vrijdag 27 mei 2016

Bonuscultuur in leven geroepen door verlaging hoogste tarieven inkomstenbelasting

Simon Wren-Lewis reageert op een artikel van Diane Coyle in de Financial Times, waarin die zich afvraagt waardoor juist onder ondernemingsbestuurders een bonuscultuur ontstond.

Terwijl onderzoek toen al uit had gewezen dat bonussen alleen dan goed uitwerken op de prestaties als het gaat om eenvoudige taken en prestaties die gemakkelijk kunnen worden gemeten. Zie eerder ook mijn overzicht van dat onderzoek: Stop de bonussen! En een overzicht van onderzoek.

Dat zou doen verwachten dat bonussen
(prestatie-afhankelijke beloning) eerder zouden zijn geïntroduceerd voor werknemers en dan nog voor slechts een beperkt deel van de werknemers. Want zoveel eenvoudig en gemakkelijk meetbaar werk is er niet.

Maar nee, juist de bestuurders kregen het voor elkaar om (hoge, wat zeg ik, exorbitant hoge) bonussen toegekend te krijgen. En zo ontstond aan de top van de bedrijven de bonuscultuur. Waar we nu maar zo moeizaam vanaf komen.

Waardoor gebeurde dat? Werden CEO's ineens inhalig en egoïstischer? Maar waarom dan toen en niet al eerder?

Wren-Lewis wijst op een eenvoudiger verklaring, die eerder door Piketty, Saez en Stantcheva is geopperd. Want het lijkt plausibel dat de bonuscultuur in de hogere kringen van het bedrijfsleven is uitgelokt door de er aan voorafgegane verlaging van de hoogste tarieven van de inkomstenbelasting. Om de gedachten te bepalen en uit het blote hoofd: in veel landen werd het hoogste tarief verlaagd van 80-90 procent naar 50-60 procent.
Update. Zie ook het bericht Was de explosie van CEO-beloningen een kwestie van normverandering? uit mei 2015, waarin meer informatie over de snelle daling van de hoogste tarieven na eind jaren 60 in de Verenigde Staten. En stel vast dat ze daalden van 90 procent naar 30 tot 40 procent.
Dat had tot gevolg dat het voor ondernemingsbestuurders ineens veel aantrekkelijker werd om zich in te spannen voor een verhoging van hun inkomen. De opbrengsten van die inspanning namen ineens sterk toe.

En het leek toen opportuun om dat te doen in de vorm van bonussen. Dat creëerde de schijn dat er tegenover die hogere beloningen ook betere prestaties stonden.

We weten ondertussen beter. Maar wat we er van hebben geleerd, of zouden moeten hebben geleerd, is dat een sterk progressieve inkomstenbelasting, dus hoge tarieven voor de hoge inkomens, het voordeel heeft dat je de veelverdieners minder in de verleiding brengt om hun inkomens via slinkse wegen te verhogen. Update. Waardoor ze zich er weer wat meer op kunnen concentreren om hun werk gewoon goed te doen. Zoals normale stervelingen dat gewend zijn te doen.

dinsdag 24 mei 2016

Menselijke intelligentie is uitkomst van op hol geslagen selectie

Het klopt dat veel dieren slimmer zijn dan wij geneigd zijn te denken. Lees het nieuwe boek van Frans de Waal. Maar dat staat niet in de weg van de stelling dat de menselijke intelligentie uniek is in het dierenrijk. Onze cognitieve vermogens gaan ver uit boven die van ook onze naaste verwanten.

Hoe is dat eigenlijk zo gekomen? Kunnen wij met die uitzonderlijke vermogens ook inzicht hebben in hoe de evolutie ons zo intelligent heeft gemaakt?

Ja, dat moet je wel concluderen als je het fraaie betoog Extraordinary intelligence and the care of infants gelezen hebt. Want de auteurs halen enkele bekende inzichten bij elkaar en trekken daaruit een conclusie die eigenlijk erg voor de hand blijkt te liggen.

Het gaat dan om reeds bekende inzichten als:
  • voor grotere intelligentie is een grotere hersenomvang nodig (bij gegeven lichaamsomvang)
  • mensenbaby's worden extreem onrijp geboren en hebben dus na de bevalling veel en lang zorg nodig
  • mensen zijn een van de weinige diersoorten die coöperatieve zorg voor baby's en kinderen kennen
  • de menselijke intelligentie is bovenal een sociale intelligentie, d.w.z. dat hij een aanpassing was aan de complexe sociale omgeving waarin zorg voor kinderen gedeeld wordt en waarin daartoe wordt samengewerkt en voedsel gedeeld
De auteurs laten nu zien dat de combinatie van deze inzichten een proces van op hol geslagen selectie in werking lijkt te zetten (runaway selection). Want als baby's veel en lang zorg nodig hebben, zelfs zoveel dat alleen coöperatieve zorg voldoende is, dan moeten de ouders en andere zorggevers intelligent genoeg zijn om (samen) die zorg voor elkaar te krijgen. Voor die intelligentie is een grotere hersenomvang nodig. Maar die grotere hersenomvang maakt het op zijn beurt noodzakelijk dat baby's vroeger en dus onrijper worden geboren, omdat anders te grote problemen bij de bevalling ontstaan. Daardoor hebben baby's weer meer en langer zorg nodig. Enzovoort.

En daar hebben we precies het zichzelf versterkende proces, waardoor de evolutie op hol slaat. Wat ik nu in een paar zinnen omschrijf, wordt door de auteurs in een wiskundig model uitgewerkt.

Ik vind het fraai. Het verklaart dat die grote intelligentie in de evolutie pas ontstond nadat zoogdieren op het toneel waren verschenen, wat nog maar recent het geval is. Je hebt levendgeborenen nodig, die meer of minder zorg nodig hebben. En omdat dat nog maar zo kort is en omdat wij nog korter geleden het toneel opkwamen, moet er dus wel een zichzelf versterkend proces zijn geweest.

De vraag die de auteurs niet beantwoorden is welke aanvangsvoorwaarden precies dit proces in gang hebben gezet. Maar lees daarover eens: Statushiërarchie en gemeenschap: de innerlijk tegenstrijdige ("flexibele") sociale menselijke natuur. En de evolutionaire achtergrond daarvan.

(De afbeelding is afkomstig van http://www.vadersenmoeders.nl/baby/gezondheid-baby.htm)

maandag 23 mei 2016

Geld schenken verlaagt hoge bloeddruk

We weten al dat anderen bijstaan (pro-sociaal gedrag) je gezondheid kan bevorderen. Mensen zijn van nature zorgverleners en het uitvoeren van dat natuurlijke gedrag blijkt goed voor je te zijn. Dat blijkt te gelden voor hulpverlening aan familie en vrienden en voor het doen van vrijwilligerswerk.

Bestaan die positieve gezondheidseffecten ook voor het schenken van geld? Of alleen voor het daadwerkelijke helpen, dus het beschikbaar stellen van tijd?

Uit de nieuwe studie Is spending money on others good for your heart? blijkt dat ook het schenken van geld gezondheidsbevorderend is. De onderzoekers stelden dat vast door de deelnemers aan het onderzoek, 73 ouderen (> 65 jaar) met verhoogde bloeddruk, twee maal een bedrag van 40 dollar te geven, waarbij per toeval werd bepaald wie het geld voor zichzelf en wie het voor een ander moest besteden.

Het bleek toen dat degenen die het geld aan anderen moesten besteden, en dat ook hadden gedaan, daarna een lagere systolische bloeddruk (bovenwaarde) hadden dan daarvoor. Bovendien was hun bloeddruk lager dan van degenen die het geld aan zichzelf hadden besteed, terwijl die waarden bij de aanvang van het onderzoek niet van elkaar verschilden.

Dat lijkt een nogal overtuigende aanwijzing dat geld weggeven inderdaad gezondheidsbevorderend is. Want dit blijkt dus zelfs het geval te zijn als je er niet zelf voor gekozen hebt om het weg te geven, maar dat doet omdat je de opdracht daartoe hebt gekregen, (Dat mensen die geheel uit zichzelf meer van hun eigen geld weggeven aan anderen, een lagere bloeddruk hebben, is ook in dit onderzoek vastgesteld.)

Overtuigend is ook dat de grootte van het effect overeenkomt met dat van medicatie tegen hoge bloeddruk, met dat van frequent bewegen en met dat van dieetverandering.

Hoe zou het komen dat geld weggeven je bloeddruk verlaagt? Misschien dat je je er beter door gaat voelen, maar dat blijkt niet uit dit onderzoek. Wel was er een aanwijzing dat het weggeven beschermde tegen de negatieve effecten van stress.

Andere mogelijke verklaringen zijn dat het gevoel van eigenwaarde werd verhoogd of dat door de schenking de relaties met anderen geactiveerd werden. En we weten dat gevoel van eigenwaarde en sociale relaties beide bijdragen aan een lagere kans op hoge bloeddruk.

donderdag 19 mei 2016

De toorn van God is een product van de landbouwrevolutie - Een biologische antropologie van de Bijbel - 10

De onderlinge vertrouwdheid in jagers-verzamelaarssamenlevingen zorgde voor voldoende pro-sociaal gedrag om samenwerking en delen in stand te houden. Zie het vorige bericht in deze reeks.

Dat veranderde in de meer anonieme landbouwsamenlevingen. Carel van Schaik en Kai Michel vragen zich in hoofdstuk 4 van Het Oerboek van de mens dan ook af:
hoe kon altruïstisch gedrag overleven in samenlevingen waar niet iedereen elkaar meer kende - tegen de machtige egoïstische belangen van enkelingen in? Hun vergrijp bleef onder de nieuwe anonieme verhoudingen meestal zelfs onopgemerkt.
Voor dit nieuwe probleem groeide een oplossing: die van een toornige God, een God die zich bezig houdt met de menselijke moraal. In de Bijbel vinden we niet alleen passages waarin die moraal uit de doeken wordt gedaan, maar ook komen we vaak een boze God tegen. Die overtredingen streng bestraft. Een "hemelse tuchtmeester".

Religie als een geloof in bovennatuurlijke wezens kwam ook voor bij de jagers-verzamelaars. Mensen zijn er nu eenmaal van afhankelijk om de wereld om hen heen zo goed mogelijk te begrijpen en zoeken dus voor alles een verklaring. En onze afkeer van onzekerheid brengt ons er toe om elke mogelijke verklaring beter te vinden dan geen verklaring.

Die aangeboren verklaringsdrang (Alison Gopnik) combineren we gemakkelijk met de animistische neiging om achter alles een persoon of een dier of een bovennatuurlijk wezen te vermoeden die de veroorzaker is. Wat voort lijkt te komen uit de sociale lens waardoor we geneigd zijn naar de werkelijkheid te kijken. Onze grote hersenomvang lijkt immers vooral te zijn uitgelokt door de complexe sociale omgeving waarin we met die noodzaak van samenwerking en delen kwamen te verkeren.

Bij jagers-verzamelaars leidde die verklaringsdrang tot een geloof in geesten, vaak die van voorouders. Maar landbouwers hadden een een God nodig met een toezichthoudende en morele functie. Dus een toornige God. Die trouwens ook meteen weer mooi kon dienen om nieuwe soorten rampen te verklaren: overstromingen, mislukte oogsten, ziektes en epidemieën.

Bij de jagers-verzamelaars was de moraal nog een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven, waaraan weinig woorden hoefden te worden besteed. Maar voor landbouwers werd de moraal een allesoverheersend thema van communicatie en reflectie. En dus ook van religie. Geesten werden goden.

Zo ontstond het idee dat rampspoed een straf van God is voor begane overtredingen, voor zonde dus. Waardoor het van groot belang werd om zonden te onderkennen en dus om de juiste regels te vinden waartegen niet gezondigd mocht worden. Van Schaik en Michel:
Voor de religie betekende dit alles een enorme institutionaliseringsimpuls: telkens werden weer nieuwe regels opgesteld en uitgebouwd tot complexe regelsystemen, werden rituelen op de proef gesteld en nieuwe offerplaatsen gekozen. Steeds meer priesters moesten steeds meer middelen uitproberen om 'zondige' individuen te disciplineren of meteen maar helemaal te elimineren teneinde de toorn der goden te sussen. (...)
Het gaat hier dus om een nieuw soort moraal met regels die een verstandsproduct zijn van onze derde natuur. Men probeerde deze regels af te leiden uit de waarneming van de werkelijkheid.
Fascinerend. Ik bedacht me dat eigenlijk hier al de kiem ligt van wat ik de mythe van de opvoedbaarheid noemde. De gedachte dus dat morele intuïties in starre regels kunnen worden gegoten en dat die regels door expliciete instructie dienen te worden doorgegeven. Alleen is God dan vervangen door ouders en andere opvoeders. Zie nog eens Moreel besef en de "fallacy of misplaced concreteness": opvoeders en God.

zondag 15 mei 2016

Zondagochtendmuziek - The Bad Plus Joshua Redman - "As This Moment Slips Away"

Prima om de zondag mee te beginnen: Joshua Redman met Bad Plus.

Joshua Redman studeerde in 1991 cum laude af in Social Studies aan de Universiteit van Harvard, maar koos voor de muziek. Dat was geen slechte keuze.



En wat heerlijk om dat gedoe rond je-weet-wel (Eurovisie-songfestival) gewoon langs je heen te kunnen laten gaan.

vrijdag 13 mei 2016

Marcel Fratzscher over het intellectuele isolement van de Duitse economen en politici

Er is in Europa nog steeds een sekte aan de macht. Die een rampzalig economisch beleid voert dat er voor verantwoordelijk is dat de economie uiterst miezerig herstelt, dat de werkloosheid hoog blijft, dat burgers het geloof in het Europese project verliezen en dat de kiezers zich naar de extremen bewegen, helaas vooral naar extreem rechts. Zie In het Europese economische beleid is nog steeds een sekte aan de macht en Als je door een sekte geregeerd wordt, dan loopt dat niet goed af.

Natuurlijk zit het hoofdkantoor van die sekte in Duitsland. Daar domineert het ordoliberale economisch denken, een curieuze variant van het al even curieuze neo-liberalisme. Denk nog even terug aan het beeld van de altijd zuinige Schwäbische Hausfrau als hoogtepunt van de Duitse economische denkkracht. De leiders van de andere Europese landen hebben zich vrijwel volledig ondergeschikt gemaakt aan dit Duitse hoofdkantoor. Vandaar dat je wel kunt zeggen dat het Europese economische beleid in de ban is van sekte-achtig denken.

Is dit alles niet wat overdreven? Want je komt in de media zulke karakteriseringen nauwelijks tegen.

Nee, het is niet overdreven. En dat begint misschien langzaam door te dringen. Want neem nu het interview dat Der Spiegel gisteren had met de Duitse econoom Marcel Fratzscher: Umverteilung nach oben: Ökonom Fratzscher gibt Regierung Mitschuld am AfD-Erfolg.

Fratzscher is niet de minste. Hij is directeur van het Deutsche Institut für Wirtschaftsforschung en adviseur van de minister van economische zaken en voorman van de SPD Sigmar Gabriel. En hij is hoogleraar macro-economie en financiën aan de Berlijnse Humboldt-universiteit en auteur van het boek Die Deutschland-Illusion. Warum wir unsere Wirtschaft überschatzen und Europa brauchen.

In het volgende fragment komt goed naar voren wat hij denkt over het intellectuele isolement van het Duitse economische denken:
SPIEGEL ONLINE: Herr Fratzscher, Sie prangern die soziale Ungerechtigkeit in Deutschland an, Sie fordern eine gerechtere Verteilung des Wohlstands, Sie preisen die positiven wirtschaftlichen Effekte der Flüchtlingszuwanderung. Sind Sie ein Linker?
Fratzscher: Nein. Meine Positionen sind lediglich in Deutschland nicht Mainstream. Ich möchte vor allem eine internationale und eine weniger dogmatische Perspektive in die Debatte einbringen.
SPIEGEL ONLINE: Heißt das, dass wir in Deutschland verkürzt diskutieren?
Fratzscher: Absolut. Mit Scheuklappen. Nehmen wir das Thema Geldpolitik: Sie können sich weltweit anschauen, wie über die Politik Mario Draghis und der Europäischen Zentralbank gedacht wird. Das sind nicht nur die Italiener oder Franzosen, die sagen, Draghi solle die Zinsen niedrig halten. Nein, auch die meisten Amerikaner, Japaner oder Schweden sind der Meinung, dass die EZB genau die richtige Politik macht. Nur die Deutschen eben nicht. Wir sind häufig international isoliert - und das ist bei vielen wirtschaftspolitischen Themen so.
SPIEGEL ONLINE: Warum ist das so?
Fratzscher: Wir haben zu lange im eigenen Saft geschmort. Das geht zurück bis zum Ende des Zweiten Weltkriegs. Damals entstand die Idee der Ordnungspolitik, die bis heute vorherrscht, die man aber einem Nicht-Deutschen kaum vermitteln kann. Schon das Wort gibt es im Englischen nicht. Aber die meisten deutschen Ökonomen, die heute die Diskussion bestimmen, sind durch das Mantra der Ordnungspolitik geprägt worden.
De Duitsers hebben oogkleppen op en hebben te lang in hun eigen sop gaar gekookt.

Hoog tijd dat die sekte uit elkaar valt en dat het economische verstand terugkeert in Europa.

donderdag 12 mei 2016

Over psychisch lijden en de mythe van de verwende baby

Waardoor is er onder mensen zoveel psychisch lijden? Hoe komt het dat er zoveel mensen (ruim meer dan een miljoen) lijden aan angststoornissen? En hoe komt dat er zoveel last hebben van stemmingsstoornissen, zoals depressie (zeker 800.000)?

Dit zijn cijfers voor Nederland. Zie het bericht Hoeveel Europeanen lijden aan een mentale stoornis? voor Europese cijfers.

Bedenk daarbij dat het gaat om het aantal vastgestelde gevallen in een jaar. Dat wijst op veel hogere cijfers als je zou kijken naar hoeveel mensen er gedurende hun leven last van hebben gehad.

En bedenk dat er aanwijzingen zijn voor een stijgende trend, niet alleen van diagnoses, maar van echte gevallen.

Aafke Hendriks gaat in haar boek Terug naar onze zoogdierlijke roots. Over de oorzaak van psychisch lijden op zoek naar een antwoord. Mijn samenvatting daarvan is dat we in de loop van de menselijke geschiedenis een wijze van samenleven hebben doen ontstaan die maar beperkt tegemoetkomt aan onze natuurlijke behoeften.

Welke behoeften zijn dat? Kort gezegd: de behoefte aan bestaanszekerheid, die we delen met alle dieren, en de behoefte aan sociale geborgenheid, die we delen met andere zoogdieren.

Eerst maar even over die bestaanszekerheid. Over het belang daarvan heb ik eerder geschreven. Zie hier en hier. Maar dit boek attendeert me er op dat die behoefte (natuurlijk) al levensgroot aanwezig is bij de pasgeboren baby. Aafke Hendriks inventariseert het onderzoek daarover en concludeert dat behoeftebevrediging bij een pasgeborene boven alles gaat;
Voor een gezonde ontwikkeling moeten in het eerste half jaar na de geboorte alle behoeften meteen bevredigd worden, zo simpel is het gewoon. En deze fase hoef je echt nog niet bang te zijn dat je verwende of afhankelijke kinderen aan het kweken bent. (...) Een pasgeborene heeft als hij niet in zijn natuurlijke behoeften voorzien wordt niet de mogelijkheid het dan maar zelf te regelen en heeft geen besef van tijd. Het ervaart een situatie waarin het wacht op bevrediging van een bepaalde behoefte daarom als zeer beangstigend en afschrikwekkend.
Die extreme mate van afhankelijkheid van mensenbaby's verklaart tegelijk de sterke behoefte aan sociale geborgenheid, dus aan de nabijheid van de moeder en/of andere vertrouwde anderen die zorgen voor behoeftebevrediging. Doordat wij zo onrijp en hulpeloos geboren worden, zijn we geheel vervuld van die behoefte aan geborgenheid. En zijn we zo goed in staat om aandacht en engagement uit te lokken, niet alleen door te huilen, maar ook door oogcontact, brabbelen en imitatie.

En wat is nu het geval? Dat psychisch lijden van mensen op volwassen leeftijd heeft te maken met bestaansonzekerheid en de gebrekkige bevrediging van onze sociale behoeften (eenzaamheid). Maar die problemen zijn dus al begonnen vlak na de geboorte.

Want door de grote mate waarin onze gezinnen sociaal geïsoleerd zijn, wat we "normaal' zijn gaan vinden, staan moeders (en vaders) er in die eerste maanden en jaren veel te veel alleen voor. Pasgeboren baby's "verwachten" een hoeveelheid zorg en geborgenheid die in onze manier van leven praktisch niet meer op te brengen is.

Ook in jagers-verzamelaarssamenlevingen is een pasgeborene de meeste tijd in de nabijheid van de moeder. Maar altijd zijn er anderen in de directe omgeving die te hulp schieten, de baby overnemen, er mee spelen en er mee communiceren. Precies die grote mate van sociale inbedding van moeder en baby (coöperatieve zorg) maakt de kans op, uiteraard meestal onbedoelde, fysieke en emotionele verwaarlozing vele malen kleiner. Zie Een samenleving zonder emotionele verwaarlozing van kinderen. Kan dat? De Hadza.

Het wrange is dat die verwaarlozing in onze huidige maatschappij welhaast niet te voorkomen is. Vandaar dat psychisch lijden. En vandaar ook het verschijnsel van de postnatale depressie.

En het probleem is dat we dat nog altijd niet voldoende onder ogen zien. Dat we in plaats daarvan mythes in het leven roepen. Zoals dus de mythe van de verwende baby. En de mythe van de opvoedbaarheid.

Lezenswaardig en belangrijk boek!

maandag 9 mei 2016

Hoe goed weten we of onze vrienden ook inderdaad onze vrienden zijn? Niet zo goed

Wanneer zijn we elkaars vrienden? Je zou zeggen, als we elkaar als vriend beschouwen. Niets aan de hand.

Maar het blijkt veel voor te komen dat de een de ander wel als vriend beschouwt, maar de ander de een niet. In zulke gevallen is er dus een asymmetrische relatie. En er valt wat voor te zeggen dat een echte vriendschap pas bestaat als de relatie symmetrisch is: ik beschouw jou als mijn vriend en jij beschouwt mij als jouw vriend.

Het onderzoek Are You Your Friends’ Friend? Poor Perception of Friendship Ties Limits the Ability to Promote Behavioral Change laat zien dat er in die zin veel minder vriendschappen bestaan dan mensen geneigd zijn te denken.

Zo bleek dat studenten vrijwel altijd (in 94 procent van de gevallen) veronderstelden dat degene die zij als hun vriend beschouwden ook omgekeerd hen als vriend zou noemen. Maar in werkelijkheid bleek dat slechts in de helft van de gevallen zo te zijn.

Als je daar bij stil staat, is het wel wrang. Het is dus vaak zo dat je denkt dat iemand jou als vriend ziet terwijl dat niet zo is.

Dat wil zeggen, het komt vaak voor onder studenten. De auteurs noemen meer studies met soortgelijke resultaten, maar steeds onder studentenpopulaties (of scholieren). Het kan zijn dat het onder studenten meer voorkomt, omdat die elkaar over het algemeen nog niet zo lang kennen. Maar aan de andere kant gaan ze vaak wel intensief met elkaar om. Het studentenleven is voor velen een bron van vriendschappen.

Ditzelfde onderzoek geeft trouwens wel enig inzicht in waar de symmetrie of asymmetrie van vriendschappen van afhangt. Want het blijkt dat symmetrie meer voorkomt tussen twee studenten die veel gemeenschappelijke vrienden hebben. Als ze meer zijn ingebed in een en hetzelfde sociale netwerk. Het zou kunnen dat je dan je inschatting van de kans dat de ander jou ook als vriend ziet, op meer informatie, ook die van derden, kunt baseren. Bedenk dat we bij een zogenaamd dicht sociaal netwerk aan een dorp denken.

Daarnaast blijkt dat asymmetrische "vriendschappen" meer voorkomen tussen meer perifere en meer centrale leden van een sociaal netwerk. Een meer centraal lid heeft veel vriendschapsnominaties en een meer perifeer lid juist weinig. Dat is ongeveer het verschil tussen iemand met hoge status en iemand met een lage status. Het komt er op neer dat iedereen voor zijn vriendschappen graag omhoog kijkt in de statushiërarchie. Dan krijg je "automatisch" meer asymmetrische "vriendschappen".

De conclusie die je kunt trekken is dat er in een dicht en egalitair sociaal netwerk weinig asymmetrische "vriendschappen" zullen voorkomen. Oftewel: als we elkaar kennen en niemand is meer dan een ander, dan is iedereen elkaars vriend.

Bedenk daarbij dat zulke sociale netwerken in onze huidige maatschappij niet meer zo veel voorkomen.