maandag 28 november 2016

Een God waar je maar beperkt blij van wordt - Een biologische antropologie van de Bijbel - 16

Ik betrapte me er op dat ik na deel I (Genesis: toen het leven moeilijk werd) en deel II (Mozes, Jahwe en het morrende volk: hoe de enige God ontstond) van het Oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel van Carel van Schaik en Kai Michel de grote lijn wat was kwijtgeraakt. En daarmee was kennelijk ook mijn interesse om verder te lezen wat verminderd.

Maar nu heb ik ook deel III (Koningen en profeten: de moraal komt voortaan van God) gelezen en doe ik een poging om de lijnen van het verhaal weer op te pakken. (Zie Waarom een staatsgod? Over statushiërarchie en narcisme voor het vorige bericht in deze reeks.)

Hoe begon het allemaal? Voorafgaand aan de landbouw hadden we de jagers-verzamelaarssamenlevingen met hun egalitaire moraal van samenwerken en delen. En daarmee met hun collectieve onderdrukking van neigingen tot statuscompetitie, conflict en pogingen tot overheersing.

De overgang naar landbouw leidde tot eigendom, grootschaligheid en risico. Dat risico slaat op de toegenomen kans op rampspoeden: mislukte oogsten, epidemieën, conflicten, vijandelijke invallen, moordpartijen en slavernij.

Je moet er even voor gaan zitten om tot je te laten doordringen wat een geweldige indruk dat op mensen moet hebben gemaakt. De uitwerking er van op hun denken is bijna niet voor te stellen.

Maar we kunnen proberen te reconstrueren wat er aan de hand geweest moet zijn. Dat kan, lijkt me, in de volgende zeven stappen.

1. Rampspoed vraagt om een verklaring. Jager-verzamelaars waren er al best goed in om naturalistische verklaringen te vinden voor de gebeurtenissen in hun dagelijkse omgeving. Hun wijze van leven was gebaseerd op een groot reservoir van cultureel gecumuleerde kennis van hun fysieke omgeving (planten, dieren, seizoenen) en van hun eigen groepsleven. Voor zaken die ze (nog) niet begrepen, bedachten ze het ingrijpen van geesten , inclusief geesten van voorouders. Voor de onvoorstelbare grote rampen die zich na de landbouwrevolutie voordeden waren dringend verklaringen nodig. Wat te doen om ze in de toekomst te voorkomen? De naturalistische kennis ontbrak nog. De gebeurtenissen waren te groot om aan "gewone" geesten te kunnen worden toegeschreven. Of aan een god van veel andere goden. Dus drong zich het beeld op van de ene, machtige en gewelddadige God, wiens toorn kennelijk was opgewekt. Het monotheïsme kwam de geschiedenis binnen.

2. De jagers-verzamelaarsmoraal van samenwerken en delen kwam in het gedrang door eigendom, ongelijkheid en grootschaligheid. Maar de emotionele kracht van die moraal was onverminderd groot. Dus werd naar wegen gezocht om die moraal, nu meer expliciet, een nieuwe vorm te geven en daarmee haar geldingskracht te behouden.

3. Dat laatste hield in dat het beeld van de enige God werd gevuld met moraal. En daarmee met de straffende hand. Rampspoed kon daarmee worden gezien als bestraffing voor verkeerd handelen en de moraal zoals overgeheveld naar de regels en voorschriften van die morele God, vertelde wat verkeerd was (het kwade) en wat goed was.

4. Maar de rampen, en dus de straffen, waren zo onvoorstelbaar groot, dat God kennelijk niet alleen een goede God was, de drager van de moraal, maar ook een kwaadaardige en wraakzuchtige. Vandaar al die gruwelijkheden waar de Bijbel over verhaalt. Sla even de citaten op die Van Schaik en Michel aanhalen in hoofdstuk 13 van Bijbelwetenschapper Raymond Schwager en van bioloog en atheïst Richard Dawkins. En lees ook even de opsomming van gruwelijkheden die Maarten 't Hart geeft in het hoofdstuk Zeshonderduizend doden van zijn De Schrift betwist. De Bijbel gelezen en gefileerd. Ik kan het niet laten even te citeren:
En dan moet Bodar beweren dat het lezen van de bijbel een 'afnemend besef van normen en waarden' kan keren, terwijl er zeshonderdduizend mensen zonder enig gewetensbezwaar door God zelf of zijn dienstknechten opgespietst, van de rots af gedonderd, met builenpest geslagen, verbrijzeld, met de scherpte des zwaards afgeslacht, dan wel door speren of tentpinnen doorboord worden. En dan zwijgen we nog over al die gevallen waarin geen aantallen genoemd worden.
5. Grootschaligheid en ongelijkheid samen schiepen de voorwaarden voor de groei van de georganiseerde en gerationaliseerde religie. Er kwamen specialisten die Gods straffen en "tekenen" uitlegden en de regels en voorschriften opstelden waaraan ieder zich moest houden. Een soort proto-wetenschap. Dit gebeurde onder de hoede van de wereldlijke heersers, die met een flinke dosis narcisme voor zichzelf een goddelijke status opeisten en de gehoorzaamheid, ja, zelfs liefde, van hun onderdanen afdwongen.

6. Daarmee hebben we dus de combinatie van de almachtige en gewelddadige God, de morele God en de God die de wereldlijke macht legitimeert. Kortom, een God waar je maar beperkt blij van wordt.

7. In het verdere verloop van de geschiedenis is die priesterlijke proto-wetenschap gaandeweg omgevormd en vervangen door een wetenschappelijker wereldbeeld. Dat uiteindelijk, ik citeer Van Schaik en Michel
in de loop van duizenden jaren de kennis opleverde van wat er werkelijk achter zwaard, honger en pest stak: machtswellust, wanbeheer, klimaatverandering, bodemerosie, plaattektoniek, microben. Ironisch genoeg was het dus de wetenschap die God ontlastte: hij werd vrijgesproken van de verdenking dat hij de impulsieve bruut was voor wie hij altijd was gehouden. Als dat niet geestig is: de wetenschap was een van de krachten die van God de lieve God van nu maakte.
Volgende keer over deel IV. Psalmen, Job en de ontdekking van het hiernamaals: de tweede God in de Bijbel.

zondag 27 november 2016

Zondagochtendmuziek - Patricia Kopatchinskaja plays Bartók 3/3 : sonata for solo violin and more

Veel Bartok de laatste tijd. Vorige week in het lunchpauzeconcert in Tivoli/Vredenburg o.a. de enerverende sonate voor twee piano's en slagwerk, waarvoor, met zeven slagwerkinstrumenten, twee slagwerkers nodig waren, die elkaar zo nu en dan moesten bijstaan.

En deze week de Franse violist David Grimai die de sonate voor viool solo uitvoerde. Spannende muziek. De uitvoering lijkt nogal wat te vragen van de violist. Grimai stond hard te werken.

Hier speelt Patricia Kopatchinskaja ("het "vaatje buskruit") het laatste deel, de Chaconne.

Maar blijf ook even kijken en luisteren naar de twee toegiften die ze geeft. Kopatchinskaja op haar best!

zaterdag 26 november 2016

Is stringent beoordelen van leraren wel zo'n goed idee?

Omdat onderwijs zowel individueel als maatschappelijk zo belangrijk is, wordt er veel onderzoek gedaan naar de factoren die onderwijsprestaties bepalen. Als ik het goed overzie dan heeft dat onderzoek een allesoverheersend inzicht opgeleverd: het is de leraar waar het om draait. Van alles wat je maar kunt bedenken dat de leerprestaties zou kunnen beïnvloeden, blijkt vooral de leraar het verschil te maken.

Het eerder dit jaar verschenen Amerikaanse onderzoek WHAT DO TEST SCORES MISS? THE IMPORTANCE OF TEACHER EFFECTS ON NON-TEST SCORE OUTCOMES toont dat weer eens aan. Het laat zien dat de leraar invloed heeft op de cognitieve resultaten van leerlingen, maar ook op de niet-cognitieve vaardigheden, zoals blijkend uit minder verzuim en minder schorsingen.

Dat pleit er dus voor om te proberen de kwaliteit van
leraren te verhogen. Of om er voor te zorgen dat slechtere leraren niet worden aangenomen of eerder ander werk zoeken. Maar hoe doe je dat? Want wat precies die kwaliteiten zijn van een goede leraar, dat is nog niet zo gemakkelijk vast te stellen.

Wat je natuurlijk kunt doen is leraren stringent beoordelen en dan degenen vragen om ander werk te zoeken die herhaaldelijk slecht beoordeeld worden. Of dat wel of niet goed werkt is nu onderzocht in de eveneens Amerikaanse studie THE COMPOSITIONAL EFFECT OF RIGOROUS TEACHER EVALUATION ON WORKFORCE QUALITY.

Bij die beoordeling ging het om observaties in de klas door de schooldirecteur, om het voldoen aan regels en eisen met betrekking tot omgang met collega´s en bijscholing en om schattingen van de bijdrage aan de leerprestaties.

En wat kwam daaruit? Na verloop van een aantal jaren bleek inderdaad dat meer leraren met slechte beoordelingen waren vertrokken. Operatie geslaagd dus. 

Maar nee, want de verwachting dat de leerprestaties dan ook hoger zouden zijn, bleek niet uit te komen.

Want wat was er gebeurd? Ook de goed beoordeelde en de gemiddeld beoordeelde leraren hadden meer een andere baan gezocht. En gevonden. Waardoor de gemiddelde kwaliteit van het lerarenbestand niet was toegenomen.

De onderzoekers gaan er niet op in, maar wat ligt er meer voor de hand dan te denken dat invoering van zo'n stringent beoordelingssysteem leraren de school uit jaagt? Het is een aanslag op je autonomie. En die autonomie is juist zo wezenlijk voor je als je met hart voor het onderwijs en met hart en ziel voor je leerlingen voor de klas staat. 

Hoe zat dat ook al weer met die intrinsieke motivatie?
Voor de afbeelding zie De onvergetelijke leraar.

donderdag 24 november 2016

Meer rechts-extremisme na financiële crises - niet na economische crises

Het blijft wat mij betreft raadselachtig waardoor de financiële crisis van 2008 een groei van de politieke partijen op rechts en zelfs van rechts-extremisme heeft uitgelokt. De crisis was een gevolg van typisch rechts beleid. Van beleid dat op de overtuiging gebaseerd was dat de markt zoveel mogelijk aan zichzelf moet worden overgelaten. Weg met al die overbodige regulering, ook met de regulering van de financiële markt. Ook als het om geld gaat: Greed is good.

Het uitbreken van de crisis en de grootscheepse reddingen van banken door overheden kun je eigenlijk niet anders zien dan als wel heel sterke aanwijzingen dat dat rechtse, neo-liberale beleid niet deugde. En dus zou je verwachten dat de linkse partijen meer de wind in de zeilen zouden krijgen.

Maar het omgekeerde is dus gebeurd. Rechts floreert. Misschien doordat het linkse geluid veel te weinig klonk. In ieder geval geldt dat de sociaal-democratische partijen al zo ver naar rechts waren opgeschoven dat ze op korte termijn moeilijk meer geloofwaardig de weg terug kunnen inslaan.

Maar waardoor dan dat oplevende rechts-extremisme? Hoe dat te verklaren blijft een belangrijke opgaaf.

Misschien het begin van inzicht verschaft de studie Going to Extremes:Politics after Financial Crisis, 1870-2014, ondertussen verschenen in de European Economic Review, die laat zien dat dit niet een incidenteel verschijnsel is. Integendeel: in de onderzochte periode, 1870 - 2014, zijn de financiële crisissen, en niet de gewone economische crisissen, gevolgd door een opleving van rechts-extremisme. Ik citeer kortheidshalve maar even de samenvatting:
After a crisis, voters seem to be particularly attracted to the political rhetoric of the extreme right, which often attributes blame to minorities or foreigners. On average, far-right parties increase their vote share by 30% after a financial crisis. Importantly, we do not observe similar political dynamics in normal recessions or after severe macroeconomic shocks that are not financial in nature.
Vragen die meteen bij je opkomen:
  • Waarom wel bij financiële en niet bij "gewone" economische crisissen?
  • Vanwaar die opkomende neiging om bij het zoeken van zondebokken te gaan wijzen naar minderheden en vreemdelingen? In plaats van naar wat meer voor de hand zou liggen: de bankiers en de politici die die bankiers zo de vrije hand lieten?
Voorlopig heb ik niet meer te bieden dan de verzuchting dat ik het niet goed begrijp.

dinsdag 22 november 2016

Mild zijn voor jezelf doe je niet in je eentje - Over compassietraining als substituut voor sociale contacten

Kun je mild zijn voor jezelf? Jezelf geruststellen en moed inspreken? Of ben je eerder kritisch, zelfs zo kritisch dat je soms een hekel aan jezelf hebt?

Het blijkt dat mensen verschillen in hoe mild of hoe kritisch ze naar zichzelf kijken. En we weten dat mildheid voor jezelf meestal samengaat met mildheid voor anderen, met meer pro-sociaal gedrag en met een hoger welbevinden. Jezelf niet zien zitten maakt ongelukkig.

Vandaar dat Paul Gilbert een mildheids- (of compassie-)training ontwikkelde, die mensen helpt om milder te zijn voor zichzelf en anderen. Ik besteedde daar aandacht aan in het bericht Meer pro-sociaal gedrag door compassietraining.

Maar los van die training, waar zouden verschillen in mildheid en zelfkritiek van af kunnen hangen? Het nieuwe onderzoek Receiving support, giving support, and self-reassurance: A daily diary test of social mentality theory geeft daar een mogelijk interessant antwoord op.

De onderzoekers lieten proefpersonen een week lang een dagboekje bijhouden, waarin ze aan het eind van elke dag rapporteerden hoe mild of zelf-kritisch ze die dag waren geweest, hoeveel steun ze anderen hadden gegeven en hoeveel steun ze van anderen hadden ontvangen.

Voor mildheid/zelf-kritiek werd een sub-schaal van de Self-Criticism/Self-Reassuring Scale gebruikt. Het ging om uitspraken als “I was able to feel lovable and acceptable”, “I encouraged myself for the future” en "I had a sense of disgust with myself", waarvan moest worden aangegeven in hoeverre ze van toepassing waren.

En uitwisseling van (materiële en emotionele) steun werd vastgesteld met een verkorte versie van de Social Provisions Scale, waarin het gaat over uitwisseling van goede raad, emotionele en materiële steun.

Het blijkt dan dat het meer uitwisselen van steun samengaat met meer mildheid en dus minder zelfkritiek. Dit geldt zowel als je personen met elkaar vergelijkt als wanneer je bij personen de dagen vergelijkt. Na een dag met meer uitwisseling met anderen ben je dus milder voor jezelf en voor anderen en heb je minder een hekel aan jezelf.

Omdat uitwisseling van steun een aanwijzing is voor het hebben van positieve sociale contacten, kun je ook zeggen dat het meer hebben van een actief netwerk van positieve relaties, waarin je er voor elkaar bent, het gemakkelijker maakt om milder te zijn voor jezelf en anderen.

Nog anders gezegd, eenzaamheid zal vaak samengaan met zelfkritiek en negatieve gevoelens over jezelf en over anderen.

En dat wijst er weer op dat zo'n compassietraining eigenlijk een substituut is voor positieve sociale contacten. Als die contacten er zijn, heb je een compassietraining niet nodig.

Dat geldt natuurlijk algemener: veel psychosociale problemen, waarvoor we professionele hulp inroepen, zouden zich niet voordoen als we meer in onze natuurlijke sociale omgeving zouden verkeren. De omgeving dus waarin mensen er voor elkaar zijn.

Waarbij ik overigens moet vermelden dat je met dit onderzoek strikt genomen niet kan vaststellen of die sociale contacten ook echt de oorzaak zijn van die mildheid. Het oorzakelijke verband zou ook andersom kunnen liggen: meer mildheid maakt het gemakkelijk om sociale contacten aan te gaan en in stand te houden. Zoals vaker: meer onderzoek zou mooi zijn.

donderdag 17 november 2016

Een evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme (Asperger)

Dat wij mensen zo fundamenteel sociaal zijn, met een groot empathisch vermogen en met het vermogen tot gedeelde intentionaliteit, is het resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaatsgevonden.

In de Paleo Sociale Omgeving hing ons overleven er van af of we wel genoeg samenwerkten en deelden. Dat we overleefden en zelfs zo succesvol dat we ons over de aardbol konden verspreiden, lag er aan dat die sociale vermogens tot gemeenschapsgedrag evolutionair versterkt werden en onze neigingen tot statuscompetitie en tot het vormen van een statushiërarchie verzwakt.

Diezelfde sociale vermogens hielpen om het altijd op de loer liggende statuscompetitiegedrag collectief te onderdrukken. Iemand die toch nog de baas wilde spelen of egoïstisch was, kreeg van de anderen op zijn kop.

Deze bekende inzichten vinden een verdere uitwerking in de nieuwe studie Are there alternative adaptive strategies to human pro-sociality? The role of collaborative morality in the emergence of personality variation and autistic traits.

Want de noodzaak van dat samenwerken en delen in groepsverband hield meer in dan dat iedereen in een-op-een interacties voldoende pro-sociaal was. Ook in de evolutionair oudere statushiërarchieën (het alfa-mannetjes model) bestonden er al de een-op-een allianties. Maar in de menselijke jagers-verzamelaarsgroepen ging het om meer dan dat. Het ging er om de groep in stand te houden en daarvoor was nodig dat iedereen voldoende aan zijn trekken kwam, dat iedereen naar vermogen bijdroeg en dat er rechtvaardig werd verdeeld. Een ingewikkeld groepsproces dus, waarin normen ontwikkeld en onder woorden gebracht werden en waarin op naleving daarvan gelet werd.

En waarin het er dus ook om ging wat iedereen kon bijdragen aan het groepswelzijn en om het belang van die verschillende bijdragen goed te kunnen onderkennen. Het verschil met de toestand van een-op-een allianties maken de auteurs in dit plaatje duidelijk.


In de rechter afbeelding zie je een groepsgebeuren, waarin een samenwerkingsmoraal heerst. En die houdt ook in dat sociaal kwetsbare leden van de groep, die zich waarschijnlijk in een structuur van een-op-een allianties niet zouden kunnen handhaven, bescherming genieten omdat ze wel een bijdrage aan de groep leveren.

Anders gezegd, er kan daardoor een selectie plaatsvinden op een breder repertoire aan sociale vermogens. Er ontstaat een speelveld waarin ook sociale vaardigheden op het groepsniveau, naast die op het een-op-een niveau belangrijk worden en dus gewaardeerd worden. Er is ruimte voor een differentiatie in de vaardigheden en vermogens waarop geselecteerd wordt.

Daarmee komen we op het terrein van de evolutionaire verklaring voor het bestaan van de diversiteit van persoonlijkheidseigenschappen. Denk bijvoorbeeld aan de variatie in creativiteit. Het kan zijn dat een hoge mate van creativiteit voor de overleving van de groep heel belangrijk was, ook als die misschien samenging met eigenschappen die iemand sociaal kwetsbaar maakten. Te denken valt aan eigenschappen die we nu tot de psychische stoornissen rekenen, zoals schizotypie, bipolariteit en obsessiviteit.

Maar in dat artikel werken de auteurs deze gedachtegang in het bijzonder uit voor autisme, maar dan de variant van autisme zonder intellectuele beperkingen (Asperger). En die uitwerking is uiterst fascinerend, Kortheidshalve neem ik hieronder het plaatje over waarin ze een overzicht geven van de bijzondere perceptuele, analytische en sociale vaardigheden die met autisme samenhangen.


Waarna de auteurs er vervolgens uitvoerig op ingaan hoe zulke vaardigheden van groot belang geweest moeten zijn voor het functioneren van die jagers-verzamelaarsgroepen, voor het verwerven en cumuleren van kennis over de natuurlijke omgeving en over de interne sociale mechanismen. In zekere zin was dat domein van de samenwerkingsmoraal precies het ideale speelveld voor de intelligente autist. (Nu geen tijd om daar verder over uit te weiden, maar ik neem me voor om er nog een keer op terug te komen.)

Waardoor autisten waarschijnlijk cruciale bijdragen leverden, die ook door de andere leden van de groep konden worden onderkend. En waardoor de (vele) genen die met autisme samenhangen succesvol aan volgende generaties werden doorgegeven. Kortom, een interessante evolutionaire verklaring voor het bestaan van autisme.

dinsdag 15 november 2016

Competitieve videogames versterken agressieve gevoelens en daardoor meer agressief gedrag

Mensen zitten zo in elkaar dat ze zowel in staat zijn tot gemeenschapsgedrag (pro-sociaal gedrag) als tot statuscompetitiegedrag. En te verwachten valt dat ze meer voor het ene dan wel het andere gedrag kiezen, hoe meer ze dat gedrag in hun omgeving waarnemen (Dual Mode-theorie).

Nu is er naast de "echte" omgeving ook de kunstmatige omgeving waar mensen zich in begeven als ze videogames spelen. De vraag is dan of het competitie-element in zulke videogames er ook toe leidt dat mensen die daar veel tijd aan besteden, competitiever worden.

Eerder onderzoek wijst er op dat dat inderdaad zo is. We zagen dat het veel spelen van competitieve videogames adolescenten agressiever maakt. Zie het bericht Niet het geweld, maar de competitie, in video games maakt adolescenten agressief.

Dezelfde onderzoekers komen nu in een nieuwe studie (The Longitudinal Association Between Competitive Video Game Play and Aggression Among Adolescents and Young Adults) tot hetzelfde resultaat.

Ze volgden een groep van jongvolwassenen en een groep van adolescenten gedurende vier jaar, waarbij ze hen jaarlijks ondervroegen. Het blijkt dan dat de mate van fysiek en verbaal agressief gedrag in het vierde jaar, uiteraard, sterk voorspeld wordt door de mate van agressief gedrag in de voorgaande jaren. Maar tegelijk is er een, geringere, maar significante invloed van hoeveel tijd er in die voorgaande jaren is besteed aan het spelen van competitieve videogames. Waarbij het overigens geen verschil maakt of die games gewelddadig zijn of niet. Het gaat om het competitie-element.

Bovendien laten de onderzoekers zien dat er een tussenliggende factor is, namelijk de mate van agressieve gevoelens. Die werden gemeten met een verkorte versie van de Buss en Perry Aggression Questionnaire, waarvan je hier de volledige versie kunt bekijken. Het gaat om uitspraken als "Soms voel ik me een vaatje buskruit dat op het punt staat te ontploffen" en "Ik vraag me af waarom ik me soms zo woedend voel over dingen", waarvan je moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn.

Mensen zijn tegelijk de meest zachtaardige en de meest kwaadaardige diersoort op aarde. Het is dus van groot belang om die zachtaardige kant zoveel mogelijk te versterken en die kwaadaardige kant zoveel mogelijk de kop in te drukken.

Maar het bestaan en de bloei van die bedrijfstak van competitieve videogames (en van competitieve televisieprogramma's) wijst er op dat we ons daar met zijn allen niet voldoende van bewust zijn.

maandag 14 november 2016

Floyd Henry Allport (1890 - 1979) over hoe kinderen zouden moeten opgroeien

(Voor email-abonnees: Dit is het volledige bericht dat 
eerder per abuis in onvoltooide vorm verstuurd werd.)

Onze kinderen groeien op in een maatschappij met een historisch gezien grote mate van sociaal isolement van gezinnen. Daardoor ondervinden ze maar weinig van de coöperatieve zorg die voor de evolutie van de mensheid zo kenmerkend is geweest. In plaats daarvan brengen ze uitzonderlijk veel tijd door samen met alleen de eigen ouders en in de "gespecialiseerde" en "kunstmatige" arrangementen van kinderopvang en school. Waardoor ze ook historisch gezien uitzonderlijk veel tijd doorbrengen onder leeftijdsgenoten.

Er is op dit blog allerlei onderzoek voorbijgekomen dat er op wijst dat deze omstandigheden niet zo gunstig zijn voor een gelukkige jeugd en voor een goede sociaal-emotionele en morele ontwikkeling. Het is niet voor niets dat we de omvangrijke sector kennen van de jeugdzorg, de opvoedinterventies , de kinder- en jeugdpsychiatrie en de kinderbescherming,

Dat onderzoek is vaak nog maar van recente datum. Scrol eens door de berichten op dit blog achter de labels cooperative breeding, sociaal isolement van gezinnen, buurten voor kinderen en mythe van de opvoedbaarheid.

Dat sociaal isolement van gezinnen is natuurlijk niet van vandaag of gisteren. Hoewel het vermoedelijk in de tweede helft van de vorige eeuw in een versnelling is gekomen (denk aan
Tijd die ouders met hun kinderen doorbrengen sinds 1960 gestegen - Nee, dat is geen gunstige ontwikkeling), is het een proces dat al langer aan de gang is.

Dat doet vermoeden dat het ook al wel eerder is opgemerkt. En dat vermoeden werd bevestigd toen ik weer eens het boek Institutional Behavior. Essays Toward a Re-Interpretating of Contemporary Social Organization van Floyd Henry Allport (1890 - 1979) uit mijn boekenkast trok. Het verscheen in 1933, maar ik kocht in 1975 de editie van 1969. Dat was toen ik nog mijn naam en het jaartal van aanschaf in mijn boeken noteerde.

Floyd Henry Allport was een broer van Gordon Allport (zie het bericht Minder anti-immigrantensentiment door meer sociaal contact) en die twee samen mag je wel tot de grondleggers van de sociale wetenschappen rekenen.

In hoofdstuk XVI (Manifoldness and unity in the life of a child) van dat boek gaat Allport in op de voorwaarden voor een gunstige persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen. Ruim tachtig jaar geleden; lees even mee met een aantal citaten. (Voor de leesbaarheid kort ik de alinea's wat in.)
Of all the phases of the problem of child development perhaps the least understood and the most neglected is that of children's personalities. Our attention has been given to the more specific needs of children rather than to the more general. In schools, in scouting groups for recreation, in church schools for moral training, in medical clinics for health, in psychological clinics for mental hygiene, our assumption has been that, in caring for the child in these particular ways, we are helping him te develop as a complete and wholesome personality. Just what this personality is, however, and how it is fostered by such departmentalized procedures, no one has as yet clearly revealed.(...)
The trend within all the agencies just mentioned is to make individuals better adjusted, as we say, to society, and hence, by the same token, more like one another. Those unique patterns of qualities which make one person different from every other are often neglected. If children's personal characteristics develop, the result may, in some cases, be reached in spite of our welfare and educational agencies rather than through their aid.
Parafraserend: we hebben het leven van onze kinderen in partjes opgedeeld. Voor elk van hun behoeftes is er een aparte voorziening. Die tegelijk voor ieder kind gelijk is.
The problem is becoming more acute at present because of the increasing compartmentalization in the lives of both children and of adults. Our grandparents, with all their intellectual and material limitations, and their superstitions, were probably at least unique individuals. Their individuality could be felt and cultivated through characteristic modes of self-expression which they maintained throughout the community where they lived.
Nowadays most of us do not live in communities in the older sense, but in many diverse patterns and sets of relationships; and the members of one of these groupings seldom meet the members of another or know them as individuals.
In each group there are stressed certain values, traits of character, abilites, and approved forms of conduct which in other groups are ignored and sometimes flatly contradicted. The ethical code which a child learns in Sunday school is not the same as that which he is likely to practice in selling magazines. The standards pertaining to the boy or girl scout organizations are difficult to apply to the situations of a classroom. The virtues demanded at home are frequently different from those which bring an individual success upon the playground or a member of a club of gang. (...)
The reason for all this is the fact that, under conditions of modern social organization, persons who have to do with but a portion of life are banded together to direct children with regard to that particular segment, and at times and places separate from the ministrations of those concerned with other segments.
This process tends to separate the segmental interests of a child from his life as a whole, and to set these isolated interests upon a plane of importance superior to that of the entire individual. Both children and adults are members of a society which is becoming a pattern of social institutions rather than a community of freely mingling and interacting individuals. (...)
if all our habits were so compartmentalized, we should indeed have no general and characteristic traits of personality. We should then be creatures of specific situations. Such inconstancy, however, probably results from our growing modern tendency to segregate ourselves into different groups for different purposes. These groupings become institutionalized; their members do noy move about freely and intermingle as in the older days of community living.
Since people stay, as it were, in their fixed ruts, there is little opportunity for them to see one another as complete individuals in a variety of differing situations (...)
Conclusie:
in order to foster the development of consistent traits we must prevent the experience of a child from being broken up into group situations of institutional alignments which have nothing in common. We must permit him to react in a community situation where certain other individuals are present in many relationships of life, and not merely upon isolated occasions and in specialized roles such as those of teachers, playgroup leader, minister, and employer.
The principle of unity among manifoldness can best be provided by responses to the behavior of other human beings who do not shift kaleidoscopically with every situation, but who, in the role of of common stimulus maintain a constancy of their presence and their personalities throughout.
If this view is correct, our tendency to employ experts and specialists for each phase of a child's activity and each of his needs may, if carried too far, entail more harm than benefit.(...)
it will be better for the parent not to leave the affairs of teaching solely to the teacher, but to allow his own influence to carry over into the educational field. It will be better if the teacher is not alone a dispenser of knowledge, but a companion on the playground, an adviser in economic relationships, and a friend whose personality may at times be felt even within the sacred precincts of one's home.
In order to help the child to develop individuality, to be himself in all situations, and to provide his own standard of conduct rather than shift with the code of each grouping with which he happens to be in contact, we must fight against the segmentalizing of human living. We must restore a more fluid, face to face relationship, - a community of whole individuals in which unique and self-consistent behavior shall be possible of attainment.
En Allport besluit het hoofdstuk met:
Freedom to choose one's companions and one's activites, freedom to try different modes of response without fear of ridicule or intimidation in the name of the group, freedom to meet individuals not in compartments, but in the fulness of their communal living, - these are the conditions upon which the achievement of personality depends.
Wijze woorden, ruim tachtig jaar geleden opgeschreven. Uit een andere tijd, een tijd waarin de sociale wetenschap zich nog moest gaan ontwikkelen. Maar blijvend actueel.

zondag 13 november 2016

Zondagochtendmuziek - Philip Glass Eerste Vioolconcert - Karen Comyo met het Residentie Orkest o.l.v. Brad Lubman

Philip Glass schreef zijn Eerste Vioolconcert in 1987 en het werd een van zijn populairste werken. Dat het populair zou worden, was ook de bedoeling. Glass zelf daarover:
I wrote the piece in 1987 thinking, let me write a piece that my father would have liked [...] A very smart nice man who had no education in music whatsoever, but the kind of person who fills up concert halls. [...] It's popular, it's supposed to be — it's for my Dad.
Gideon Kremer, die het concert als eerste op de plaat zette, zei er over:
(It) is a work typical of Glass, in which a certain enigmatic drive allows the performer to feel both bound to strict rhythm and free in his fantasy.
Volg de link voor de uitvoering door Karen Comyo met het Residentie Orkest onder leiding van Brad Lubman. Begint na 29:47 minuten. Prachtig!

NTR Podium: Martijn Paddings eerste opera: Laika kijk je op npo.nl:

'via Blog this'

vrijdag 11 november 2016

Hebben we met Trump de "regime change" die nodig is om aan de economische stagnatie te ontsnappen?

(Update. Zie nu ook Bas Jacobs: Economisch succes van Trump kan leiden tot de tirannie van het populisme.)

Van al degenen die zich nu uitlaten over de oorzaken van Trumps verkiezingsoverwinning, is er denk ik niemand die zal ontkennen dat het trage economische herstel na de crisis van 2008 er op een of andere manier mee te maken heeft. Nu herstelt de Amerikaanse economie zich beter dan de Europese. En dat doet dus het ergste vrezen voor de verkiezingen in Europese landen die er zitten aan te komen.

Maar los van de oorzaken, wat zullen de economische gevolgen zijn van Trumps presidentschap? Het is misschien te vroeg om daarover te oordelen, maar toch doet Ryan Avent een heel interessante poging in The Economist: Trump and the political economy of liquidity traps.

Want wat is er aan de hand? We zijn na de crisis van 2008 in een liquiditeitsval beland: een toestand waarin de private sector druk bezig is zijn schulden af te lossen, waarin de rente tot nul nadert, de consumptie en de investeringen inzakken en waarin dus de economie ver onder het niveau van volledige werkgelegenheid presteert. Want ja, de economie is een kringloop; wat de een uitgeeft, is het inkomen voor de ander.
(Een ander woord voor liquiditeitsval is spaarparadox. Paradox omdat als iedereen spaart, met de bedoeling om daar beter van te worden, iedereen er slechter van wordt.)
Sinds John Hicks en John Maynard Keynes weten we dat het recept voor de liquiditeitsval er uit bestaat dat de overheid massief geld moet gaan lenen om daarmee de collectieve investeringen op te voeren. Want het bezwaar tegen dat beleid in normale tijden, dat de publieke investeringen de private zullen verdringen, geldt niet meer.

Die theorie van Hicks en Keynes en hun recept kregen nieuw leven in de jaren 90 van de vorige eeuw, toen Paul Krugman zich verdiepte in de economische problemen van Japan, waar een liquiditeitsval bestond. Hij wees er op dat de centrale bank de inflatieverwachtingen zou moeten aanwakkeren, maar dat daarbij de steun van de begrotingspolitiek noodzakelijk is. En daarbij dreigt het gevaar van de timiditeitsval: door de uitgaven te weinig te verhogen, waardoor het effect op de economische groei te gering is, kan het gebeuren dat het begrotingsbeleid politiek in diskrediet raakt.

Precies dat is gebeurd in de Verenigde Staten, waar Obama de economie wel stimuleerde, overigens met tegenwerking van de Republikeinen, maar niet zo massief dat het effect er van overdonderend was. Het was er wel degelijk, de economie had er nu slechter voor gestaan dan wanneer het niet gebeurd was. Maar hoewel de werkloosheid begon terug te lopen, was er niet het snelle en dramatische herstel dat na een crisis ook op kan treden.



Daarbij vergeleken gebeurde er in Europa een economische ramp. In plaats van te stimuleren, werd daar al gauw begonnen met de bezuinigingspolitiek.

En hoe dat uitpakte, zie je in de afbeelding. Terwijl het BNP per hoofd van de bevolking na 2011 in de V.S. bleef toenemen, ging dat van de eurozone weer naar beneden. In Europa was er zelfs niet een te timide stimulering, nee, integendeel, de kwakzalverseconomie werd ingezet. (Hier de bron van de afbeelding.)

Wat is er wel nodig om uit die economische stagnatie van de liquiditeitsval te ontsnappen? In de woorden van Ryan Avent:
Escaping the liquidity trap means engineering a dramatic rise in expectations for future demand growth. It means a clear departure from past practice: a regime change.
Hét historische voorbeeld van zo'n regime change is het verlaten van de gouden standaard door veel landen in de jaren 30 van de vorige eeuw. Maar natuurlijk vooral ook het in Duitsland aan de macht komen van het Hitler-bewind en de drastische economische koerswijziging die daarmee gepaard ging. Ik ging daar eerder op in: Verontrustend actueel: een kijkje in de jaren 30 dat doet denken aan nu (aan de hand van Golo Mann). En niet te vergeten: Hèt probleem van nu is niet Brexit, maar de Duitse dovemansoren - Over Eucken en Schacht.

De vraag die zich nu opdringt is of zo'n radicale beleidsverandering langs politieke en democratische weg mogelijk is. In Japan lijkt dat inderdaad het geval geweest te zijn. Die verandering is ook met zoveel woorden door premier Shinzo Abe aangekondigd.

Maar in Groot-Brittannië lijkt die verandering meer een bijproduct van Brexit. De koers van het pond is gedaald en de inflatieverwachtingen zijn gestegen, meer als gevolg van het aantreden van het nieuwe kabinet dan als een bedoeld beleidseffect.

En Ryan Avent denkt dat zoiets ook wel eens het gevolg kunnen zijn van de verkiezingsoverwinning van Trump. De financiële markten lijken te anticiperen op stijgende inflatieverwachtingen. Waarschijnlijk op basis van de door Trump aangekondigde belastingverlagingen en verhoging van de overheidsuitgaven ten behoeve van bewapening en van de infrastructuur.

Wat Ryan Avent doet verzuchten dat er kennelijk soms eerst een vervelende politieke radicalisering nodig is om als een bijproduct te komen tot het economische beleid dat ons doet ontsnappen uit de liquiditeitsval. Anders gezegd, het zou kunnen zijn dat Trump, net als Hitler dat was in de jaren 30, economisch succesvol is.

En dat maakt angstig voor wat ons in Europa nog te wachten staat. Avent besluit met:
Muddling along is a good-enough way to deal with lots of messes, but it is no way to deal with a liquidity trap. Muddling through will continue until the political system can't bear it any more or the outside world forces a change (and history suggests that either endpoint can be very messy). With so many economies now stuck in liquidity traps, it more political shocks seem inevitable. Europe, I would say, will eventually get out of its liquidity trap. Its escape won't be pretty.

woensdag 9 november 2016

Moet het eerst nog veel slechter gaan voor het weer beter wordt? Een les voor Europa?

Nu Donald Trump, de grootste narcist in de politiek sinds Adolf Hitler, de president lijkt te gaan worden van het machtigste land ter wereld, betrap ik me op de hoop dat er misschien toch iets in zit, in die Verelendungstheorie.

Wat natuurlijk na de dominantie van het neo-liberalisme, resulterend in toenemende ongelijkheid en in de financiële crisis van 2008, had moeten gebeuren is dat de sociaal-democratie zich sterk had gemaakt voor een radicaal andere politiek. Links had de bal voor het inschieten.

Maar integendeel, het moet kennelijk eerst nog veel erger worden. Ik googelde wat en kwam op dit citaat uit deel 1 van Das Kapital van Karl Marx terecht:
Innerhalb des kapitalistischen Systems vollziehen sich alle Methoden zur Steigerung der gesellschaftlichen Produktivkraft der Arbeit auf Kosten des individuellen Arbeiters; [ ... ] Es folgt daher, daß im Maße wie Kapital akkumuliert, die Lage des Arbeiters, welches immer seine Zahlung, hoch oder niedrig, sich verschlechtern muß. Das Gesetz endlich, welches die relative Übervölkerung oder industrielle Reservearmee stets mit Umfang und Energie der Akkumulation in Gleichgewicht hält, schmiedet den Arbeiter fester an das Kapital als den Prometheus die Keile des Hephästos an den Felsen. Es bedingt eine der Akkumulation von Kapital entsprechende Akkumulation von Elend. Die Akkumulation von Reichtum auf dem einen Pol ist also zugleich Akkumulation von Elend, Arbeitsqual, Sklaverei, Unwissenheit, Brutalisierung und moralischer Degradation auf dem Gegenpol, d. h. auf Seite der Klasse, die ihr eigenes Produkt als Kapital produziert.
Het slaat natuurlijk op de negentiende eeuw. Maar toch.

Hoewel de term Verelendung niet bij Marx schijnt voor te komen, was er bij hem wel het vermoeden dat het met het kapitalisme eerst heel slecht zou moeten gaan (Akkumulation von Elend, Arbeitsqual, Sklaverei, Unwissenheit, Brutalisierung und moralischer Degradation) voor de slachtoffers er van er tegen in opstand komen.

Maar welke vorm zal die opstand aannemen, onder de condities van onwetendheid, brutalisering en moreel verval? Hoe vaak moet eerst de verkeerde weg ingeslagen worden?

We zullen nog zien wat er in Europa gaat gebeuren. Maar wat Amerika betreft, slaat misschien Thomas Frank vandaag de spijker op de kop:
What we need to focus on now is the obvious question: what the hell went wrong? What species of cluelessness guided our Democratic leaders as they went about losing what they told us was the most important election of our lifetimes?
Start at the top. Why, oh why, did it have to be Hillary Clinton? Yes, she has an impressive resume; yes, she worked hard on the campaign trail. But she was exactly the wrong candidate for this angry, populist moment. An insider when the country was screaming for an outsider. A technocrat who offered fine-tuning when the country wanted to take a sledgehammer to the machine.
Screaming for an outsider. Een les voor Europa? Voor Nederland?

dinsdag 8 november 2016

Kapitalisme maakt competitiever en minder pro-sociaal

De menselijke sociale natuur is ambivalent. We zijn in staat tot pro-sociaal gedrag en samenwerking (gemeenschapsgedrag), maar ook tot egoïsme en tegenwerking (statuscompetitiegedrag). 

Welke potentie tot uiting komt, hangt er van af hoe anderen zich gedragen. Als we veel pro-sociaal gedrag om ons heen zien, dan leren we dat gemakkelijk aan als we nog opgroeien en doen we daar gemakkelijk aan mee als we volwassen zijn. Maar ook andersom: opgroeien en leven in een statuscompetitieve omgeving vergroot de kans op statuscompetitief gedrag.

Anders gezegd, afgezien van de (geringe) invloed van persoonlijkheidsverschillen, is ons pro-sociale gedrag "sociaal ingebed". Onze "keuze" hoe ons te gedragen, is maar heel beperkt autonoom. We laten ons, vaak onbewust, leiden door wat anderen doen. Dat inzicht kun je op zijn kortst onder woorden brengen in wat ik de Dual-Mode theorie noemde.

Je kunt er veel van wat zich in onze huidige maatschappij afspeelt, behoorlijk goed mee verklaren en begrijpen. Scrol maar eens door de berichten op dit blog achter het label Dual-Mode theorie.

Maar het inzicht kan ook helpen bij het begrijpen van de mensheidsgeschiedenis, met name bij het doorgronden van de effecten van de landbouwrevolutie op het menselijk gedrag. Want terwijl in de jagers-verzamelaarssamenlevingen gemeenschapsgedrag (delen en samenwerken) vanzelf sprak, kwam er met de landbouw ruimte voor eigendomsclaims en daarmee voor ongelijkheid, conflict en statuscompetitiegedrag.En die ruimte is tot vandaag de dag, in onze kapitalistische maatschappij, aanwezig.

Bovendien werden samenlevingen grootschaliger en anoniemer, waardoor het waarnemen van elkaars gedrag minder rechtstreeks is geworden. Over hoe anderen zich gedragen, zijn we vaak alleen heel indirect geïnformeerd.

Dat betekent dat we met onze ambivalente sociale natuur terecht zijn gekomen in een sociale omgeving die al even ambivalent is. Vaak vangen we signalen op over gedrag van anderen die ons er toe brengen om ons pro-sociaal te gedragen. Maar ook gebeurt het dat anderen bij ons egoïsme en statuscompetitie aanwakkeren. Het overall resultaat is dat sinds die landbouwrevolutie naast het gemeenschapsgedrag het statuscompetitiegedrag tot ons dagelijks leven is gaan behoren. Gevolg van de dubbele ambivalentie: die van onze natuur en die van wat wij om ons heen zien.

Zou je dat historische proces nog concreet kunnen waarnemen als je kleinschalige samenlevingen bestudeert die nog in verschillende fasen van die historische ontwikkeling verkeren? Dat zou een toets mogelijk maken van de hierboven genoemde inzichten.

Precies dat is geprobeerd in de nieuwe studie Social Value Orientation and Capitalism in Societies. De onderzoekers vergeleken drie regio's van Bangladesh, de hoofdstad Dhaka, die kapitalistisch mag worden genoemd, het zuidelijke district Dacope, waar nog kleinschalige landbouw wordt bedreven, en een aantal dorpen in het noordelijke district Bogra, die een tussenpositie innemen. Drie gebieden dus waarin het kapitalisme in verschillende mate het dagelijks leven domineert. Hoewel er in Dacope dus al wel landbouw wordt beoefend, is die nog kleinschalig en deels gericht op zelfvoorziening.

In elk van deze drie gebieden namen de onderzoekers bij een steekproef van 334 bewoners een test af op zogenaamde social value orientations. Die bestond er uit dat je een keuze moest maken uit bijvoorbeeld de volgende drie opties:
  • Option 1: You receive 500, and the other receives 100.
  • Option 2: You receive 500, and the other receives 500.
  • Option 3: You receive 560, and the other receives 300.
De getallen stonden voor hoeveelheden geld, die ook echt werden uitgekeerd. Die andere persoon was een "onbekend iemand".

Een voorkeur voor optie 1 is een aanwijzing voor het hebben van een competitieve oriëntatie. Je ziet dan graag dat jij heel veel hebt en de ander juist zo weinig mogelijk. Voorkeur voor optie 2 staat voor een pro-sociale oriëntatie: je houdt rekening met de ander en wilt graag dat die net zo profiteert als jij.
En optie 3 staat voor een individualistische (egoïstische) oriëntatie: je wilt gewoon het maximale voor jezelf.

De proefpersonen moesten een aantal van dit soort keuzes maken waarbij de precieze sommen geld varieerden. Door die keuzes te aggregeren, kon meestal bepaald worden wie er meer competitief was, meer pro-sociaal of meer individualistisch.

Als je nu veronderstelt dat die kleinschalige samenleving van Dacope van de drie nog het dichtst staat bij de jagers-verzamelaars samenleving waarin delen en samenwerken voorop stond, en dat de hoofdstad Dhaka daarvan het verst verwijderd is, dan verwacht je dat in Dacope nog het meest voor optie 2 wordt gekozen en in Dhaka het meest voor optie 1. Welnu, de resultaten zie je afgebeeld in de tabel.


En wat blijkt? Zoals verwacht waren de proefpersonen die in het kapitalistische Dhaka woonden, het meest competitief, die in Dacope het minst en zaten die in Bogra daartussen in. En omgekeerd: de proefpersonen in Dacope waren het meest pro-sociaal, die in Dhaka het minst pro-sociaal en die in Bogra namen ook hier een tussenpositie in.

Na uitgebreidere statistische analyses komen de onderzoekers tot de conclusie:
This result illustrates a clear change from prosocial to competitive value orientations with respect to the degree of capitalism in societies. That is, as societies become more capitalistic, people tend to become less prosocial and more competitive.
Dat in het meer kapitalistische Dhaka mensen ook inderdaad competitief tegenover elkaar staan, illustreren ze met een beschrijving van hun gedrag bij bushaltes:
We can provide one simple example of how competition for survival and success as a cultural trait engenders human behaviors: competition for buses in Dhaka. Many people usually wait at bus stops in Dhaka. When a bus approaches the stop, it is usually filled with more passengers than its capacity. Only a few more people can take the bus on each occasion. Therefore, people waiting at the stop compete to get on the bus by pushing and pulling each other. In this case, survival and success means that each person goes home as early as possible. There are two ways to survive and achieve success: (1) forming a first-come and first-served queue and (2) competing by pushing and pulling at a bus stop. Unfortunately, in Dhaka, pushing and pulling to get on a bus is a common behavior due to the propagation of competition for survival and success.
En de dagelijkse praktijk van samenwerken en delen in het agrarische Dacope illustreren ze als volgt:
(...) in Dacope, economic activities require cooperation rather than competition to ensure mutual long-term survival under natural uncertainty and hardship. In Dacope, people enter the adjacent forest, the Sundarbans, to collect wood or honey, and they need to cooperate for ensuring their safety from wild animals, such as tigers. Moreover, it is common to share the profits or goods equally, regardless of how much wood or honey they collect individually. The same type of sharing practices can be seen among the fishermen who harvest together in adjacent rivers. Due to the existence of such cooperative practices and needs, in the long run, cooperation for survival and success is still dominant. As a consequence, people in this region are more prosocial than those in Dhaka and Bogra (...).
Zou het dan ook zo zijn dat de mensen in Dacope vaker contacten hebben met hun buren dan in het kapitalistische en dus anoniemere Dhaka? Ja, de onderzoekers waren zo vooruitziend geweest om ook daarnaar te vragen en dat bleek inderdaad het geval te zijn.Gemiddeld was er in Dacope ruim 30 maal per maand contact met de buren (elke dag dus), tegenover bijna 13 maal in Dhaka.

Je ziet in zo'n onderzoekje in een miniatuur wat zich in die mensheidsgeschiedenis heeft afgespeeld. En het beeld komt overeen met de berichten op dit blog over verschillen tussen stad en platteland.

maandag 7 november 2016

Goedbeschouwd kunnen we niet verbaasd zijn over de toename van narcisme en populisme in de politiek

Hoe de opkomst van het populisme, en van het narcisme waar het de uitingsvorm van is, te verklaren? 

Dat vraag je je natuurlijk af aan de vooravond van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, waarin Donald Trump, misschien de grootste narcist in de politiek na Adolf Hitler, een kans maakt om president te worden van het machtigste land ter wereld. Maar ook vraag je je dat af als je het slagveld van de Europese politiek overziet, de treurigstemmende toestand die door de maar voortdurende rampzalige bezuinigingspolitiek is voortgebracht. En dan hebben we het nog niet over wat zich aan de randen van ons continent afspeelt, in Turkije en Rusland.

Misschien moet je om een verklaring te vinden zowel kijken naar de aanbodkant als naar de vraagkant van de politieke markt.

Aan de aanbodkant zie je de opkomst van de narcisten die leider willen worden of het al zijn. Het zijn die politici die claimen als enige het ware volk te vertegenwoordigen. Die fantaseren over een volk dat hen bewondert en bewierookt. Die in de strijd om de volksgunst te winnen geen anderen naast zich, laat staan boven zich, kunnen verdragen. En die daarom bereid zijn de democratie de nek om te draaien als dat hen beter uitkomt.

Hoe kan het dat zich ineens zoveel narcisten in de politiek aandienen? Het publieke domein, dat van de politiek, de massamedia en de sociale media, lijkt het ideale werkterrein voor de narcist. Maar dat was het eerder ook al en verklaart dus niet de recente opkomst.

Kan het zijn dat het een gevolg is van de toename van narcistische trekken onder de gehele bevolking? Van het narcistische reservoir?

Er zijn aanwijzingen voor zulk een toename op grote schaal. Denk aan The Narcissism Epidemic van Twenge en Campbell. Als die toename er echt is geweest en als narcisten meer dan gemiddeld gemotiveerd zijn om in het publieke domein te opereren, dan kun je verwachten dat de effecten daarvan in dat publieke domein dubbelop waarneembaar zullen zijn.

Wie weet, zit daar iets in. Maar er is ook nog de vraagkant. De kant dus van de kiezers die hun stem uitbrengen.

Als je bedenkt dat narcisten die aan de macht willen komen, niet kieskeurig zijn wat de middelen aangaat om hun doel te bereiken, dan vraag je je af hoe kiezers daar dan over zullen oordelen.

Neem de lange lijsten met leugens waar Trump zich gedurende zijn campagne van heeft bediend. De meest recente opsomming daarvan die ik tegenkwam is hier te vinden: Trump has made almost 500 false claims in last 7 weeks: report. En kijk eens op de website Trump Lies. (En let even op de overeenkomsten met Hitler, die als motto had dat een leugen eerder wordt geloofd hoe groter hij is en hoe vaker hij herhaald wordt.)

Je zou toch denken dat kiezers niet gecharmeerd zijn van een politicus die alles bij elkaar liegt. Maar het bericht ‘Low information voters’ are a crucial part of Trump’s support vandaag in de Washington Post zet je dan aan het denken. Ik citeer daaruit:
Our research finds that Trump has attracted a disproportionate (and unprecedented) number of “low-information voters” to his campaign. Furthermore, these voters are more likely to respond to emotional appeals — whether about the economy, immigration, Muslims, racial relations, sexism, and even hostility to the first African American U.S. president, Barack Obama. They are the ideal constituency for a candidate like Trump.
We define low-information voters as those who do not know certain basic facts about government and lack what psychologists call a “need for cognition.” Those with a high need for cognition have a positive attitude toward tasks that require reasoning and effortful thinking and are, therefore, more likely to invest the time and resources to do so when evaluating complex issues. Those with a low need for cognition, on the other hand, find little reward in the collection and evaluation of new information when it comes to problem solving and the consideration of competing issue positions. They are more likely to rely on cognitive shortcuts, such as “experts” or other opinion leaders, for cues.
Dat wijst op de mogelijkheid van een toename van de groep van slecht geïnformeerde kiezers als een verklaring voor de toegenomen "vraag" naar liegende politici. De speelruimte voor narcistische leugenaars neemt natuurlijk toe als meer kiezers niet meer het verschil kunnen vaststellen tussen wat waar is en wat niet waar is.

Zou die groep van slecht geïnformeerde kiezers inderdaad zijn toegenomen? Ja, dat lijkt waarschijnlijk.

Want kiezers halen hun informatie oftewel uit de massamedia oftewel uit de sociale media. En de massamedia zijn vergaand vercommercialiseerd en daardoor veel meer gericht op amusement dan op informatie. In een democratie is goede informatieverstrekking een publiek goed en we weten dat een publiek goed niet door de markt tot stand komt.

Net zo weten we dat de sociale media onderhevig zijn aan het mechanisme dat iedereen, als hij al op zoek is, zoekt naar bevestiging van de eigen mening. Die confirmation bias verhindert dat mensen zich goed informeren, ondanks dat ze nooit eerder in de geschiedenis zo gemakkelijk toegang hadden tot een zo breed scala aan kennis en inzichten.

Het is juist andersom: doordat het vinden van bevestiging zo gemakkelijk is geworden, zien we polarisatie en extremisme toenemen. Zie dat mooie boek Going To Extremes van Cass Sunstein.

Goed beschouwd kunnen we dus eigenlijk niet verbaasd zijn over die toename van narcisme en populisme in de politiek.

zondag 6 november 2016

Zondagochtendmuziek - Bart van Oort speelt Beethoven op de fortepiano

Petra Somlai en Bart van Oort speelden vrijdagmiddag in de Grote Zaal van Tivoli/Vredenburg op de fortepiano muziek van Beethoven en Schubert. De versie voor vier handen van de Leonore Ouverture, de Mondschein (Bart van Oort) en de Pathétique (Petra Somlai) van Beethoven en de Fantasie voor vier handen D. 940 van Schubert.

Prachtige muziek, met overbekende passages, en misschien juist daardoor realiseer je je hoe mooi en enerverend het is om het op de fortepiano te horen uitvoeren.

Bart van Oort en Petra Somlai zijn met dit programma op tournee. Ik zie net dat ze vanmiddag om 16:30 uur optreden in Museum Schokland. Een aanrader!

Hier speelt Bart van Oort het Adagio molto en de Finale. Prestissimo van de Sonate nr. 5 Opus 10 van Beethoven.


vrijdag 4 november 2016

Rijkeren zien anderen minder staan

We zagen dat er aanwijzingen zijn dat rijkeren zich minder pro-sociaal gedragen of als ze dat wel doen, dat hun pro-sociale gedrag meer strategisch en berekenend van aard is. Zie Hogere status maakt mensen minder pro-sociaal en Pro-sociaal gedrag van mensen met hogere status is meer strategisch en berekenend.

Daar kunnen we nu aanwijzingen aan toevoegen dat rijkeren minder aandacht hebben voor andere mensen. Aanwijzingen dat anderen voor hen minder de moeite waard zijn om je voor te interesseren.

In de nieuwe studie Social Class and the Motivational Relevance of Other Human Beings. Evidence From Visual Attention werd dat op verschillende manieren onderzocht.

Zo vroegen de onderzoekers in New York voetgangers om een blokje om te lopen met een Google Glass, een draagbare computer in de vorm van een bril. Zo konden ze vaststellen hoe lang ze naar voorbijgangers keken (in plaats van naar gebouwen of andere fysieke objecten). Het bleek toen dat degenen die zich meer tot de rijkeren rekenden minder lang naar andere voorbijgangers keken.

Datzelfde bleek het geval te zijn als je mensen straatscenes laat bekijken en hun oogbewegingen registreert.

En tenslotte lieten ze proefpersonen plaatjes bekijken van gezichten en objecten, waarin kleine veranderingen optraden. Toen bleek dat de rijkeren (hogere statusgroepen, hogere opleiding ouders, hoger inkomen) meer tijd nodig hadden om veranderingen in de gezichten op te merken dan de middenklasse en armeren. Terwijl er wat het opmerken van veranderingen in de objecten geen verschil was.

Zie het plaatje, waarin afgebeeld is hoeveel tijd de working class- en de upper-middle class proefpersonen nodig hadden om verschillen te ontdekken tussen plaatjes van gezichten versus plaatjes van dingen. Het verschil is voor gezichten significant en voor dingen niet.

Ook dit wijst er op dat de rijkeren onder ons in een andere sociale wereld leven. Ze kunnen beter dan anderen voor zichzelf zorgen. Misschien doordat ze meer over de middelen beschikken om dat te doen. Of misschien zijn ze (mede) rijk geworden doordat ze zo goed voor zichzelf op kunnen komen, met minder aandacht voor (het welzijn van) anderen. Hoe dan ook, ze hebben minder anderen nodig, zijn minder van anderen afhankelijk, en hebben waarschijnlijk grotendeels onbewust dus ook minder visuele aandacht voor anderen. Ze zien anderen minder staan.

Als dat inderdaad zo is, dan heb je in een maatschappij met een grote ongelijkheid een bovenklasse die in een sociale wereld leeft waarin anderen niet meer de moeite waard zijn om bij stil te staan.

Misschien dat ook daardoor een een keer ingezette toename van ongelijkheid zo moeilijk meer is terug te draaien. Denk aan Loopt het kapitalisme op zijn laatste benen? Economische, maar ook sociaalwetenschappelijke inzichten.

woensdag 2 november 2016

Pro-sociaal gedrag van mensen met hogere status is meer strategisch en berekenend

Dat pro-sociaal gedrag zo duidelijk sociaal is ingebed, komt er uit voort dat het een uit de Paleo Sociale Omgeving overgeleverd gedragspatroon is. In jagers-verzamelaarssamenlevingen waren mensen sterk onderling afhankelijk en waren samenwerking en delen essentieel voor overleving.

Wat wij nu pro-sociaal gedrag noemen - gedrag dat ook anderen ten goede komt - dat was in die egalitaire sociale omgeving vanzelfsprekend. Kinderen leerden het bij het opgroeien. En mocht iemand toch eens toegeven aan egoïstische (statuscompetitieve) impulsen, dan waren er altijd anderen om duidelijk te maken dat zulks niet werd gewaardeerd. Zie Zelforganisatie, onderlinge afhankelijkheid en oorsprong van de moraal.

Maar we leven niet meer in een egalitaire samenleving, waarin samenwerking en delen altijd vanzelfsprekend zijn. Wat betekent maatschappelijke ongelijkheid, het bestaan van statusverschillen, voor de kans op pro-sociaal gedrag?

Wat je zou kunnen verwachten is dat degenen met lagere status meer een sociale omgeving om zich heen hebben waarin elkaar bijstaan en delen belangrijk is om rond te komen dan degenen met hogere status. De rijkeren redden zich ook wel alleen, terwijl de armeren nog wel eens elkaars hulp kunnen gebruiken. Bedenk daarbij dat armeren en rijkeren ook in verschillende sociale werelden leven (inkomenssegregatie).

Die redenering zou betekenen dat je bij mensen met lagere status, dus aan de onderkant van de samenleving, meer pro-sociaal gedrag verwacht dan bij de rijkeren. En er is inderdaad onderzoek dat in die richting wijst. Zie het bericht Hogere status maakt mensen minder pro-sociaal,

Maar er is ook onderzoek dat juist op het tegendeel wijst. Rijkeren zouden procentueel meer aan goede doelen geven en hulpvaardiger zijn dan armeren. Zie A Large Scale Test of the Effect of Social Class on Prosocial Behavior.

Wat zou hier aan de hand kunnen zijn? Een mogelijke oplossing is dat het uitmaakt of het om openbaar, publiekelijk, pro-sociaal gedrag gaat of niet.

En precies dat is onderzocht in de nieuwe studie Social Class and Prosocial Behavior. The Moderating Role of Public Versus Private Contexts.

In dat onderzoek blijkt namelijk dat als het gaat om het publiekelijk bijdragen aan een goed doel, dus met naam en toenaam doneren, de kans dat iemand met hogere status (inkomen, opleiding, beroepsstatus) bijdraagt groter is dan de kans dat iemand met lagere status dat doet.

En in het zogenaamde Dictator-spel waren mensen met hogere status vrijgeviger als ze met naam en toenaam bekend waren dan wanneer een en ander anoniem gebeurde. Dit in tegenstelling tot degenen met lagere status, waarbij het omgekeerde het geval was.

Dat doet de gedachte opkomen dat het pro-sociale gedrag van degenen met hogere status meer strategisch van aard is. Meer voortkomend uit het streven naar een goede reputatie dan uit echte bekommernis en empathie.

En dat komt er mee overeen dat degenen met
hogere status meer aangaven zich op hun werk bezig te houden met "netwerken", dus met een instrumenteel doel sociale contacten aan te gaan en te onderhouden. Ook gaven ze meer aan dan degenen met lagere status dat ze trots waren op hun vrijgevige gedrag. Wat de neiging doet vermoeden om er mee te pronken.

De onderzoekers concluderen:
These differences appear to arise from reputational concerns: Whereas lower class individuals exhibited greater prosocial behavior in private than in public contexts, upper class individuals’ tendency to expect pride following prosocial acts predicted a tendency to favor public over private prosociality.
It is interesting to speculate about how social class shapes the nature of relationship patterns. For example, relatively upper and lower class individuals may respond to relationship needs for different reasons: Lower class individuals may be more motivated by the avoidance of threat and suffering, whereas upper class individuals may be more motivated by public reputation concerns. Recent evidence suggesting that upper class individuals spend more time socializing with friends than with neighbors or family members than lower class individuals seems to support this possibility (Bianchi & Vohs, 2016).
Een en ander bevestigt dat de sociale omgeving van de rijkeren verder af staat van de Paleo Sociale Omgeving dan die van de armeren. En dat het pro-sociale gedrag van de rijkeren, als het er is, minder vanzelfsprekend is en meer voortkomt uit berekening en strategie.
(De afbeelding is er een van mensen die lijken te netwerken. Overgenomen van deze site.)

dinsdag 1 november 2016

Door verbondenheid met anderen meer het gevoel van "Yes, I can" en daardoor meer maatschappelijk verantwoordelijk gedrag

In een maatschappij als de huidige zijn we in het publieke domein van de anonieme relaties sterk afhankelijk van elkaars gedrag. 

Neem de risico's van de klimaatverandering. We kunnen die risico's terugdringen als we allemaal ons gedrag veranderen. Meer afval scheiden, meer energie besparen, meer verantwoorde producten kopen, meer bijdragen aan organisaties die zich inspannen voor het milieu. Door ons verantwoordelijk te voelen voor hoe het met de maatschappij, de toekomstige generaties, de mensheid zal gaan.

Nu gedragen veel mensen zich al maatschappelijk verantwoordelijk, maar heel veel ook niet. En hoewel regeringen het Klimaatakkoord van Parijs hebben gesloten, blijft de kans dat we de aarde voor mensen leefbaar houden er van afhankelijk hoeveel mensen bereid zijn om zich daarvoor inspanningen te getroosten.

Dat maakt het van groot belang om inzicht te hebben in wat bepaalt of mensen maatschappelijk verantwoordelijk handelen. Hoe verschillen mensen die dat wel doen van anderen die dat niet of minder doen?

Nu is maatschappelijk verantwoord gedrag een vorm van pro-sociaal gedrag en we weten al dat mensen die meer pro-sociale waarden aanhangen zich ook meer pro-sociaal gedragen.

Maar je zou ook kunnen denken dat het nogal wat uitmaakt of je er wel of niet in gelooft dat jouw gedrag iets uitmaakt voor het bereiken van dat grote doel: de aarde leefbaar houden.

Het nieuwe onderzoek Yes, I can: Feeling connected to others increases perceived effectiveness and socially responsible behavior werpt daar licht op. De onderzoekers waren er in geïnteresseerd of het zo is dat mensen die zich meer met anderen verbonden voelen, meer het idee hebben dat hun gedrag ook echt verschil maakt en dat ze zich daardoor ook meer maatschappelijk verantwoord gedragen.

Nu zijn mensen die zich meer verbonden voelen
met anderen in hun waarden ook meer pro-sociaal. Maar maakt dat gevoel van de effectiviteit van het eigen gedrag, van het gevoel van Yes, I can daarnaast ook wat uit? En wordt dat ook mede beïnvloed door dat gevoel van verbondenheid? In het plaatje zie je verbanden afgebeeld die de onderzoekers verwachten te zullen aantreffen.

Die verwachtingen werden in vier studies getest. Bij dat gevoel van verbondenheid gaat het om een lijstje met uitspraken als
  • Making a lasting contribution to groups that I belong to, such as my work organization, is very important to me
  • If a friend was having a personal problem, I would help him/her even if it meant sacrificing my time or money
  • When I become involved in a group project, I do my best to ensure its success
Hoe meer je aangeeft het met zulke uitspraken eens te zijn, hoe meer je geacht wordt je met anderen verbonden te voelen. Zie onderaan het artikel (link hierboven) voor het volledige lijstje.

En het gevoel van de effectiviteit van je eigen gedrag werd gemeten met deze drie uitspraken (de eerste twee omgekeerd gescoord):
  • It is worthless for the individual consumer to do anything about pollution
  • Since one person cannot have any effect upon pollution and natural resource problems, it does not make any difference what I do
  • Each consumer's behavior can have a positive effect on society by purchasing products sold by socially responsible companies
Al met al blijkt dan dat het gevoel van verbondenheid met anderen vooral via het gevoel van de effectiviteit van je eigen gedrag invloed heeft op de kans dat je je maatschappelijk verantwoord gedraagt (afval scheiden, verantwoorde producten kopen). Het bovenste pad in de afbeelding blijkt belangrijker dan het onderste. Statistisch gezegd, het bovenste pad verklaart meer van het verband dan het onderste.

Dat bleek ook het geval te zijn toen de onderzoekers in een van die studies het gevoel van verbondenheid "manipuleerden". Dat deden ze door de helft van de proefpersonen vijf minuten de tijd gaven om iets te schrijven over hoe ze voor iemand anders een cadeautje kochten en de andere helft over hoe ze iets voor zichzelf kochten. Daarna bleek dat de eerste groep meer het gevoel had van de effectiviteit van het eigen gedrag dan de tweede.

Diezelfde manipulatie bleek er ook toe te leiden dat die eerste groep meer bereid was om zich in te spannen ten behoeve van een milieu-organisatie of die financieel te ondersteunen.

Je vraagt je natuurlijk af wat er precies met dat gevoel van verbondenheid aan de hand is dat het deze effecten heeft. De onderzoekers denken dat het er toe leidt dat wij onszelf  meer als deel van een geheel gaan zien in plaats van als een uniek individu. Daardoor zouden we als het ware het geloof in de effectiviteit van de groep als geheel voor een stukje overdragen op het geloof in de effectiviteit van ons individuele gedrag. Anders gezegd: het gevoel van Yes, we can vergroot ook het gevoel van Yes, I can

Of zoals een van de onderzoekers hier het zelf onder woorden brengt:
Overall, this suggests that we're at our ethical best when we feel part of a human community that transcends our immediate surroundings.
Denk tenslotte ook even aan dat andere onderzoek dat er op wijst dat verbondenheid met anderen bevorderlijk is voor emotionele zelfregulering: Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering.
Update. En niet te vergeten: ook dit onderzoek is er weer een aanwijzing voor dat pro-sociaal gedrag niet een individueel verschijnsel is, maar altijd sociaal is ingebed. Denk bijvoorbeeld aan Pro-sociaal gedrag en keuze-architectuur - Over het naar voren halen van schuldgevoel.