zaterdag 23 april 2016

Kun je in 2016 nog vragen of de mens een diersoort is?

"U ziet de mens als een van de vele diersoorten?" vraagt Wilma de Rek aan Frans de Waal. Naar aanleiding van zijn nieuwe boek  Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? Het interview staat vandaag in De Volkskrant.

Ik moet het boek nog lezen. Maar nu al vast een berichtje over dat interview. Of eigenlijk vooral over die ene vraag. Van Wilma de Rek herinner ik me best wel goede stukken gelezen te hebben. Maar waarom stelt ze deze toch wat dommige vraag?

Want zijn onze algemene kennis van mens en dier en daarmee ons zelfinzicht als mensheid niet al lang zover voortgeschreden dat je die vraag niet meer kunt stellen zonder je een beetje belachelijk te maken?

"Zeker", antwoordt Frans. Wat er op wijst dat hij al zo vaak geïnterviewd is, dat hij heeft geleerd om zich niet boos te maken over domme vragen.

Misschien heeft de interviewster zich wat al te overdreven willen verplaatsen in het minst geïnformeerde deel van het lezersbestand van de krant. Ik hoop het voor haar.

Maar ik geef toe, het is ook weer niet een door de gehele wereldbevolking aanvaard inzicht dat de mens "gewoon" een van de vele (zoog-)diersoorten op aarde is. Het is een inzicht dat verworven moet worden, Dat wil zeggen, het bestond waarschijnlijk als vanzelfsprekend bij de jagers-verzamelaars, maar ging verloren na de Agrarische Revolutie. Of beter, de "agriculturele industrialisatie", zoals Frans die in het interview noemt.

Wat we sinds die tijd met dieren doen, zou je kunnen gaan zien als "overheersen". En daardoor kun je op het hoogmoedige idee komen dat wij mensen zo uniek en oppermachtig zijn, dat we wel uit de biologische wetenschap kunnen worden weggeschreven. Dat dat wel een heel oppervlakkig idee is, daar sta je pas weer bij stil als je een keer in het ziekenhuis terecht komt.

Dat wij mensen een zoogdiersoort zijn, is niet een inzicht dat kinderen als vanzelf meekrijgen. Ik herinner mij dat ik als prepuber worstelde met het net verworven besef van de eindigheid van het leven. De angstige gedachte drong zich op dat de mens misschien wel niet het einddoel van de evolutie was. (In de schepping heb ik naar mijn beste herinnering nooit geloofd.) En dus was daar het inzicht dat, jawel, de mens een van de vele diersoorten is.

Misschien had ik toen ook al wel Woutertje Pieterse gelezen, want daarvan was in 1950 een nieuwe editie verschenen, bezorgd door Garmt Stuiveling. Waarin Juffrouw Laps te horen krijgt dat ze een zoogdier is. Het is te verleidelijk om een passage te citeren:
- Juffrouw Laps, ik wenschte te weten wat gy zyt uit een dierlyk oogpunt.
- Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op 't punt staat zich beleedigd te voelen.
- Ik ben 'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.
- En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan was vasttehouden aan die meening.
- Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlyk oogpunt...
- Als 't onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.
- Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen voor ons plezier.
- Menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek - Stoffel, zeg 't maar - je zult 'r om lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat in 'n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen - toe, Stoffel, zeg 't maar!
- Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig - en er was 'n gewichtig oogenblik aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse - juffrouw Laps, je bent 'n zoogdier.
Woutertje Pieterse was onderdeel van Multatuli's Ideeën, die tussen 1862 en 1877 in zeven bundels werden uitgebracht.

Maar in 2016 vraagt Wilma de Rek aan Frans de Waal "U ziet de mens als een van de vele diersoorten?"

Maar goed, gisteren kreeg ik van Aafke Hendriks haar nieuwe boek Terug naar onze zoogdierlijke roots. Over de oorzaak van psychisch lijden toegestuurd. Ga ik lezen en ik kom er op terug. Maar eerst een poosje vakantie.

vrijdag 22 april 2016

Tijd die ouders met hun kinderen doorbrengen sinds 1960 gestegen - Nee, dat is geen gunstige ontwikkeling

Analyse van gegevens voor 12 landen (Canada, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Verenigde Staten) laat zien dat de tijd die ouders met hun kinderen doorbrengen sinds 1960 alleen maar is toegenomen. Zie Educational Gradients in Parents' Child-Care Time Across Countries, 1965–2012, net verschenen in de Journal of Marriage and Family.

Het gaat om het aantal minuten per dag die ouders besteden aan zorg voor hun kinderen (koken, voeden, wassen, naar bed brengen en wekken, oppassen, voorlezen, spelen, helpen met huiswerk, toezicht en andere zorg voor baby's en kinderen). De toename geldt zowel voor moeders als vaders, maar is voor moeders groter.

Opvallend is dat de onderzoekers deze toename als positief beoordelen en het betreuren dat hij geringer is voor lager-opgeleiden. (Update. En opvallend is dat ze dat zonder enig argument en kennelijk gedachteloos doen.) Dat deze ontwikkeling laat zien hoe het sociale isolement van gezinnen is voortgeschreden en dat zulks voor kinderen ongunstig is, dat komt niet bij de auteurs op.

Want hoe zou het komen dat ouders zoveel meer tijd aan hun kinderen zijn gaan besteden? Zouden ze dan in 1960 hun kinderen zo verwaarloosd hebben?

Onzin, natuurlijk. Ze besteden meer tijd doordat er minder anderen dicht in de buurt zijn die een handje helpen. Grootouders, familie, vrienden, buren die je kent. Of die gewoon aanwezig zijn en waar kinderen binnen kunnen lopen. Of die op straat een oogje in het zeil houden, zodat kinderen buiten kunnen spelen.

Kinderen hebben juist veel contacten met vertrouwde anderen buiten het eigen gezin broodnodig voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Voor hun gevoel van veiligheid, de ontwikkeling van hun pro-sociale gedrag en hun vertrouwen in andere mensen.  Zie de berichten op dit blog over het sociale isolement van gezinnen.
Update. En natuurlijk de berichten over het belang van de buurt. En die over het belang van grootouders.

woensdag 20 april 2016

Joseph Stiglitz: De eurozone is het probleem

Het zou prettig zijn als iedereen die er in Europa in het economische beleid toe doet hier even kennis van zou nemen. Iemand twitterde dat hij graag in de positie zou zijn om het gedwongen aan Duitse economen en politici toe te dienen.

Het gaat om de presentatie die Joseph Stiglitz (zie hier meer over hem) vorige week onder de titel Europe Can Do Better gaf voor het Europäisches Gespräch van de Hans Böckler Stiftung in Düsseldorf. Update. De presentatie vond plaats in Brussel.

Hier is de link naar de 50 powerpointdia's: Europe Can Do Better.

Alles zou ondertussen wel bekend moeten zijn. Maar helaas. De wereld lijkt anders in elkaar te zitten.

Bij wijze van ultrakorte samenvatting deze weergave van dia nummer 47 (in mijn vertaling):

De crisis in Europa is zelfgemaakt


Hij was niet veroorzaakt door een natuurramp


Hij was veroorzaakt door de besluiten van Europa en zijn leiders

Door wat ze deden
Door wat ze nalieten te doen 

Ze creëerden de voorwaarden die de crisis lieten gebeuren

Ze reageerden op een manier die de crisis verergerde

dinsdag 19 april 2016

Over vertrouwdheid en het verschil tussen een ultimate en een proximate verklaring - Een biologische antropologie van de Bijbel - 9

In het hoofdstuk van Het oerboek van de mens waarin Carel van Schaik en Kai Michel een evolutionair geïnspireerde verklaring geven voor die merkwaardige obsessie met stambomen die we in Genesis tegenkomen, tref je deze passage aan:
In de kleine groepen van jagers-verzamelaars waren er drie mechanismen die een garantie vormden voor altruïstisch gedrag: verwantschap ('als ik mijn familie help, help ik kopieën van mijn eigen genen'), wederkerigheid ('voor wat, hoort wat') en indirecte wederkerigheid ('ik help diegenen van wie ik weet dat ze ook anderen helpen - en draag zo bij aan mijn eigen reputatie, zodat anderen mij weer helpen').
En dat is een passage die om opheldering vraagt. Want Van Schaik en Michel presenteren hier drie ultimate verklarende mechanismen voor altruïsme (of pro-sociaal gedrag) alsof het proximate verklaringen zijn.

Wat is het verschil tussen ultimate (ongeveer: uiteindelijke) en proximate (ongeveer: dichtbije) verklaringen?  Daarvoor kunnen we even teruggaan naar het bericht "Wij samen" maakt pro-socialer - Pro-sociaal gedrag en sociale omgeving (13), waarin ik dit citaat aanhaalde:
Kort gezegd gaan uiteindelijke verklaringen over waardoor een gedrag bestaat en gaan proximate verklaringen over hoe een gedrag werkt.
Iets uitgebreider: een ultimate verklaring geeft een antwoord op de vraag hoe een bepaald gedragspatroon in de evolutie heeft kunnen ontstaan. En vertelt ons dus hoe dat gedrag in het verleden meer heeft bijgedragen aan overleving en voortplanting dan mogelijke alternatieve patronen.

Daarentegen vertelt een proximate verklaring iets over de situaties waarin dat gedrag optreedt. Waarin het wordt getriggerd.

Ter illustratie: er is een ultimate verklaring voor seks, die inhoudt dat ons seksuele gedrag er is omdat het in het verleden bijdroeg aan evolutionair succes. Maar de proximate verklaring voor een seksuele handeling is dat er zich een situatie voordoet die daartoe triggert. Een romantisch samenzijn. Of het bekijken van porno. Alles wat onhandig onder woorden gebracht, maar u begrijpt wat ik bedoel.

Welnu, verwantschap en (indirecte) wederkerigheid zijn typisch ultimate verklarende mechanismen voor pro-sociaal gedrag. En vertellen ons dus niet hoe precies dat pro-sociale gedrag in die jagers-verzamelaarsgroepen tot stand kwam. Want jagers-verzamelaars waren niet bijzonder in verwantschap geïnteresseerd. Het maakte hen niet veel uit, ook al omdat vaak niet precies duidelijk was wie de vader was.

Ook waren ze niet berekenend in hun onderlinge gedrag, in de zin dat ze niet of nauwelijks bijhielden of er tegenover een dienst wel een wederdienst stond. Omdat meestal iedereen hielp als dat nodig was, hoefde je daar niet zo op te letten.

Nee, de proximate verklaring voor het pro-sociale gedrag was veel meer de omstandigheid dat er tussen alle groepsleden een grote mate van vertrouwdheid bestond. Je groeide in die groep op en leerde bij het opgroeien dat samenwerking en delen vanzelfsprekend waren.  Je wist niet beter dan dat je de mensen met wie je vertrouwd was, bijstond als dat nodig was. Net zo als je dat van hen verwachtte als jij hulp nodig had. Ga ook nog even weer terug naar het bericht Berust wederkerigheid op vertrouwdheid of op berekening?

Die vertrouwdheid, daar ging het om. (Update. En omdat verwantschap en vertrouwdheid sterk samenhingen, veel vertrouwden waren ook verwanten, kon pro-sociaal gedrag tussen vertrouwden dus evolutionair versterkt worden. Net zo werd de neiging om vertrouwden te helpen evolutionair aan volgende generaties doorgegeven, omdat vertrouwdheid altijd tweezijdig is.)

En precies die vertrouwdheid, die werd precair in de veel anoniemere landbouwsamenlevingen. Pro-sociaal gedrag werd niet meer als vanzelf getriggerd, omdat je ook vaak onder vreemden verkeerde. Waardoor voortdurend conflicten, chaos, competitie en geweld op de loer lagen. En dat gaf aanleiding tot al die Bijbelverhalen, in het bijzonder tot die obsessie met stambomen, waar het in het vorige bericht over ging.

Wie verdiende jouw hulp en bijstand wie niet? Om die vragen te beantwoorden, vonden mensen verwantschap uit als richtlijn. Inderdaad, een uitvinding.

Maar ook fictieve verwantschap, omdat er voor een vreedzame samenleving meer pro-sociaal gedrag nodig was dan alleen tussen verwanten. Van Schaik en Michel:
De Bijbel simuleert één grote familie en vervangt anonimiteit door een uit een gezamenlijk verleden voortkomende vertrouwdheid.
Precies! Het gaat om die vertrouwdheid. Liever de echte, maar als het niet anders kan, dan maar een geconstrueerde.

maandag 18 april 2016

Waarom toch die obsessie met stambomen in Genesis? - Een biologische antropologie van de Bijbel - 8

Carel van Schaik en Kai Michel attenderen de lezer in hoofdstuk 3 van hun Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel op de merkwaardige passages in Genesis waarin genealogische overzichten worden uiteengezet. Die uitvoerige opsommingen stellen het geduld van de lezer op de proef. Vanwaar deze obsessie met stambomen?

Volgens Van Schaik en Michel kwam die voort uit een in de tijd van de landbouwrevolutie opkomende anti-chaosstrategie:
De samenleving moest een sociaal netwerk knopen om tegenwicht te kunnen bieden aan de centrifugale krachten (...). Er moest van alles worden gedaan om te voorkomen dat het egoïstische belang van een enkeling de samenleving in chaos zou doen verzinken.
Er moest iets in de plaats komen van de grote mate van onderlinge vertrouwdheid waarop in de jagers-verzamelaarssamenlevingen de sociale orde van samenwerking en delen was gebaseerd. Omdat mensen vrij plotseling veel meer onder vreemden kwamen te verkeren, en die kring van onderlinge vertrouwdheid een klein eilandje werd in een grote zee van alle mensen die je tegenkwam, ontstond er een tot dan onbekend probleem. Hoe ga je om met vreemden? Wat kun je verwachten van vreemden?

Het uitzoeken van wie met wie verwant
is en of een vreemde misschien toch nog in een steeds maar uitdijende stamboom met jou verbonden is, dat werd een algemeen gedeelde interesse. Een obsessie, kun je wel zeggen. Want als zo verwantschap is ontdekt of via vele omwegen is gereconstrueerd, dan creëer je daarmee een soort gezamenlijkheid die een substituut wordt van de vertrouwdheid die je eigenlijk zou willen. En dan ga je daarnaar handelen en verwacht je dat de ander dat ook zal doen.

Dan kan zo ver gaan dat we het sjabloon van verwantschap ook gaan toepassen in die gevallen waarin een "echte" verwantschap niet gevonden is. Want we zijn toch allemaal familie?
Fascinerend wat er gebeurt: hier wordt een oeroude bron van menselijk altruïsme aangeboord. Als genealogieën een 'fictieve verwantschap' construeren, hebben we te maken met een 'culturele manipulatie van familiepsychologie' met als oogmerk om in grootschalige samenlevingen solidariteit tot stand te brengen. De Bijbel simuleert één grote familie en vervangt anonimiteit door een uit een gezamenlijk verleden voortkomende vertrouwdheid.
Vandaar het gebruik in religieuze groepen om elkaar als "broeders" en "zusters" aan te spreken. En vandaar het godsbeeld van een vaderfiguur.
(In het citaat hierboven wordt verwezen naar het artikel The Evolution of Religion: How Cognitive By-Products, Adaptive Learning Heuristics, Ritual Displays, and Group Competition Generate Deep Commitments to Prosocial Religions van Scott Atran en Joseph Henrich, dat nu op mijn leeslijst staat.)
Bedenk daarbij hoe ambivalent de Bijbelverhalen als geheel zijn. Want terwijl hier de boodschap is dat we eigenlijk allemaal familie van elkaar zijn, en we ons dus ook als familie zouden behoren te gedragen, dienen weer andere verhalen om grote machtsverschillen te legitimeren. In feite handelen we natuurlijk maar beperkt volgens die familieboodschap.

Waardoor er machtigen en machtelozen ontstaan. En de machtigen verspreiden de verhalen die uitdragen dat dat zo hoort en nu eenmaal onvermijdelijk is.

Het is eigenlijk maar een klein stapje van die Bijbelverhalen naar de mediaberichtgeving en de ideologieën van vandaag de dag.

(De figuur toont de stamboom van Abraham en is ontleend aan de wiki-pagina De geschiedenis van Abraham.)

zondag 17 april 2016

Zondagochtendmuziek - Pavel Haas: String Quartet No.2 (1925)

Het Pavel Haas Kwartet speelde gisteravond in de Hertz-zaal van TivoliVredenburg in Utrecht het eerste strijkkwartet van Prokofjev, het strijkkwartet in F op. 95 van Beethoven en, met Boris Giltburg, het pianokwintet in g op. 57 van Sjostakovitsj. Drie enerverende stukken en met veel passie en concentratie uitgevoerd.

Maar wie was eigenlijk Pavel Haas, naar wie het kwartet is vernoemd? Hij was een Tsjechische componist, die werd geboren in 1899 en in 1944 in Auschwitz door de Duitsers werd vermoord. Deze Wikipedia-pagina geeft veel informatie.

Hier speelt het Pavel Haas Kwartet zijn Tweede Strijkkwartet. In 2007 op CD uitgebracht, samen met het Eerste en het Derde. Indringende muziek. Mooi dat zijn naam en zijn muziek voortleven.

donderdag 14 april 2016

Meer fysieke pijn bij grotere bestaansonzekerheid - Komt door verlies van controle over het leven

Misschien bestaat de kernfout van de neoliberale economische politiek en van het neoliberale mensbeeld er wel uit dat ze de menselijke behoefte aan bestaanszekerheid over het hoofd zien. Als je denkt in termen van nutsmaximalisatie, dan gaat het om zoiets als geaggregeerde welvaartsveranderingen en niet om de grootte van de schommelingen (de amplitude) door de tijd heen.

Hoe groter die schommelingen, hoe groter de bestaansonzekerheid. En mensen hechten aan bestaanszekerheid. Vandaar dat ze liever een gestage geringere inkomensgroei hebben dan een per saldo grotere, maar met meer ups and downs. En vandaar dat economische groei alleen dan gelukkiger maakt als hij gestaag is, dus zonder recessies.

De studie Economic Insecurity Increases Physical Pain wijst nu op het verband tussen het ervaren van economische bestaansonzekerheid en fysiek lijden. De onderzoekers wijzen er op dat ten tijde van toenemende ongelijkheid en bestaansonzekerheid in de Verenigde Staten ook de kosten van pijnbestrijding sterk toenamen. Zo steeg het gebruik van pijnstillers tussen 2006 en 2012 met de helft.

Voorts blijkt dat hoe meer een huishouden te maken heeft met werkloosheid, hoe hoger de consumptie van pijnstillers. En dat geldt ook als je rekening houdt met allerlei controlevariabelen, waaronder de uitgaven aan middeltjes tegen verkoudheid en griep. Ook blijken het zelf werkloos zijn én het wonen in een staat met een hoge werkloosheid samen te gaan met het meer ervaren van fysieke pijn.

Bovendien lijkt het er op dat bestaansonzekerheid ook echt de oorzaak is van het meer ervaren van pijn. Want als je mensen vraagt om terug te denken aan een bestaansonzekere periode van hun leven (versus een bestaanszekere), dan rapporteren degenen die aan een bestaansonzekere periode terug dachten een hoger pijnniveau (hoofdpijn, pijn op de borst, buikpijn).

En tenslotte maken de onderzoekers het plausibel dat een gebrek aan controle het tussenliggende mechanisme is. Bestaansonzekerheid vergroot het gevoel dat je geen controle over het leven hebt en dat gevoel leidt tot het meer ervaren van fysieke pijn.

Je wordt er door aan het denken gezet. Mensen hebben allereerst bestaanszekerheid nodig. En in hun economische beleid zouden overheden zich daar, netjes gezegd, wel wat meer rekenschap van mogen geven.

dinsdag 12 april 2016

Door de overgang naar landbouw meer kindersterfte en toch bevolkingsgroei - De neolithische paradox

Door het afscheid uit het Paradijs, de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw, werd het leven een geploeter. De gezondheidstoestand verslechterde, zich uitend in een afname van lichaamslengte, en de mortaliteit nam toe. Toch nam ook de bevolkingsomvang toe. Terwijl de bevolkingsgroei voor de landbouwrevolutie op minder dan 0,001 procent wordt geschat, nam die daarna toe tot ongeveer 0,04 procent. Dat wordt wel de paradox van de Neolithische demografische transitie genoemd. Hoe is die te verklaren?

Toevallig verscheen gisteren de studie Reproductive trade-offs in extant hunter-gatherers suggest adaptive mechanism for the Neolithic expansion, die daar licht op werpt. De onderzoekers maken er gebruik van dat de Palanan Agta bevolkingsgroep, die leeft in het Northern Sierra Madre Natural Park op een van de Philippijnse eilanden, zich in de overgang bevindt van jagen en verzamelen naar landbouw. Sommigen leven nog geheel van jagen en verzamelen en zijn mobiel. Anderen combineren jagen-verzamelen en landbouw en zijn semi-mobiel en nog weer anderen zijn geheel op landbouw overgegaan met een vaste verblijfplaats.

Wat blijkt nu? Degenen met een vaste woonplaats hebben meer last van virale en bacteriële infecties en van wormen (behalve als ze toegang hebben tot schoon drinkwater). Ook is de kindersterfte hoger. Dit lijkt samen te hangen met de mate van bevolkingsconcentratie. Bovendien gaat landbouw samen met een eenzijdiger dieet, wat de kans op virale infecties vergroot.  Alles in vergelijking met degenen die zijn blijven jagen en verzamelen en zich niet vast hebben gevestigd.

Toch was de vruchtbaarheid hoger. Ondanks de hogere kindersterfte hadden de landbouw-moeders gemiddeld 4,4 kinderen die tot hun zestiende overleefden en de jagers-verzamelaars-moeders 3,8.

Mogelijke verklaringen zijn dat landbouw-vrouwen minder energie verbruikten en mede door het koolhydraatrijke dieet een hogere BMI (body mass index) hadden. Dit maakte kortere intervallen tussen geboortes mogelijk.

De hogere kindersterfte werd dus meer dan gecompenseerd door meer geboortes.

En dat werpt weer een ander licht op de geboortepijnen waartoe vrouwen in de Bijbelverhalen door God werden veroordeeld. Niet alleen namen die pijnen per geboorte toe, als gevolg van de slechtere gezondheidstoestand na de overgang naar de landbouw, maar vooral ook nam het aantal geboortes per vrouw toe.

Tot slot: die toename van de bevolking na de landbouwrevolutie moet je wel in perspectief zien. De echte toenames begonnen pas na de riolering, de geneeskunde en de gezondheidszorg en de antibiotica. Zie het verloop van de wereldbevolking sinds 8000 voor Christus.
Het plaatje van de bevolkingsbom overgenomen van Hoeveel mensheid kan een aarde aan?

maandag 11 april 2016

Het verhaal van Kaïn en Abel diende om machtsverschillen te legitimeren - (Een biologische antropologie van de Bijbel - 7)

Het probleem van eigendom, dat na de landbouwrevolutie de geschiedenis van de mensheid binnenkwam, bracht als vanzelf het probleem met zich mee hoe je bezit moest doorgeven. Dat je het doorgaf aan zonen, kwam er uit voort dat de landbouw ook weer als vanzelf een patriarchale samenleving voortbracht. Zie het vorige bericht in deze reeks over Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel: Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen.

Maar aan alle zonen? Dat zou leiden tot een steeds maar doorgaande versnippering van het bezit, gegeven dat landbouwgrond schaars was en dat het bezit dus niet onbelemmerd kon worden uitgebreid. De gekozen oplossing, die de steun krijgt van de God van de Hebreeuwse Bijbel, het eerste geboorterecht, zorgde er voor dat het bezit in stand bleef. Maar hij creëerde ook meteen nieuwe problemen: bezitloze broers en zussen en conflicten om bezit. Daarmee zijn we aangeland bij het verhaal van Kaïn en Abel en bij het geboorteuur van geweld (Hoofstuk 2).

Kaïn was de eerstgeborene, maar God
accepteerde wel het offer van Abel, de jongere broer, en niet dat van Kaïn. Waarop Kaïn Abel doodsloeg, door God werd vervloekt en tot een zwervend bestaan werd veroordeeld. Maar hij werd door God beschermd (het Kaïnsteken), vestigde zich elders en werd stamvader van een succesvol geslacht.

Een merkwaardig verhaal. Dat zal er mee te maken hebben dat het kennelijk vele malen is omgewerkt. Maar dat het uiteindelijk deze vorm heeft gekregen is betekenisvol. Het eerste geboorterecht stuitte uiteraard op verzet. Het ging in tegen de egalitaire moraal van de jagers-verzamelaars. Om het toch te rechtvaardigen, moest aan die bezwaren wel aandacht worden besteed. Maar tegelijk moest ook de onvermijdelijkheid er van worden benadrukt.

En ten behoeve daarvan moest een plaats worden gegeven aan de egoïstische en competitieve impulsen, die in de jagers-verzamelaarsgroepen weliswaar succesvol werden onderdrukt, maar nog wel steeds deel uitmaakten van de menselijke sociale natuur (denk weer even aan de Dual-Mode theorie).  In de woorden van Van Schaik en Michel:
Maar in de nieuwe wereld moesten de clans, patrilineair georganiseerde families dus, de rijen sluiten om hun bezit te verdedigen. Dan komen egoïstische impulsen die nu eenmaal ook deel uitmaken van onze eerste natuur juist van pas. Ooit door de groep onder controle gehouden, geven de patriarchen hun egoïsme nu alle ruimte; dat moet ook wel, willen ze in de maatschappelijke concurrentie niet aan het kortste eind trekken. Met krachtige hand houden ze de familieclan bijeen en naar buiten toe vertrouwen ze op geweld.
Dat maakt begrijpelijk dat in het Bijbelverhaal het conflict een duidelijke plaats krijgt, maar dat bovendien Kaïn, de eerstgeborene, de stamvader wordt van een succesvolle stam. En daarmee de vader van alle culturen, goddelijk beschermd en gelegitimeerd.
De leden van de stam van Kaïn blijken, zo vertelt de Bijbel, uiterst getalenteerd in het monopoliseren van bezit, van vrouwen en van macht. Zij vormen de kiemcel voor tirannie en despotisme. En zij zijn het die de mensheid naar de volgende trappen van beschaving zullen leiden, naar de chiefdoms en de eerste staten. Bij hun oorlogen kijkt de wereld in spanning toe. Op het gevaar af dat we ons herhalen, de Bijbel slaat de spijker op de kop.
Het moeten roerige tijden zijn geweest, die van de overgang naar landbouw en naar eigendom. En roerige tijden vinden een uitdrukking in verhalen die worden doorverteld.

Waarbij de machtigen meer invloed hebben op het doorvertellen en het bewerken van de verhalen dan de zwakkeren. En dus blijven die verhalen over die de machtsverschillen afschilderen als nu eenmaal onvermijdelijk.

Met enige huivering besef je opeens hoe actueel eigenlijk dat verhaal van Kaïn en Abel nog steeds is.

donderdag 7 april 2016

Van klassenstrijd naar verzorgingsstaat terug naar klassenstrijd?

In Het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel van Carel van Schaik en Kai Michel lees je over een van de eerste grotere menselijke nederzettingen, Ḉatalhöyük, op de Anatolische hoogvlakte. Deze proto-stad telde een paar duizend inwoners. De huizen waren aan elkaar gebouwd en waren allemaal min of meer even groot. Er zijn ook elders overblijfselen van zulke proto-steden gevonden.
 Zo begint mijn nieuwe blog op Sociaalweb.nl. Lees hier verder: Van klassenstrijd naar verzorgingsstaat terug naar klassenstrijd?

woensdag 6 april 2016

Gezinnen zijn sociaal geïsoleerder dan alleenstaanden - En over waar dat aan ligt

Hoe kunnen we in een maatschappij terecht zijn gekomen waarin gezinnen historisch gezien zo sterk sociaal geïsoleerd zijn?

Het bericht Wat maakt het uit waar je je partner hebt ontmoet? Over gezinnen en sociale netwerken gaf daarop een antwoord. We zijn mobieler geworden, zowel naar verhuisgedrag als naar de omvang van het gebied dat we vanuit een domicilie bestrijken. Daardoor vinden we vaker een partner "van buiten", die elders in het land is opgegroeid of zelfs in een ander land. Meer recentelijk is daar het internet bijgekomen, als vindplaats van partners. Denk aan de dating-sites.

Dat heeft er toe bijgedragen dat gezinsvorming vaker is gaan plaats vinden op een nieuwe locatie, ruimtelijk verwijderd dus van waar elk van de partners is opgegroeid. Waardoor jonge gezinnen dus voor de opdracht staan om daar een nieuw sociaal netwerk op te bouwen. Ze beginnen als het ware weer bij nul. Vaak lukt dat behoorlijk, maar vaak ook niet.

Dat patroon verschilt sterk van het vroegere patroon waarin partners elkaar al hadden leren kennen gedurende het opgroeien. Als ze zich dan ook in de buurt vestigden, dan bleven dus de sociale netwerken van beiden intact. Het gaan trouwen en kinderen krijgen vond plaats binnen een en hetzelfde sociale netwerk. De bestaande contacten met ouders, broers, zusters en vrienden bleven in stand, ook al vanwege die geringere mobiliteit van die anderen.

Dat nieuwere patroon heeft geleid tot wat wel genoemd wordt het "alles-of-niets huwelijk". Huwelijken dus waarin partners voor hun sociale en emotionele behoeften sterk op elkaar zijn aangewezen. Vaak te sterk, wat een van de verklaringen zou kunnen zijn voor de toename van echtscheidingen. Zie Door sociaal isolement van gezinnen meer echtscheidingen?

Dat alles overdenkende, kun je je afvragen hoe het dan zit met het sociale isolement van alleenstaanden. Van de nog niet of nooit getrouwden en van degenen die na een huwelijk alleenstaand zijn geworden. Op het eerste gezicht denk je misschien dat die nog sterker sociaal geïsoleerd zijn. Maar het zou ook andersom kunnen zijn. Juist doordat ze zich niet hebben "opgesloten" in een gezin, hebben ze misschien wel meer contacten met familie, vrienden en buren.

Het nieuwe (Amerikaanse) onderzoek Does singlehood isolate or integrate? Examining the link between marital status and ties to kin,friends, and neighbors wijst op dat laatste. Ook als je rekening houdt met verschillen in leeftijd, gezondheid en opleiding, blijkt dat alleenstaanden meer contacten hebben met familie, vrienden en buren en met hen meer hulp uitwisselen. Gezinnen zijn dus sociaal geïsoleerder dan alleenstaanden.

Andersom: alleenstaanden zijn meer sociaal geïntegreerd. En dat blijkt zelfs te gelden voor degenen die na een huwelijk alleenstaand zijn geworden. Na een scheiding of het overlijden van de partner weten alleenstaanden dus weer contacten aan te halen of nieuwe contacten te leggen.

Verder blijken alleenstaanden vaker dichter bij ouders en broers en zusters te wonen. Zij weten dus meer van dat vroegere patroon in stand te houden.

vrijdag 1 april 2016

Het afscheid uit het paradijs was niet goed voor vrouwen (Wat leert ons een biologische antropologie van de Bijbel? - 6)

De overgang naar landbouw in de mensheidsgeschiedenis had ingrijpende gevolgen voor de positie van de vrouw. Daarmee zijn we beland bij het derde thema in de Bijbelverhalen. Zie voor het eerste thema hier en het tweede hier.

In jagers-verzamelaarssamenlevingen was er een grote mate van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. En dat hing samen met de grote mate van gelijkheid tussen mannen. Voor hun overleving waren jagers-verzamelaars aangewezen op samenwerking en delen van voedsel en dus op sociale harmonie. Ten behoeve daarvan werd de neiging tot statuscompetitie individueel en zo nodig collectief onderdrukt.

Voor vrouwen betekende die gelijkheid dat ze nooit gedwongen konden worden zich aan een man te binden. Van Schaik en Michel daarover:
Weliswaar was er sprake van een zekere dominantie van de man, maar een vrouw kon altijd naar haar familie terugkeren of van man wisselen als haar eigen man zich te eigenmachtig gedroeg. De paarbinding was nog niet specifiek exclusief. Er bestonden wel monogame relaties, maar dat een vrouw zich haar hele leven lang zou moeten binden aan één man, was geen vaste praktijk.
Een vrouw kon diverse partners na elkaar hebben. Soms had ze ook op hetzelfde moment diverse relaties. Dat ging gemakkelijk, omdat de precieze vaderschapsverhoudingen niet vastgesteld konden worden. Het verkeer met meerdere mannen was in het belang van de vrouw; zo kon een netwerk van potentiële vaders worden opgebouwd die zich verantwoordelijk voor haar voelden.
En voor haar kinderen.

Dat veranderde met de introductie van eigendom in de landbouwsamenleving. Bezit moest worden beschermd en dat leidde er toe dat zonen bij hun vader bleven. Dus werden dochters uitgehuwelijkt en werden vrouwen van elders gehaald. Het fenomeen van de bruidsschat ontstond, waarmee vrouwen handelswaar werden.

Waardoor vrouwen ondergeschikt moesten worden aan mannen. En trouw aan hun man. Want omdat je bezit had en dat wilde doorgeven aan je kinderen, wilde je als man zekerheid over het vaderschap. Waar jagers-verzamelaarsmannen niet om maalden, werd voor landbouwers een prioriteit.

Bovendien leidde de toegenomen ongelijkheid er toe dat een man meer vrouwen kon nemen ('kopen"). Voor vrouwen hield dat in dat ze voor de keus konden komen te staan om een van de vrouwen van een rijke man te worden of de enige vrouw van een arme man. Het eerste was dan vaak aantrekkelijker.

En dat creëerde weer de omstandigheden waaronder de obsessie met de maagdelijkheid van de vrouw voor het huwelijk zich kon ontwikkelen. Door de omgang met huisdieren, ook in de vorm van sodomie, ontstonden de infectieziekten. Die sodomie werd juist ook uitgelokt doordat de rijke mannen de vrouwen monopoliseerden, waardoor een reservoir aan overgebleven mannen ontstond. Wat bijdroeg aan de cultus van de maagdelijkheid en de "reinheid" van vrouwen.

Kortom, de overgang naar de landbouw zorgde voor een terugkeer naar het alfa-mannetjes-model van de chimpansees en veel andere primaten. Terwijl het bij die primaten vooral gaat om verschillen in de fysieke kracht van de mannetjes, vandaar de seksuele dimorfie, gaf bij de landbouwers het bezit de doorslag. En de vrouwen delfden het onderspit.

En natuurlijk moeten we daarbij bedenken, aldus Van Schaik en Michel, dat de Bijbelverhalen werden geschreven door mannen en met het oog op de doeleinden van mannen. Dat vrouwen zouden moeten gehoorzamen aan hun man, is duidelijk niet te rijmen met de egalitaire morele intuïties van de jagers-verzamelaars. Vandaar dat in de Bijbelverhalen die gehoorzaamheid zo moest worden benadrukt.