Haags Fotomuseum zagen we de prachtige tentoonstelling Boeren. Avonturen op het land. Prachtige foto's. Maar ook kun je er de geweldige film Het is een schone dag geweest van Jos de Putter zien. Volg de link, waar je hem ook online kunt zien (na 1:12 uur).

Een intrigerende en indrukwekkende film. Waarvan de beelden zo mooi zijn dat je je de muziek nauwelijks realiseert. Maar muziek die wel precies bij die beelden past. Op de aftiteling zag ik dat muziek van de Estse componist Arvo Pärt gebruikt was.

Die muziek heeft tegenwoordig veel bewonderaars, maar ik ben niet een groot liefhebber. Ik bedacht dat dat misschien komt door de sterk religieuze sfeer die er om heen hangt, die bij mij niet zo aanslaat.

Maar zie daar, zet er beelden onder zoals die van Jos de Putter en ik luister anders en ben er diep door geraakt. Dus zocht ik wat op Youtube en vond dit:

donderdag 7 januari 2016

Leeftijdsgemengde schoolklassen verminderen het pesten - Nieuwe aanwijzingen

(Update: Zie nu ook het vervolg op dit bericht: Meer over waardoor leeftijdsmenging pesten tegengaat.)

Gepest worden op school is voor leerlingen een kwelling. Bovendien zijn er aanwijzingen voor grote negatieve lange-termijn effecten. Dat het een groot maatschappelijk probleem is, blijkt uit de veelheid van anti-pestprogramma's die zijn ontwikkeld en uit de wettelijke verplichting voor scholen om pesten met zulke programma's aan te pakken.

Maar zijn we met al die anti-pestprogramma's wel op de goede weg? Het staat natuurlijk wel goed om als school te kunnen uitdragen dat je een anti-pestprogramma hanteert. Maar de echte oorzaken van het pesten laat je er mee bestaan.

Hoezo? Welnu, in verreweg de meeste scholen brengen kinderen hun tijd door in leeftijdshomogene groepen. En we weten dat het verkeren onder leeftijdsgenoten de onderlinge statuscompetitie aanwakkert. Vooral als leerlingen elkaar nog niet langdurig kennen, gaat het er dan al gauw om wie stoer en cool is, wie weet te intimideren en wie kwetsbaar blijkt te zijn. En pesten is een gedrag dat onderdeel is van die statuscompetitie.

Dat we onze kinderen zo extreem onder leeftijdsgenoten laten opgroeien, is een merkwaardig sociaal arrangement. Voor hun sociale en emotionele ontwikkeling is het veel beter dat ze meer in aanraking komen met oudere en jongere kinderen. En met volwassenen. Dat is ook de sociale omgeving die er in de mensheidsgeschiedenis altijd voor kinderen is geweest. Toen we scholen "uitvonden", lijken we ons dat niet gerealiseerd te hebben.

Maar er zijn scholen met leeftijdsgemengde groepen en klopt het dan dat pesten daar minder voorkomt? Ja, daarvoor zijn aanwijzingen. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat kinderen in leeftijdsgemengde groepen pro-socialer zijn, zich minder eenzaam voelen en minder vaak agressief zijn. Dat suggereert dat er in zulke groepen minder gepest wordt. Oudere kinderen voelen de verantwoordelijkheid om zich wat over de jongere kinderen te ontfermen en jongere kinderen oriënteren zich op dat voorbeeldgedrag.

Zou dat in Nederland ook zo zijn? Ja, dat blijkt nu uit resultaten van berekeningen die zijn uitgevoerd op data van het TRAILS-onderzoek, die ik kreeg toegestuurd. (Waarvoor dank.) Als onderdeel van dat onderzoek wordt ook pesten bestudeerd, onder meer om de werking van het KiVa anti-pestprogramma te evalueren. Maar doordat ook scholen met leeftijdsmenging werden onderzocht, kun je dus nagaan of die twee groepen scholen verschillen in hoeveel pesten er voorkomt.

De berekeningen waarvan ik de resultaten kreeg waren uitgevoerd op de eerste meting, voorafgaand aan de KiVa-interventie. Het ging om 99 scholen met in totaal 9504 leerlingen. Leeftijdsgemengde schoolklassen kwamen in twee vormen voor.

In de ene vorm is de leeftijdsmenging een bedoeld pedagogisch arrangement, zoals op de Jenaplan- en de Montessorischolen. De filosofie van deze scholen gaat er van uit dat leeftijdsmenging gunstig is voor de ontwikkeling van kinderen en de onderwijsvormen en de training van de leerkrachten is daar ook op afgestemd.

Maar er is daarnaast ook een leeftijdsmenging die er uit voortkomt dat sommige scholen zo klein zijn dat verschillende jaargroepen les krijgen in hetzelfde lokaal. Die groepen krijgen meestal apart les. Je zou kunnen zeggen dat de leeftijdsmenging hier onbedoeld is.

In de berekeningen zijn deze twee groepen scholen samengenomen en is het pesten vergeleken met scholen zonder enige vorm van leeftijdsmenging.

En wat blijkt? In de leeftijdsgemengde schoolklassen zijn er significant minder leerlingen die aangeven slachtoffer te zijn geweest van pesten door klasgenoten dan in de leeftijdshomogene klassen. 

Kortom, ook in Nederland vermindert leeftijdsmenging het pesten.

Wat dit nog niet duidelijk maakt is of het voldoende is om leerlingen van verschillende leeftijden in hetzelfde lokaal les te geven of dat het daarnaast ook nog nodig is om de onderwijsvormen daarop af te stemmen.

Hoe dan ook, nieuwe aanwijzingen dus dat leeftijdsmenging het beste middel is tegen pesten

Laten we er dus mee ophouden met eerst de oorzaken van het pestprobleem te creëren, die oorzaken niet aan te pakken, maar vervolgens wel allerlei anti-pestprogramma's te laten ontwikkelen om de gevolgen te bestrijden. Logisch lijkt dat niet.

dinsdag 5 januari 2016

In wat voor wereld leven wij? Over gemeenschapsondersteuning en ideologie

In de tijd van het jaar waarin je met je familie en
vrienden de beste wensen uitwisselt, is er soms ineens ruimte om je vragen te stellen waar je anders niet aan toekomt. Voor mij was dat de vraag in wat voor wereld wij eigenlijk leven.
Dat kwam ook doordat ik het mooie boek Human Race. 10 Centuries of Change on Earth van Ian Mortimer op mijn leestafel had liggen.
Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb. Lees hier verder: In wat voor wereld leven wij? Over gemeenschapsondersteuning en ideologie.

Over ontevredenheid met de politiek en de steun voor de verzorgingsstaat - leven we in een pre-revolutionaire toestand?

Er zijn van die statistieken die weinig veranderen en misschien daardoor nauwelijks aandacht krijgen. Zo is er een stabiel patroon in de tevredenheidsstatistieken. We zijn behoorlijk tevreden met ons eigen leven. In een rapportcijfer uitgedrukt, geven we ons eigen leven gemiddeld een 7,6 of daaromtrent. (Cijfers ontleend aan Burgerperspectieven 2015 | 4.) En door de jaren heen zie je daarin nauwelijks verandering.

Maar net zo stabiel is het gegeven dat we behoorlijk minder tevreden zijn met de toestand van het land. In 2014/'15 gaven we een 6,2 aan de huidige staat van het onderwijs, een 6,0 aan die van de gezondheidszorg en aan de manier waarop de democratie werkt, een 5,3 aan de huidige toestand van de economie en een 5,1 aan de manier waarop de Nederlandse regering haar werk doet.

Die tevredenheidskloof is soms aanleiding om die ontevredenheid met de toestand van het land wat te relativeren. Iedereen is immers behoorlijk tevreden, dus waar zeuren we over? Die ontevredenheid zal wel aan de negatieve berichtgeving liggen.

Maar kijk dan ook even naar de rapportcijfers voor het vertrouwen in parlement (5,2), politici (4,9) en politieke partijen (4,8).  Ook die zijn door de jaren heen behoorlijk stabiel. Die ontevredenheid en dat lage vertrouwen zullen wel met elkaar te maken hebben. Als je er met wat afstand naar kijkt, dan moet je wel onder ogen zien dat enige verontrusting op zijn plaats is. Kan zo een opvallende ontevredenheid met politiek en democratie lang blijven voortbestaan? Anders gezegd, hebben we hier eigenlijk niet met een pre-revolutionaire toestand te maken. Ik weet het, dat klinkt overdreven, maar dat komt misschien wel doordat deze cijfers zo weinig aandacht krijgen.

Uit de sociaalwetenschappelijke literatuur kennen we de hypothese van James C. Davies dat revoluties vooral uitbreken als door voorafgaande verbetering van omstandigheden aangewakkerde verwachtingen gefrustreerd worden door plotselinge achteruitgang. Zie de figuur, overgenomen uit The J-curve – James C. Davies’ Theory of Revolutions.

Nu zijn er veel revoluties geweest die niet op deze wijze verklaard kunnen worden. Andersom: het verloop van de hoge economische groei tot aan de crisis van 2008-2010 en de daarop volgende stagnatie lijkt wel erg sterk op wat in de figuur is afgebeeld. Misschien toch pre-revolutionair?

Maar wat zijn dan die verwachtingen die gefrustreerd zijn? Die liggen misschien niet in de eerste plaats op het vlak van de individuele omstandigheden. Als je afgaat op die stabiele tevredenheid met het eigen leven. Wat dan wel, vraag je je af.

Welnu, daar krijg je zicht op als je kijkt naar de door de bevolking gewenste veranderingen in uitgaven aan politieke doeleinden. Als je mensen vraagt aan welke doeleinden meer (of minder) geld zou moeten worden uitgegeven, dan staan er van 17 doeleinden vier met afstand bovenaan. Dat zijn "vergroten van de werkgelegenheid", "verbeteren van de gezondheidszorg", "bestrijden van armoede in Nederland" en "verbeteren van het onderwijs", met een nettosteun voor stijging van uitgaven van respectievelijk 75, 75, 70 en 68 procent.

En wat je dan natuurlijk meteen opvalt is dat het hier gaat om de verzorgingsstaat. Jawel, de verzorgingsstaat. Als er in Nederland een revolutie uitbreekt, liever natuurlijk via de weg van de verkiezingen, dan lijkt dat er een te worden die voortkomt uit gefrustreerde verwachtingen omtrent de voorzieningen van de verzorgingsstaat. Wij willen met zijn allen dat iedereen die wil werken werk moet kunnen vinden, dat de gezondheidszorg goed en voor iedereen toegankelijk is, dat niemand in armoede hoeft te leven en dat onze kinderen het beste onderwijs krijgen dat er is.

En het is duidelijk dat we vinden dat de politiek niet levert.

Zie voor die kloof met de politiek ook: Zijn de kiezers linkser dan de politici?

Al mijn volgers en abonnees een gelukkig en gezond 2016 toegewenst!