vrijdag 21 april 2017

George Lakoff over morele intuïties in de politiek en over Trump. En over de Dual-Mode theorie

George Lakoff, eminent onderzoeker op het gebied van taal en morele intuïties, wordt geïnterviewd naar aanleiding van het verschijnsel Trump. Zie Read our full conversation with George Lakoff on "your brain on Trump"

Lakoff schreef het boek Moral Politics, waarin hij uitlegt hoe de morele intuïties over het publieke domein tussen links (progressives) en rechts (conservatives) verschillen.

In dat interview komen die twee morele intuïtie-pakketten nader aan de orde. Hij omschrijft ze als enerzijds de moraliteit-van-de-strenge-vader, de conservatieve intuïties waar Trump zo goed op weet in te haken, en anderzijds de moraliteit-van-de-zorgzaamheid, de progressieve intuïties waarin de emoties van zorgzaamheid uitbreiding krijgen naar anderen dan de eigen familie en in de overheid hun uitwerking dienen te vinden.

Lees even mee met Lakoffs omschrijving van de moraliteit-van-de-strenge-vader:
The main thing is that this is a natural thing that this is how the world should be how it is. And if you look at history, you will see that the strict fathers win. And you can take a look at who wins, and they win because they're right. That morality and authority go together, that the strict father knows right from wrong. So that if you want to see who's better than who, you look at who beat who. And so you have religion won out, you have God above man and you have, we have conquered nature, you have man above nature. We can take anything we want for our use. You have the strong above the weak. We need a strong army, and so on. You have the rich above the poor, who deserve it, because they're disciplined. The employers above employees, because they're richer. The adults above children in 21 states. Teachers and coaches can beat children with sticks if they don't just obey them and if they ever talk back. You have Western culture above non-Western culture. We won out. You have America above other countries, men above women, whites above non-whites, Christians above non-Christians, straights above gays. That hierarchy follows from one idea, not a bunch of different ideas. It's strict father morality as applied to all aspects of life.
En met de omschrijving van de moraliteit-van-de-zorgzaamheid:
There is what is called nurturant morality. That is, you care about other people in a family. Adults care about their children, you know, are honest with them. They try to talk directly with them and they have an answer to all their questions. They take care of them, they want them to be fulfilled in life and they want them to care about other people. And that comes out as a progressive moral view, which goes like this: that citizens care about other citizens, work through the government to provide resources, public resources for everybody starting with business. You can't have a business if you don't have streets and roads and airports and sewers and, you know, science like computer science developed by the NSF and so on. All the current technology was developed and maintained by the government. And that isn't the government, it's the people, it's the public. The private depends on the public. And that's something that Republicans don't want to understand, that if you have strict father morality, then you did it all. It's personal responsibility. But the fact is that you didn't do it all, that you got a lot of it from the public.
 Hoe verhouden die twee intuïtie-pakketten zich tot elkaar? Lees daarover:
And one of the major things you have to know is that people are not just all one or the other. Most people are what I call bi-conceptual. Most conservatives have some progressive views about some things or other, most progressives have some conservative things about some things or other, perhaps business or whatever. And there are people who are both. In the brain, that means you have both moral systems mainly used for one thing but not the other. But they are what are called "mutually inhibitive." That is, the activation of one turns off the other.
Lees verder vooral dat hele interview. En natuurlijk dat boek, waarvan vorig jaar de derde druk is verschenen.

Ik lees dit alles met grote instemming. Dat ligt er natuurlijk aan dat deze gedachten sterk overeenkomen met wat ik de Dual-Mode theorie heb genoemd, waarin ik het gemeenschapspatroon onderscheidt van het statuscompetitiepatroon. Zie hier alle blogberichten tot nu toe achter dat label. De moraliteit-van-de-strenge-vader overlapt sterk met het statuscompetitiepatroon en de moraliteit-van-de-zorgzaamheid met het gemeenschapspatroon.

In het bericht Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken. En over de Dual-Mode theorie omschreef ik die theorie als bestaande uit de volgende twee stellingen:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen. (Speltheoretisch gezien gaat het om frequentie-afhankelijke strategieën.)
Bij Lakoff gaat het er vooral om hoe progressieven en conservatieven in de politiek met elkaar communiceren. Of er maar beperkt in slagen om dat te doen.

Volg hier een prachtig college van Lakoff uit 2005: George Lakoff: Moral Politics. En zie hier een recent interview met hem over Trump: George Lakoff on Trump's moral challenge to liberals.
Update. Zie ook het bericht Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein.

dinsdag 18 april 2017

Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen

De Verenigde Staten hebben met Donald Trump een president aan de macht die om verschillende redenen voor dat ambt ongeschikt is. In ieder geval een van die redenen is dat hij meestal niet weet waarover hij praat. Hij voerde campagne met een eenvoudig wereldbeeld, door Matthew Yglesias (Donald Trump’s big problem is he doesn’t know what he’s talking about) omschreven als
Trump’s basic worldview, as articulated on the campaign trail, was that all the major dilemmas of American public policy had easy solutions. The reason the problems had not been solved already was that America’s political leaders were too stupid, too corrupt, or too “politically correct” to solve them.
This is a reasonably widespread view of things among the mass public, but as Trump has been discovering since taking office, it’s not true.
Nu hij in de positie terecht is gekomen waarin hij niet kan volstaan met praten en tweeten, ontdekt hij dat de wereld anders en ingewikkelder in elkaar zit. Yglesias noemt drie in het oog springende voorbeelden van zulke ontdekkingen:
Als hij wat minder onsympathiek was geweest, zou je de naïviteit, die maakt dat hij meestal het standpunt inneemt van zijn laatste gesprekspartner, nog wel ontwapenend kunnen vinden.

Maar hoe dan ook, het is natuurlijk verbijsterend dat iemand die zo overduidelijk van niets weet door kiezers in het zadel kan worden gehesen.

Toch is dat verschijnsel niet uniek. Want ook in Europa, en dus ook in Nederland, hebben we leiders aan de macht die slecht geïnformeerd zijn over hoe je op een economische crisis moet reageren en over hoe je een muntunie moet organiseren. Vandaar dat ik verzuchtte dat we in Europa een sekte aan de macht hebben: Als je door een sekte geregeerd wordt, dan loopt dat niet goed af.

En in Groot-Brittannië hebben slecht geïnformeerde kiezers een regering aan de macht gebracht die met Brexit een beleid uitvoert dat niet kan waarmaken wat de Brexiteers beloofden en dat slecht voor het land zal uitpakken.

Als je bedenkt dat slecht geïnformeerde leiders zijn gekozen door slecht geïnformeerde kiezers, dan vraag je je af hoe het komt dat kiezers zo slecht geïnformeerd zijn.

En dan kom je onvermijdelijk terecht bij de rol van de media. Wat zich dan wel erg opdringt, is dat die hun werk slecht doen. De Brits-Amerikaanse journalist Harold Evans heeft het daarover in het interview dat vorige week verscheen: ‘Slechte journalisten hebben Trump groot gemaakt’:
Harold Evans wil op een warme lentemiddag praten over de beroerde staat van zijn vak. Slechte journalistiek, zegt hij, heeft Donald Trump groot gemaakt. Slechte journalistiek heeft de Brexit in gang gezet. „It stinks. De Angelsaksische journalistiek is gecorrumpeerd door geld en machtshonger. De pers dient een politiek doel, of het commerciële belang van de eigenaren. Het publieke belang is ondergeschikt gemaakt. Ik heb het zelf zien veranderen. Ik ben geen journalist geworden om rijk te worden.”
In dezelfde richting beklaagt de Engelse macro-econoom Simon Wren-Lewis zich al langer over de Britse media, de tabloids en de BBC. Hier lees je de laatste aflevering: When journalism becomes propaganda.

En, o ja, lees vooral ook Jesse Frederik over de "de alternatieve werkelijkheid waarin Nederlandse politici en journalisten zijn terechtgekomen" waarin Jeroen Dijsselbloem als de redder (in plaats van als de slager) van Griekenland wordt beschouwd: Als je nog steeds denkt dat Jeroen Dijsselbloem Griekenland heeft geholpen, lees dan dit.

Nu is het klagen over de media van alle tijden, maar misschien is er nu toch meer aan de hand. Want het is onderdeel van de neoliberale golf waarin we zijn terechtgekomen om te denken dat je de media kunt overlaten aan de commercie. De markt is overal goed voor en zal er dus ook wel voor zorgen dat de burgers goed worden geïnformeerd over het publieke domein.

Dat is een ernstige misvatting. Media overlaten aan de markt heeft in feite betekend dat de mediamagnaten het heft in handen hebben genomen. En die hebben hun eigen belangen.

En zijn zo machtig geworden dat ze niet alleen de berichtgeving en de politieke commentaren naar hun hand zetten, maar ook rechtstreeks de politici beïnvloeden.

En nog los daarvan, heeft de commercialisering van de media in de hand gewerkt dat er een omvangrijke amusementsindustrie kon ontstaan. Een bijkomend effect daarvan is dat de indruk wordt gewekt dat het ook helemaal niet nodig is om je goed te informeren. Wat weer de ruimte creëerde voor de populist die gemakkelijke oplossingen aandraagt en die de verpersoonlijking is van dat amusement en van de alternatieve feiten.

Aanwijzingen voor de invloed van amusementstelevisie op populistisch stemgedrag komen naar voren uit onderzoek waarover hier gerapporteerd wordt: People who watch entertainment TV are more likely to vote for populist politicians.
Update. Slechte geïnformeerdheid verhoogt niet alleen de kans op slecht geïnformeerde leiders maar meer in het algemeen ook de kans op sociale zeepbellen. Zie Sociale zeepbellen in economie en politiek.

maandag 17 april 2017

Naast gehechtheid aan personen is er natuurlijk ook de gehechtheid aan plekken - Over je thuis voelen en nostalgie

In ons sociale verkeer speelt vertrouwdheid een grote rol. Na de geboorte hechten we ons aan vertrouwde zorgverleners. Met als andere kant van de medaille dat we een angst voor vreemden kunnen ontwikkelen, vooral als gezinnen meer sociaal geïsoleerd zijn.

Die gehechtheid aan vertrouwde anderen lijkt de uitkomst van een evolutionair proces dat ons er toe heeft aangezet om onzekerheid en risico te vermijden. Als er anderen zijn die ons goedgezind zijn, dan is het "verstandig" om die contacten in stand te houden en om nabijheid van die anderen te waarderen. Vandaar onze positieve gevoelens van gehechtheid en vertrouwdheid en negatieve gevoelens van eenzaamheid en van afgewezen zijn.

Dat mechanisme van waardering voor het vertrouwde en ongemak bij het onbekende lijkt in de evolutie al te zijn ontstaan op het moment dat organismen in staat waren zich voort te bewegen. Zodra je je kunt voortbewegen, dus bij het ontstaan van de eerste dieren, heb je te maken met de uitdaging uit te vinden waar je je het beste kunt bevinden.

En omdat je je altijd ergens bevindt, al was het maar de plek waar je leven begint, is er dus onvermijdelijk ook de grens tussen de plek die je kent en die je vertrouwd is (geworden) en alle andere plekken, die onbekend zijn en dus risico's in zich dragen. Het kan elders beter zijn, maar ook slechter.

Er is aanleiding om te denken dat de plek waar je geboren bent een goede plek is. Dat is zo doordat je moeder die plek heeft uitgekozen en op dat keuzeproces is in het verleden ook weer geselecteerd. Denk aan Bernd Heinrichs Huiswaarts. Het wonderbaarlijke instinct van trekvogels en andere dieren.

Dat doet vermoeden dat mensen niet alleen een hechting aan personen kennen, maar ook een hechting aan plekken. En onderzoek naar place attachment bevestigt dat.

In die lijn van onderzoek is er nu de studie Place Attachment Enhances Psychological Need Satisfaction.

Uit eerder onderzoek is al gebleken dat hechting aan plekken psychologisch functioneert op een manier die vergelijkbaar is met hechting aan personen. Al was het maar in de zin dat nabijheid tot de plek waaraan je gehecht bent net zo je welbevinden vergroot als nabijheid tot de personen waaraan je gehecht bent.

In deze nieuwe studie gaat het om de vraag of dat positieve effect op welbevinden ook al optreedt als je je alleen maar voorstelt om op die gehechtheidsplek aanwezig te zijn.

Proefpersonen werd gevraagd om zich een plek voor te stellen waaraan ze zich gehecht voelden. Dat gebeurde met omschrijvingen als "Deze plek is een deel van wie ik ben", "Op deze plek voel ik mij het gelukkigst", "Op deze plek heb ik een gevoel van thuis zijn" en "Op deze plek wil ik blijven".

In vergelijking met andere proefpersonen die zich een neutrale plek hadden voorgesteld, bleek dat het zich een gehechtheidsplek voorstellen tot hogere scores leidden op aspecten van welbevinden.

Het lijkt een verklaring te verschaffen voor het verschijnsel van de nostalgie, dat we kennen omdat we in een maatschappij leven met een grote mate van mobiliteit. Denk even aan Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen en Leidt het vaak verhuisd zijn tot sociale vluchtigheid?

zondag 16 april 2017

Zondagochtendmuziek - Bach, Matthäus-Passion BWV 244. Herreweghe

De documentaire De Matthäus Missie van Reinbert de Leeuw van Cherry Duyns is fascinerend. Volg de link en scroll naar beneden voor de prachtige verfilming van de prachtige uitvoering. Die nu nog te zien is, hoewel dat volgens de begeleidende tekst maar tot 13 april het geval zou zijn.

Maar laten we ook eens gaan luisteren en kijken naar deze prachtige uitvoering van de Matthäus Passie door Collegium Vocale Gent onder leiding van Philippe Herreweghe.

Een aardig inzicht in wat die muziek en een uitvoering als deze bij mensen teweeg kan brengen, krijg je als je een aantal van de reacties leest. Neem:
  • In our "modern" times people hardly have the patience to listen for longer the 10 minutes to anything except themselves. It all about the selfie. Uncle Bach would not like our world. Too fast too furious. We want it all yesterday.
  • i must have been listening to this for a 100 times now and it´s still growing on me. i cry nearly every time though i´m not religious..what is it about this piece?? herreweghe and crew bringing it to perfection - This may be my favourite youtube video of all time.
  • Herreweghe is by far the best interpretor of Bach in my opinion. Whether it's the Mattheuspassion or a mass or cantatas, Herreweghe always manages to conduct in a way that it feels like you're listening to Bach conducting himself. It's like he feels what Bach felt when he composed this and every other (master)piece. For me, Bach's music is the only music ever written that can make me feel the closest I can get to God, like I'm not on Earth for a while. Transcedental is definitely the right description of his music. Herreweghe surprises me with every single performance of Bach's music, which is the only music in which I can express my personal feelings. My deepest gratitude goes to these two men, for me the most genious people that ever lived, an unseparable duo.
  • The conductor looks like Einstein and Beethoven rolled into one person.
En negeer de onzin die je ook tegenkomt.

vrijdag 14 april 2017

Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? Over interpersonele autonome synchronie

Mensen zijn fundamenteel sociaal. In de zin dat de spontane activiteit in onze hersenen in een toestand van rust, ons er op voorbereidt om snel de bedoelingen van andere mensen te begrijpen. De spontane activiteit in het zogenaamde default- (terugval-)netwerk van onze hersenen als we geen prikkels van buiten krijgen, "zorgt er voor" dat we voorbereid zijn (geprimed zijn) op een intentionele houding tegenover mensen. Dat is de uitkomst van de studie The Default Mode of Human Brain Function Primes the Intentional Stance (pdf).
Zo begon het bericht Hoe fundamenteel sociaal zijn wij? van al weer meer dan een jaar geleden. Nu kreeg ik de studie Interpersonal Autonomic Physiology: A Systematic Review of the Literature onder ogen, die verslag doet van een review van onderzoek naar interpersonele fysiologische synchronie.

Het is een uitgebreide studie die ik hier niet volledig kan samenvatten, al was het maar doordat ik maar beperkt op de vereiste deskundigheid kan terugvallen. Maar ik maak er hier wel melding van omdat het fascinerende lectuur is. En omdat het een ander aspect betreft van hoe fundamenteel sociaal wij zijn dan waar het in dat vorige bericht over ging.

Ultrakort samengevat gaat het om onderzoek dat er op wijst dat de werking van ons autonome zenuwstelsel er toe neigt om synchroon te gaan lopen met dat van anderen, vooral met anderen die ons vertrouwd zijn. Dat autonome zenuwstelsel bestaat uit het sympathische systeem dat ons activeert als dat nodig lijkt (fight or flight) en het parasympathische systeem dat gericht is op rust en herstel (rest and digest). Die twee systemen zijn op elkaar afgestemd en maken het ons mogelijk om, meestal adequaat, te anticiperen en te reageren op uitdagingen zonder dat we daar bewust bij hoeven na te denken.

Veel onderzoek laat dus zien dat de werking van dat autonome zenuwstelsel, gemeten aan maten als hartslag, hartslagvariabiliteit, ademhaling, huidweerstand en huidtemperatuur, synchroon gaat lopen met die van anderen die in onze nabijheid zijn. En naar het lijkt meer met die van vertrouwden dan met (nog) vreemden.

En die mate van synchronie lijkt weer samen te hangen met onderlinge empathie en wederzijds vertrouwen. Dat wil zeggen, onderzoek naar die synchronie tussen therapeut en cliënt, tussen echtparen, tussen ouders en kind en tussen teamgenoten lijkt daar op te wijzen. Waarschijnlijk kun je die synchronie beschouwen als het fysiologische substraat van hechtingsprocessen.

En er lijkt een verband te zijn met de omstandigheid dat wij maar beperkt in staat zijn om onze emoties individueel goed te reguleren. Denk aan Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering en We verbeteren onze emotionele zelfregulering door anderen in hun zelfregulering bij te staan.

Want bij dat autonome zenuwstelsel gaat het natuurlijk over onze emoties. En als we dus die synchronie met anderen ontberen, dan zijn we voor het handhaven van ons emotionele evenwicht geheel op onszelf teruggeworpen.

En dat leert weer veel over waarom we sociaal isolement snel als een gevoel van eenzaamheid en als stressvol ervaren. Update. En het doet vermoedens rijzen over wat de vluchtigheid van sociale relaties voor ons betekent. Zie Over de uitdagingen van de sociale vluchtigheid.

In dat verband kwam ik via de referenties terecht op de interessante studie Relationships as Regulators van Tiffany Field. Daarover misschien een andere keer. Hier al vast de Abstract:
This paper reviews the Hofer (1984, 1996) and Field (1985, 1994) models on relationships as regulators, suggesting that relationships regulate optimal stimulation and thereby modulate arousal levels and attenuate stress. In these models, the behavioral, physiological and biochemical rhythms of individuals become synchronized within close relationships like mother-infant and peer relationships both in human and animal species, and they become more coordinated over time, with some potentially remaining stable, much like zeitgebers. Hofer supports his model by data on infant rat separation stress and Field describes “psychobiological attunement” between human infants and their mothers and between young peers. This review revisits the “relationships as regulators” model, summarizing studies on relationships between non-depressed versus depressed mothers and their infants, between infant, preschool and preadolescent friends versus acquaintances and between happily versus unhappily married couples. Although some behavioral and physiological data support Hofer’s and Field’s “relationships as regulators” model, many studies on relationships have focused instead on the effects of separation or loss. Both Hofer and Field suggest that the real question is “what was there about the relationship that was then missing after the loss?” Future research could address the question of potential mediators and underlying mechanisms for relationships becoming regulators. Potential mediators are explored here including mirror neurons, affective priming, imitation and empathy. The individuals’ rhythms and the attraction to others’ rhythms as regulators may be an epigenetic programming phenomenon, suggesting both genetic and early experience effects that endure across development.

woensdag 12 april 2017

Does the past teach lessons? - Het project 50 years

Kunstenaar Stefan Cammeraat vroeg voor zijn project '50 years' een archivaris, een kunstenaar, een historicus en een socioloog om een werk achter te laten in een door hem ontworpen tijdcapsule. Die capsules zijn gedurende deze maand te bezichtigen in de Exbunker in het Wilhelminapark te Utrecht. Zie hier voor de openingstijden. En zie hier voor mijn vorige bericht over dit project: Wat stuur je in een tijdcapsule naar 2067?

De tijdscapsules blijven gesloten en zullen na de expositie worden opgeslagen en pas in 2067 worden geopend. Je ziet ze opgesteld op de foto die ik vorige week zaterdag bij de opening maakte.



Ik kreeg van Stefan de vraag of ik in mijn hoedanigheid van socioloog een werk zou willen achterlaten. Dat bevindt zich in de tweede capsule van achteren. Met daarop de plaquette met als tekst:
Henk de Vos sociologist - Does the past teach lessons? About personal growth, politics, science and the meaningful life  2017  -  2067. 
Die zie je, met wat goede wil, op deze foto:


De andere drie gasten zijn
  • James Beckett, kunstenaar, met als titel: Capsule interior
  • Charels Jeurgens, hoogleraar Archief Studies, met als titel: Alternative Memories: a sliver of a sliver of a sliver of my passed past
  • Leonard Rutgers, historicus van religie en archeoloog, met als titel: Hopefully familiar
Leonard Rutgers heeft in het Financieel Dagblad een column aan het project gewijd. Zie Wat is over 50 jaar nog interessant?

maandag 10 april 2017

Pesten is een vorm van statuscompetitie - Nieuwe aanwijzingen

Pesten blijkt twee maal zoveel voor te komen op scholen die leeftijdshomogeen groeperen dan op scholen met leeftijdsgemengde groepen. Zie Pesten moet je niet door leraren laten oplossen. Doe aan leeftijdsmenging.

Een mogelijke verklaring daarvoor is dat er in die onnatuurlijke groep van leeftijdsgenoten gemakkelijker statuscompetitie optreedt. Het gaat er dan al gauw om wie populair is en wie een loser is op wie je kunt neerkijken. En pesten is dan een gedrag in die strijd om populariteit en status.

Maar klopt dat laatste wel? Ja, we zagen al dat de kinderen die meer pesten, ook meer de doelen van de statuscompetitie nastreven: zelfbewust en slimmer dan anderen willen overkomen, indruk op anderen willen maken en door anderen gerespecteerd en bewonderd willen worden. Zie Pesten hoort bij statuscompetitie. Wil je pesten terugdringen, doe dan iets aan de statuscompetitie.

Er is nu het nieuwe onderzoek Popularity: Does it magnify associations between popularity prioritization and the bullying and defending behavior of early adolescent boys and girls? dat in dezelfde richting wijst.

De onderzoekers stelden van 191 leerlingen van 10-14 jaar van twee Australische scholen niet alleen vast hoe populair ze waren (in de ogen van medeleerlingen), maar ook hoe sterk ze populariteit nastreefden (ook in de ogen van medeleerlingen).

Dat laatste deden ze met 10 vignetten van situaties waarin je steeds populariteit moet afwegen tegen een ander doel, bijvoorbeeld vriendschap. Hier drie voorbeelden van zulke vignetten (overgenomen van Developmental Changes in the Priority of Perceived Status in Childhood and Adolescence):
The child arranges to get together with his or her best friend, then a popular same-sex peer invites the child to get together with him or her instead. Will the child change his or her plans to go out with the popular peer or go out with his or her best friend instead?
The child is in the school cafeteria sitting with a group of popular same-sex peers. An unpopular same-sex peer walks by the table and trips and drops his or her tray of food all over the floor. The popular peers laugh at the unpopular peer. Will the child join in the laughter or help the unpopular peer clean up what he or she dropped?
In the classroom, students are pairing up to work on a project. The child has the choice between working with someone who is popular but not a good student, and another peer who is not popular but is a good student. Which one will the child choose?
Uit het onderzoek blijkt dan dat de meer populaire leerlingen vaker pesten dan de minder populaire. Dat suggereert dat pesten een van de middelen is om populair te worden of om populair te blijven.

Is het dan ook zo dat degenen die het belangrijker vinden om populair te zijn, die meer naar populariteit streven, ook vaker pesten dan degenen die dat minder belangrijk vinden?

Ja, maar dat zie je pas als je kijkt naar hoe populariteit en populariteitsstreven in samenhang hun effect hebben. Het blijkt namelijk dat het effect alleen optreedt bij de populaire jongens en bij de weinig populaire meisjes. In de Figuur zie je de verbanden afgebeeld. Op de horizontale as staat het onderscheid tussen laag- en hoog populariteitsstreven en op de verticale as hoe vaak iemand pest.



Dat lijkt er dus op dat pesten voor populaire jongens een middel is om hun populariteit te behouden. Dat kan er ook mee samenhangen dat, zoals uit ander onderzoek blijkt, de populariteit, en dus de statushiërarchie, onder jongens weinig stabiel is, minder dan bij meisjes. Populaire jongens kunnen dus niet op hun lauweren rusten. Anders gezegd, de statuscompetitie is altijd manifest. Nog anders gezegd, pesten moet je blijven doen.

Kennelijk ligt dat anders bij meisjes. Daar zijn het daardoor de weinig populaire meisjes die door te pesten proberen hoger op te komen in de stabiele populariteitshiërarchie. De populaire meisjes hebben pesten niet meer nodig.

zondag 9 april 2017

Zondagochtendmuziek - De Materie de Louis Andriessen @ Teatro Argentino de La Plata

Donderdagavond was er in de grote zaal van TivoliVredenburg de uitvoering van De materie van Louis Andriessen door het ASKO/Schönberg Ensemble m.m.n studenten van het Koninklijk Conservatorium i.s.m. het Ensemble Academie onder leiding van Reinbert de Leeuw. Dat stuk dateert uit 1989 en Elmer Schönberger schrijft erover:
'Materie' als filosofisch begrip en als marxistisch, artistiek en natuurwetenschappelijk begrip inspireerde de componist in de jaren 1984-1988 tot vier muzikale essays, die, naar is gebleken, in compositorisch en inhoudelijk opzicht verschillend genoeg zijn om een avond lang de muzikale spanning vast te houden, maar die tegelijkertijd voldoende constanten bevatten om als eenheid ervaren te worden. Deze constanten liggen vooral op het gebied van de muzikale stijl en de dramaturgie. De muzikale stijl is een synthese van uitersten op alle niveaus van Andriessens componeren: van ratio versus instinct, constructivisme versus spontaniteit, leerstelligheid versus entertainment, concertzaal versus theater.
Ik vond het een synthese van zoveel, niet alleen van al die uitersten, maar ook van ontelbaar veel instrumenten, dat ik me ging afvragen of dit nog wel een synthese was. Het was bovenal "heel veel". En dan constateer je bij jezelf een zekere hang naar eenvoud en soberheid.

Maar een groots en enerverend werk mag je het wel noemen. Hier is een Argentijnse uitvoering van augustus vorig jaar. Met meer theatrale elementen dan die uitvoering van donderdagavond. En daardoor onderhoudender.

vrijdag 7 april 2017

Over Godsgeloof, gerechtigheid, de dood, de oerzonde en de rechtvaardige wereld - Een biologische antropologie van de Bijbel (18)

In het Oerboek van de mens waren we, in hoofdstuk 14, aanbeland bij
een hybride God, een mix van de oude, bestraffende en wraakzuchtige, God en de nieuwe God bij wie je altijd terecht kunt en die zijn armen om je heen slaat.
Zie het vorige bericht in deze reeks: Was de nieuwe God van "de Heer is mijn herder" het antwoord op de individualisering? - Een biologische antropologie van de Bijbel (17).

Dat hybride karakter zou wel eens de verklaring kunnen zijn voor de toen groeiende populariteit van deze God. Je kon voor allerlei behoeften bij hem terecht. Hij verschafte verklaringen voor rampspoeden, maar was ook de altijd aanwezige metgezel als oplossing voor het collectieve probleem van de individualisering en het individuele probleem van eenzaamheid.

Maar daarmee was niet alles opgelost. Want terwijl in de jagers-verzamelaarssamenlevingen de morele intuïties van rechtvaardigheid en wederkerigheid als vanzelfsprekend in de dagelijkse praktijk van het samenleven tot uitdrukking kwamen, stuitte dat in de landbouwsamenlevingen op grote problemen.

Dat is het thema van het boek Job, waarin het gaat over het vanuit een rechtvaardigheidsgezichtspunt onverklaarbare lijden dat Job moet ondergaan. Als dat ook het werk van God is, en van de enige God, hoe kunnen we ons dan bij dat lijden neerleggen, het aanvaarden, en tegelijk in God geloven?

Op die vraag moesten antwoorden worden gevonden. Die zoektocht kon ertoe leiden dat er in de hemelse hofhouding een Satan werd bedacht, waar God zich door liet uitdagen om Jobs Godsgeloof op de proef te stellen.

Maar ook andere oplossingen dienden zich aan. Misschien was het zo dat God de gerechtigheid en wederkerigheid uitsmeerde over vele generaties. Denk aan:
Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.
Tegenslag in het heden zou dus moeten worden opgevat als boetedoening voor wandaden ergens in een vorige generatie begaan.

Maar dat strookte natuurlijk niet zo goed met het beeld van God als metgezel en beschermer van ieder individu afzonderlijk. Volgens dat beeld zou ieder individu gedurende het leven gerechtigheid mogen verwachten. Een verwachting die vaak niet bewaarheid werd.
De kwaden worden niet bestraft, de goeden niet beloond. Job klaagt: "Waarom leven goddelozen lang, tot in hun ouderdom welvarend en gezond?
Het lijkt alsof dit nijpende probleem de aanleiding vormde tot de ontdekking van het hiernamaals. Als er immers na dit leven nog een vervolg was, dan kon je er nog op hopen dat de gerechtigheid gedurende dat vervolg zou worden hersteld. Daardoor wordt de dood in het Nieuwe testament een "hot item":
Al dat gissen naar wat er op de dood volgt, al die pogingen om te schilderen hoe hemel en hel eruit kunnen zien, wijzen maar in één richting: geen enkel hiernamaalsconcept weet echt te overtuigen. Het zijn allemaal hersenspinsels om de idee van een rechtvaardige God af te stemmen op de onloochenbare ongerechtigheid op aarde. Geen van die visies op het hiernamaals is overtuigend voor onze intuïties. Je moet erin geloven. En wanneer we iets moeten geloven, rijst er altijd twijfel.
Misschien is het daardoor dat er zich nog een laatste oplossing aandiende. Die bestond eruit om elke tegenslag en rampspoed op te vatten als een aanwijzing voor een in het verleden begane zonde. Ook als die niet publiekelijk bekend was, dan moest hij wel gepleegd zijn. Want als de rampspoed niet werd rechtgezet
kon dat maar één ding betekenen: de mens had zijn ongeluk verdiend. Dan moest hij wel een zondaar zijn, ook al was hij zich van geen misstap bewust. Een verschrikkelijke gedachte - maar wel een die in het christendom opgang zou maken. Met de uitvinding van de oerzonde, met de gedachte dat door de misstap van Adam en Eva in het paradijs ieder mens vanaf zijn geboorte een zondaar was, kon alle onrecht in de wereld bij voorbaat worden gerechtvaardigd.
Die oplossing is een vast onderdeel van het menselijk denken geworden. In de sociale wetenschappen komen we hem tegen als de just-world hypothesis. Mensen hebben de neiging om te denken dat de wereld behoorlijk rechtvaardig in elkaar zit. Als het met iemand niet goed gaat, welnu, dan zal hij het er wel naar gemaakt hebben.

Daarmee kun je verklaren dat mensen neerkijken op armoedzaaiers en uitkeringstrekkers en zelfs vluchtelingen en immigranten.

En het is een deel van de verklaring voor het gegeven dat een eenmaal ontstane ongelijkheid zichzelf in standhoudt en versterkt. Zie Perceptions of Low-Status Workers and the Maintenance of the Social Class Status Quo. En eerder het bericht Is toenemende ongelijkheid een onomkeerbaar proces?

donderdag 6 april 2017

Het neo-liberalisme als eigenaardige en pijnlijke onderbreking van de ontwikkeling van de verzorgingsstaat

James Montier, die we kennen van Geloof niet in de mythe van de gezonde overheidsfinanciën! De overheidsbegroting hoort functioneel te zijn, en Philip Pilkington laten helder en goed geïnformeerd zien waarin onze huidige economische problemen hun oorsprong vinden. Zie The Deep Causes of Secular Stagnation and the Rise of Populism.

Die problemen bestaan eruit dat de economische groei stagneert, dat de inflatie te laag is, ja, dat deflatie dreigt, dat er te weinig wordt geïnvesteerd, dat de productiviteit nauwelijks groeit, dat de inkomens- en vermogensongelijkheid toenemen en dat de werkzekerheid sterk verminderd is. Die problemen hebben algehele bestaansonzekerheid tot gevolg, die op zijn beurt het populisme heeft voortgebracht. Denk ook aan De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Montier en Pilkington laten overtuigend zien dat deze economische problemen, samen te vatten als seculiere stagnatie,  niet een of andere verborgen, exogene oorzaak hebben, maar het gevolg zijn van beleidsveranderingen waar bewust en openlijk voor is gekozen. Dat is gebeurd in de 70-er jaren van de vorig eeuw en het "broken system of governance" dat daaruit is voortgekomen, is bekend geworden als het neoliberalisme.

Het gaat om de volgende vier beleidsveranderingen:
  1. het inruilen van volledige werkgelegenheid als beleidsdoelstelling voor een inflatiedoelstelling (er ware terug te denken aan Wim Duisenberg, de eerste president van de ECB, maar oorspronkelijk leerling van Keynesiaan Jan Pen, die zelfverzekerd verklaarde dat de ECB alleen en uitsluitend op de inflatie zou letten, omdat "academische studies" zouden hebben aangetoond dat zulks superieur was)
  2. het ruim baan geven aan globalisering, dus het wegnemen van handelsbelemmeringen en vooral ook belemmeringen op kapitaalsstromen
  3. het verschuiven van de focus van bedrijven van herinvestering en groei naar maximalisering van aandeelhouderswaarde
  4. het flexibiliseren en liberaliseren van de arbeidsmarkt en het terugdringen van de rol van vakbonden.
Veranderingen die aantoonbaar de problemen hebben veroorzaakt waar we nu mee te maken hebben. Lees Montier en Pilkington voor het hele verhaal. En voor de empirische weerleggingen van de economische veronderstellingen waarop dat luchtkasteel van het neoliberalisme is gebouwd.

En laat tot je doordringen dat een en ander het populisme heeft voortgebracht, waarvan we ons nu afvragen tot welke rampen dat nog zal leiden. Ik citeer even een paragraaf:
Neoliberalism: A project spelled D.I.S.A.S.T.E.R.
Neoliberalism is a political and economic project that literally could not be worse for either politics or economics. The policies that it prescribes are deeply unpopular and dysfunctional. Citizens reel at their loss of jobs, stability, and incomes while the economy tips into instability and stagnation. It is also a project that benefits the few at the expense of the many. It results not only in a spoiled class of high income individuals, but also a class of detached technocrats. This detachment allows them to pursue their misguided policies that throw the economy into chaos... all the while drawing comfort from economic theories that conflict with reality.
Populism is a response to neoliberalism. It has taken 40 years for the true effects of neoliberalism to become clear. But now that they are clear they are dramatic. Most developed economies have been hollowed out and are now empty shells of what they used to be. They run enormous trade deficits and they make less and less of the goods that people actually consume. Meanwhile, all they produce are jobless workers and unsatisfied citizens. It is obvious that at some point the neoliberal consensus had to break as newcomers to the political scene offered to solve these problems while the political establishment just offered more of the same.
Wat te doen? Montier en Pilkington pleiten, kort samengevat, voor een Baan Garantie Programma met een gegarandeerd minimumloon als vloer, voor overheidsinvesteringen gericht op importsubstitutie waar dat kansrijk is, voor een herwaardering van lange termijngroei als beleid van ondernemingen en van meer gelijkheid van inkomen en macht op de arbeidsmarkt.

Kort samengevat: de opbouw en doorontwikkeling van de verzorgingsstaat die na de Tweede Wereldoorlog een aanvang nam, is pijnlijk onderbroken door die eigenaardige sociale zeepbel van het neoliberalisme. Het is de hoogste tijd om de draad weer op te pakken.

zondag 2 april 2017

Zondagochtendconcert - Lutosławski: Konzert für Orchester ∙ hr-Sinfonieorchester ∙ Edward Gardner

Vrijdagavond werden we door kleindochter Femke, die een week stage liep bij de Stichting Omroep Muziek, meegenomen naar het concert van het Radio Filharmonisch orkest in TivoliVredenburg. En daar stond na de pauze het Concert voor orkest van Witold Lutoslawski (1913-1994) op het programma, gedirigeerd door de Poolse dirigent Krzystof Urbánski.

En dat is wel een enerverend werk. Ik bedacht dat ik het nog ergens op CD moest hebben. En ik vond hem: de Philipsuitgave van 1964, door het Symfonie Orkest van de Nationale Philharmonie Warschau onder leiding van Witold Rowicki.

Er is misschien iets voor te zeggen om het door een Pool te laten dirigeren. Urbánski deed het uit zijn hoofd en leek het werk door en door te kennen. En er van te houden.

Maar hier is toch ook een mooie uitvoering door het hr-Sinfonieorchester onder leiding van Edward Gardner, vanuit de Alte Oper Frankfurt op 25 september 2015.

woensdag 29 maart 2017

We verbeteren onze emotionele zelfregulering door anderen in hun zelfregulering bij te staan

Mensen zijn fundamenteel sociaal en van nature goed in de zin dat ons brein door de evolutie zo is "ontworpen" dat het er op is voorbereid om te functioneren in een behoorlijk stabiel netwerk van sociale relaties gekenmerkt door vertrouwdheid, gedeelde intentionaliteit en onderlinge afhankelijkheid. Anders gezegd, het menselijk brein is er op ingesteld om met vertrouwde anderen samen te werken en te delen.

Dat betekent onder meer ook dat wij erop zijn ingesteld om uitdagingen, gevaren en bedreigingen niet in ons eentje het hoofd hoeven te bieden. Een samen met vertrouwde anderen ervaren bedreiging doet ons emotioneel minder "op tilt slaan" dan wanneer we er alleen voor staan. (Een mooi overzicht en uitwerking van deze inzichten vind je in Social Baseline Theory: The Social regulation of Risk and Effort van James A. Coan en David A. Sbarra.)

Maar ja, we brengen ons leven al lang niet meer door in zo'n stabiel netwerk van vertrouwde relaties. Sinds de landbouwrevolutie hebben we te maken met de mismatch tussen ons sociale brein en de aard van de omgeving waarin we terechtkomen. En daardoor staan we er wel vaak alleen voor als we geconfronteerd worden met bedreigingen en uitdagingen. Waardoor we vaker in situaties terechtkomen waarin we emotioneel op tilt slaan.

Of dreigen te slaan, want wat blijkt, mensen verschillen in de mate waarin ze in staat zijn tot emotionele zelfregulatie. Sommigen zijn er beter in dan anderen om te beïnvloeden hoe ze zich voelen, om positieve emoties in stand te houden of te versterken en om negatieve emoties te verminderen.

Degenen die er beter in zijn zijn meer "actie-georiënteerd", ze vertrouwen erop dat ze hun emoties zelf, actief kunnen beïnvloeden. Ze zetten zich sneller over tegenslag heen en blijven minder piekeren dan de "toestand-georiënteerden". Zie daarover verder Verbondenheid met anderen beschermt tegen zwakke emotionele zelf-regulering.

In dat bericht zagen we echter al dat verbondenheid met anderen emotionele zelfregulering gemakkelijker maakt, vooral voor degenen die daar vanwege hun toestand-georiënteerdheid slecht in zijn. Anders gezegd: als we allemaal maar genoeg met anderen verbonden waren, als die mismatch niet zou bestaan, dan zou dat verschil in emotionele zelfregulatie nooit aan het licht komen.

Het nieuwe onderzoek Helping Others Regulate Emotion Predicts Increased Regulation of One’s Own Emotions and Decreased Symptoms of Depression wijst in zekere zin in dezelfde richting. Het blijkt namelijk dat jouw emotionele zelfregulering er beter van wordt als je anderen bij hun zelfregulering hebt geholpen. Waarbij dat helpen eruit bestaat dat je accepteert hoe de ander zich voelt en laat weten dat je meeleeft (acceptance) en dat je suggesties doet om anders na te denken over de bedreigingen (reappraisal).

Via de omweg van dat helpen van anderen, lijk je dus meer inzicht te krijgen in wat nodig is om je eigen emoties te reguleren. En uit het onderzoek blijkt dat je daardoor weer minder last hebt van depressieve symptomen.

Kortom, doordat we er meer alleen voor staan dan waar ons brein op is voorbereid, komt het meer aan op onze vermogens tot emotionele zelfregulering. Maar relaties met anderen kunnen ons daar dan toch weer bij helpen doordat ze ons de gelegenheid bieden om hen bij te staan.

Emotionele zelfregulering is kennelijk een door en door sociaal proces.

maandag 27 maart 2017

Het gezondheidsrisico van lage sociaaleconomische status staat vast - Wat te doen?

Er valt een sterk pleidooi te maken voor het toevoegen van lage sociaaleconomische status aan de door de WHO (World Health Organization) opgestelde lijst van zeven risicofactoren voor de niet-overdraagbare ziektes, ook bekend als chronische ziektes (hart- en vaatziektes, kanker, ademhalingsziektes en diabetes). Zie eerder het bericht Lage sociaaleconomische status verlaagt levensverwachting fors, nog los van andere risicofactoren.

Volgens dat pleidooi moet lage status dus als een gezondheidsrisico worden behandeld op dezelfde lijn als risico's als roken, overmatig alcoholgebruik, inactiviteit en overgewicht. Martin Tobias, Public Health Physician and Principal Epidemiologist van het Nieuw-Zeelandse Ministry of Health vraagt daar nu aandacht voor in The Lancet: Social rank: a risk factor whose time has come?

Dat een lage status een gezondheidsrisico is, ligt er niet alleen aan dat hij meer gepaard gaat met een ongezonde leefstijl. Daarnaast spelen een verhoogde kans op stress, op "major life events" (scheiding, werkloosheid, ongeval, overlijden van een naaste), op armoede en op slechte arbeidsomstandigheden een grote rol. In de studie waar het in het vorige bericht over ging, was 18,9 procent van de sterfte van volwassen mannen toe te schrijven aan lage status en 15,3 procent van de sterfte van volwassen vrouwen.

Dat komt er op neer dat sociaaleconomische ongelijkheid een ernstig gezondheidsprobleem is. Dat wisten we natuurlijk. Denk aan het werk van Wilkinson en Pickett (Het is immoreel om het probleem van ongelijkheid niet aan te pakken).

Maar het mooie van dat stuk van Martin Tobias is dat hij een (lange) lijst opstelt van alle op onderzoek gebaseerde aanbevelingen om dit probleem aan te pakken. Ik heb de lijst hieronder in zijn geheel overgenomen. Lees en laat tot je doordringen wat daar allemaal staat. En je komt dan zomaar tot de conclusie dat we om redenen van volksgezondheid een egalitaire verzorgingsstaat nodig hebben,

Jawel, een verzorgingsstaat. En dat is dus een heel andere richting die we met onze maatschappij op moeten dan die van de neoliberale nachtmerrie van zoveel mogelijk marktwerking en zo klein mogelijke overheid.

Panel
Evidence-based strategies to minimise the impact of social hierarchy on health

Invest in children
  • Early childhood development enrichment programmes
  • Intensive parent support (home visiting) programmes
  • Enrolment of all children in early childhood education
Get the welfare mix right
  • Regulate markets as necessary
  • Implement income transfer policies that redistribute resources (ie, progressive tax and benefit regimes)
  • Optimise balance between targeted and universal social protection policies through benefit design that minimises both undercoverage and leakage
  • Eliminate child poverty through monetary and non-monetary support for families with dependent children
Provide a safety net
  • Provide income support or tax credits
  • Provide social housing
  • Subsidise childcare
  • Provide free access to health care (especially preventive services)
Implement active labour market policies
  • Provide job enrichment programmes
  • Democratise the workplace (involve employees in decision making)
  • Provide career development and on-the-job training
  • Provide fair financial compensation and intrinsic rewards
  • Promote job security
  • Discourage casualisation of the workforce
Strengthen local communities
  • Foster regional economic development
  • Promote community development and empowerment
  • Encourage civic participation
  • Create mixed communities with health-enhancing facilities
Provide wrap-around services for the multiply disadvantaged
  • Coordinate services across government and NGOs
  • Provide intensive case management when necessary
  • Foster engagement of the targeted families and individuals
Promote healthy lifestyles
  • Strengthen tobacco control and addiction services
  • Improve the diet of poor families (eg, through subsidising fruit and vegetables, community gardens, purchasing co-ops, school meals)
  • Provide green space and subsidised sport and recreation facilities
Ensure universal access to high quality primary health care
  • Subsidise practices serving high need populations
  • Provide additional nursing and social worker support for practices in disadvantaged areas
  • Assist patients with clinic transport and childcare
  • Provide services free at point of use
  • Provide conditional cash transfers (to increase demand for clinical preventive services)
Strategies are collated from multiple sources.

zondag 26 maart 2017

Zondagochtendmuziek - Icones du Seicento, P Jaroussky, L'Arpeggiata, C Pluhar, M TV

Philippe Jarousky met L'Arpeggiata. Een uur en een kwartier. Je moet er rustig de tijd voor nemen. Niet aan de gewone beslommeringen denken. Misschien zelfs nergens aan denken. En dan... In sommige reacties wordt het hemelse muziek genoemd en iemand vindt zelfs dat het Laudate Deum zijn geloof versterkt. Allemaal prima.

Zie de eerste reactie voor de playlist.

donderdag 23 maart 2017

De eurocrisis is grotendeels het gevolg van het eigenaardige Duitse anti-Keynesianisme

Europa heeft een probleem en het heet Duitsland. Dat wil zeggen; het Europese economische beleid, in het bijzondere het beleid van de eurozonelanden, wordt sterk beheerst door het eigenaardige Duitse, "ordoliberale", anti-Keynesiaanse denken en de overige landen bieden daartegen weinig tot geen weerstand. Een land als Nederland sluit zich er zelfs enthousiast bij aan.

Maar dat Duitse economische denken speelt zich af in een intellectueel isolement. Ik stond daar eerder bij stil in Marcel Fratzscher over het intellectuele isolement van de Duitse economen en politici en Hèt probleem van nu is niet Brexit, maar de Duitse dovemansoren - Over Eucken en Schacht. En door dat isolement krijgen denkfouten en verkeerde inzichten te weinig kans om gecorrigeerd en bijgesteld te worden.

Je vraagt je af hoe die opvallende ontwikkeling heeft kunnen plaats vinden. Iemand moet dat eens precies uitzoeken, bedacht ik zo nu en dan.

Welnu, dat is nu gebeurd. Jörg Bibow van het Levy Economics Institute of Bard College beschrijft de achtergronden van dat merkwaardige Duitse economische denken en van de fouten in dat denken in How Germany’s Anti-Keynesianism Has Brought Europe to Its Knees.

Ik heb het nu eenmaal doorgelezen en vind het fascinerende lectuur. Hopelijk krijgt het veel aandacht, ook in Nederland, waar de als knecht van de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble optredende Jeroen Dijsselbloem geheel ten onrechte voor een succesvol minister van Financiën wordt aangezien. Hier is de samenvatting:
This paper investigates the (lack of any lasting) impact of John Maynard Keynes’s General Theory on economic policymaking in Germany. The analysis highlights the interplay between economic history and the history of ideas in shaping policymaking in postwar (West) Germany. The paper argues that Germany learned the wrong lessons from its own history and misread the true sources of its postwar success. Monetary mythology and the Bundesbank, with its distinctive anti-inflationary bias, feature prominently in this collective odyssey. The analysis shows that the crisis of the euro today is largely the consequence of Germany’s peculiar anti-Keynesianism.
De eurocrisis is grotendeels het gevolg van het eigenaardige Duitse anti-Keynesianisme.

dinsdag 21 maart 2017

Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector

Mensen zijn van nature pro-sociaal, maar of ze zich ook pro-sociaal gedragen, hangt er ook vanaf of daartoe voldoende gelegenheid is.

In onze huidige, kapitalistische maatschappij is die gelegenheid er maar beperkt. Je kunt kijken naar waar mensen een baan zoeken. Dan zou je verwachten dat mensen die meer zoeken naar mogelijkheden om zich pro-sociaal te gedragen, liever in de publieke sector werken dan in de private sector. In de publieke sector, dus bij (semi-)overheidsinstellingen (bestuur, onderwijs, zorg, veiligheid), is je werk immers meer gericht op het dienen van het algemene belang, terwijl het in de marktsector meer gaat om het winstmotief.

En er zijn inderdaad sterke aanwijzingen dat werknemers in de publieke sector pro-socialer zijn dan in het bedrijfsleven. Daar kunnen we nu het onderzoek Serving the Public Interest in Several Ways:Theory and Empirics van Robert Dur en Max van Lent van het Tinbergen Instituut aan toevoegen.

Het gaat om een analyse van de data van de German Socio-Economic Panel Study, waarin de neiging tot pro-sociaal gedrag werd gemeten met de eenvoudige vraag "Hoe belangrijk vindt u het om er voor anderen te zijn?"

Het blijkt dan dat werkers in de publieke sector het belangrijker vinden om er voor anderen te zijn dan werkers in de marktsector. Dit blijft het geval als je de grens tussen publiek en markt op verschillende manieren trekt.

Verder bleek, zoals verwacht, dat degenen die er meer voor anderen willen zijn, meer geld doneren aan goede doelen.

En als je degenen vergelijkt die even pro-sociaal zijn, dan komt daaruit dat de publieke sector-werkers minder aan goede doelen geven dan de marktsectorwerkers. De onderzoekers interpreteren dat als een zogenaamd substitutie-effect: de marktsectorwerkers compenseren hun op winstgerichte werk door meer aan goede doelen te geven.

Máár: als je vervolgens rekening houdt met de inkomensverschillen tussen publieke en marktsector, dan valt dat effect vrijwel weg. In de marktsector liggen de inkomens hoger en een hoger inkomen gaat gepaard met meer geld doneren aan goede doelen.

Al met al zie je dus dat mensen die meer geneigd zijn tot pro-sociaal gedrag ook echt zoeken naar de mogelijkheid om zich volgens die neiging te gedragen. En in ons soort maatschappij houdt dat in dat ze liever in de publieke sector werken dan in de marktsector.

Daar moeten we misschien ook bij stilstaan als we het hebben over marktwerking en privatisering van overheidstaken.

maandag 20 maart 2017

Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

Voor het project "50 years" ben ik bezig met de vraag naar het leren van lessen uit het verleden. Die vraag kun je opvatten als de vraag naar persoonlijke ontwikkeling gedurende de levensloop. En die persoonlijke ontwikkeling kan betekenen dat je, zeg maar, beter leert te leven. Het leek me dat verschillende berichten op dit blog iets zouden kunnen vertellen over wat dat "beter leren te leven" inhoudt. Vandaar dat ik ze bij elkaar gezocht heb en hieronder heb weergegeven.


Leert het verleden lessen? Over persoonlijke ontwikkeling

(Blog 29 oktober 2011)

Iedereen wil graag gelukkig zijn, maar verstaan we wel hetzelfde onder geluk? Nee, er zijn verschillen tussen mensen in de betekenis die ze aan geluk geven. Een interessant verschil is dat naar leeftijd en dus naar hoeveel verleden iemand heeft om lessen uit te trekken.
Er zijn aanwijzingen (Mogilner, Kamvar en Aaker, 2011) dat jongeren bij geluk meer denken aan opwindende ervaringen ("excitement"), terwijl ouderen geluk meer opvatten als vredigheid ("peacefulness"). Dit lijkt er mee samen te hangen dat jongeren meer op de toekomst georiënteerd zijn en ouderen meer op het heden.

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Wat is wijs? Allebei? Kun je als jongere maar beter vanwege die toekomst die voor je ligt, vooral gericht zijn op opwindende en dus nieuwe ervaringen? Moet je zo'n fase door? Zodat je als je ouder wordt, meer bij het hier en nu kunt stil staan?

Kan zijn. Maar een andere interpretatie is dat mensen lange tijd nodig hebben om te leren wat geluk nu eigenlijk echt is. En dat ze dat pas doorkrijgen op latere leeftijd. Daarmee zou overeenkomen dat ouderen meer inzicht hebben (Sheldon en Kasser, 2001) in hun eigen, authentieke behoeften en minder bezig zijn met hoe ze op anderen over komen.

Voor die tweede interpretatie pleit dat geluk (welbevinden en tevredenheid met het leven), na een dal tussen de 20 en 50 jaar, met het ouder worden gestaag toeneemt (Stone, Schwartz, Broderick en Deaton, 2010).

Bij persoonlijke ontwikkeling kun je dus denken aan het leren van lessen uit je ervaringen met het oog op waar het in het leven echt om gaat.

(Blog 24 mei 2012)

Nieuw onderzoek (Brassen, Gamer, peters, Gluth en Büchel, 2012) wijst erop dat we met het succesvol ouder worden beter leren om met onze emoties om te gaan.

De onderzoekers lieten drie groepen proefpersonen, gezonde jongeren, gezonde ouderen en depressieve ouderen, keuzes maken die winst, maar ook verlies konden opleveren. Ze zagen op het computerscherm acht doosjes op een rij, die ze van links naar rechts konden openen. Elk doosje bevatte een opbrengst, behalve een per toeval bepaald doosje waarin een duiveltje bleek te zitten. Als je dat doosje opende, gingen alle tot dan toe verkregen opbrengsten verloren. Dat is natuurlijk spijtig en de onderzoekers gingen na hoe sterk mensen spijt en boosheid ervoeren en hoe ze reageerden.

In eerder onderzoek was gevonden dat jongeren, en niet ouderen, op spijt reageerden met in de volgende ronde meer risico te nemen. Dus met langer doorgaan doosjes te openen, met het steeds toenemende risico om een duiveltje te treffen. Omdat de plek van het duiveltje voor elke ronde opnieuw per toeval werd bepaald, en de proefpersonen hiervan op de hoogte waren, kun je deze reactie opvatten als door emoties van spijt en boosheid gedreven. In feite werd de kans op spijt in de volgende ronde erdoor vergroot. Als je je minder door de spijt laat leiden, dan geef je er blijk van in te zien dat je na elke ronde met een schone lei begint. En ouderen geven dus meer blijk van dat besef dan jongeren.

In dit nieuwe onderzoek werd ook een groep depressieve ouderen onderzocht en het bleek dat die vergelijkbaar reageerden als jongeren. Dat is er een aanwijzing voor dat succesvol ouder worden, in plaats van depressief ouder worden, gepaard gaat met een betere beheersing van emoties. Dit bleek ook uit de waarden van fysiologische stressmetingen tijdens het onderzoek: bij de depressieve ouderen (en bij de jongeren) namen de huidgeleiding en hartslag toe en bij de gezonde ouderen niet. 

En uit fMRI onderzoek bleek dat vooral bij gezonde ouderen het hersengebied van de anterior cingulate cortex werd geactiveerd. En daarvan is bekend dat het een rol speelt in de cognitieve beheersing van emoties en in het aandacht geven aan positieve gebeurtenissen, zeg maar, optimisme. Gezonde ouderen zouden daardoor beter in staat zijn om de oorzaak van mislukkingen niet alleen maar bij zichzelf te zoeken, beter dan jongeren en depressieve ouderen.

De onderzoekers speculeren dat het verschil tussen gezonde jongeren en gezonde ouderen adaptief is. In de zin dat jongeren nog een lang leven voor de boeg hebben en zich dus maar beter veel van mislukkingen kunnen aantrekken. Als je nog veel tijd te gaan hebt, dan "loont het" om je over je eigen gedrag zorgen te maken en te piekeren. Maar als je dat nog steeds doet als je oud bent, dan zou dat geen goede aanpassing zijn aan het kortere perspectief dat je nog voor je hebt. En zou het de kans op ouderdomsdepressie dus vergroten.

Dat kan. Maar het kan ook zijn dat wij in een leefomgeving opgroeien die zo afwijkt van onze natuurlijke leefomgeving dat we een flink deel van onze levensloop nodig hebben om er een goede weg in te vinden. Er is met andere woorden een lang leerproces nodig om onze emotionele reacties goed te leren beheersen, om minder stress te ondervinden en om je gelukkig te voelen en tevreden met je leven te zijn. Als dat zo zou zijn, dan hebben jongeren dus een achterstand in het leerproces van het leven op ouderen.

(Blog 21 maart 2014 en 7 januari 2013)

Ben je rond de 40 en ben je zo ongeveer sinds je 20ste alleen maar ontevredener geworden met je leven? Dan is er nu het goede nieuws dat je je de komende tientallen jaren alleen maar beter zult gaan voelen.

De aanwijzingen zijn namelijk sterker geworden voor de U-vorm van het verloop van tevredenheid gedurende de levensloop. Dat wil zeggen, de periode vanaf ongeveer 20 jaar tot een jaar of 70. Die aanwijzingen waren er al wel, maar die berustten op vergelijkingen tussen personen van verschillende leeftijden. En dan kunnen er nog zogenaamde cohort-effecten meespelen, effecten dus van de specifieke periode waarin je bent geboren en opgegroeid.

Nu is er onderzoek waarin dezelfde personen op verschillende tijdstippen werden ondervraagd (Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. 2015). Als die U-vorm echt bestaat, dan zou je dus moeten vinden dat voorafgaand aan zo ongeveer de 40-jarige leeftijd de tevredenheid afneemt en daarna weer toeneemt. Dat wil zeggen, elke verandering in tevredenheid die je waarneemt, moet dus eerst een afname zijn en daarna een toename.

En dat blijkt het geval te zijn in de vier datasets die
geanalyseerd konden worden. Ter illustratie hier het plaatje voor Groot-Brittannië. Elke rode stip is een meting van een verandering in tevredenheid vergeleken met een eerder tijdstip. Op de horizontale as staat de leeftijd en op de verticale as de mate van verandering, die dus negatief kan zijn (een afname) of positief (een toename). Je ziet dat beneden de ongeveer 40 jaar de stippen overwegend in het negatieve gebied liggen (kleiner dan 0) en boven de 40 jaar overwegend in het positieve gebied (groter dan 0).

Hoe zou het komen? Ik denk dat het eraan ligt dat we in een behoorlijk statuscompetitieve maatschappij leven. Voor ons veertigste zijn we nog weinig in staat om weerstand te bieden tegen de verleidingen om aan die statuscompetitie mee te doen. Anders gezegd, we denken dat het goed is om ambitieus te zijn en naar het hoogste te streven. We worden door de reclame, door de televisie en door elkaar opgestookt. En we denken dat dat de natuurlijke gang van zaken is.

Maar de aard van de statuscompetitie is nu eenmaal zo dat er een statushiërarchie ontstaat, een piramide, waarin altijd maar weinigen de top bereiken en dus hun ambities hebben waargemaakt. De meesten van ons hebben dat niet en dat krijgen we langzaam door. Tot we rond ons veertigste ons gaan afvragen wat we eigenlijk aan het doen zijn.

Is dit nu wel waar ik gelukkig van word? Waar het in het leven om draait? Het duurt een poos voor we geleerd hebben wat geluk nu eigenlijk echt is. Daarmee kan samenhangen dat we met het ouder worden beter leren met onze emoties om te gaan. En dat we bij het ouder worden niet meer zo nodig overal bij hoeven te zijn. Beter in staat om onze inspanningen te richten op zaken die echt belangrijk en zinvol zijn.

We weten weliswaar dat met het ouder worden onze cognitieve vermogens achteruitgaan. We verwerken informatie minder snel en ons geheugen wordt slechter. Omdat het je verplaatsen in anderen (empathie) ook een cognitieve taak is, kan dat betekenen dat je ook daarin minder goed wordt. En daar zijn ook inderdaad aanwijzingen voor. Zo zijn ouderen minder goed in het oplossen van false belief tasks, wat wil zeggen dat ze zich minder goed kunnen verplaatsen in iemand die iets niet weet wat zij zelf wel weten. En ze blijken minder goed te zijn in het herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. Uit longitudinaal onderzoek blijkt dat deze vermogens ook inderdaad met het ouder worden achteruitgaan.

Maar net verschenen onderzoek werpt hier een nieuw en verrassend licht op. Want neem nu dat kunnen herkennen van emoties achter gelaatsuitdrukkingen. De Chinese en Amerikaanse onderzoekers (Zhang, Fung, Stanley, Isaacowitz en Ho, 2013) gaven jongeren (tussen 18 en 29 jaar) en ouderen (tussen 60 en 82 jaar) een emotieherkenningstaak, aan de hand van een serie foto's van gezichten die oftewel boosheid, geluk of verdriet uitdrukten. Toen bleek inderdaad dat jongeren de emoties beter herkenden dan de ouderen.

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

Maar de deelnemers hadden ook allemaal een vragenlijst ingevuld over hun dagelijkse bezigheden en hun interesses. En een deel van hen kreeg te horen dat de foto's die ze te zien zouden krijgen, gemaakt waren van de gezichten van andere deelnemers. Bovendien kregen sommigen te horen dat de gezichten die ze te zien zouden krijgen, van anderen waren die naar dagelijkse bezigheden en interesses sterk met henzelf overeenkwamen. (En anderen dat dat juist niet het geval was.)

Wat blijkt dan? De ouderen die gezichten te zien kregen van anderen waarvan ze in de veronderstelling waren gebracht dat die naar bezigheden en interesses op hen leken, herkenden de emoties achter die gelaatsuitdrukkingen even goed als de jongeren. Het verschil tussen oud en jong was geheel verdwenen.

Dit lijkt erop te wijzen dat die ouderen pas geïnteresseerd en gemotiveerd raakten om die emoties te herkennen, toen ze ervan uit konden gaan dat het ging om anderen met dezelfde bezigheden en interesses. Dat wekte zoveel belangstelling op dat ze de emoties even goed gingen herkennen dan jongeren deden. Terwijl tegelijkertijd dit voor jongeren geen enkel verschil maakte.

Je zou kunnen zeggen dat ouderen selectiever waren. Niet meer in willekeurig wie geïnteresseerd. "Niet iedereen kan meer mijn belangstelling wekken, er moet wel iets zijn wat mij aanspreekt en waardoor ik mij in iemand ga verdiepen." Daar lijkt het op.

Dat komt er mee overeen dat ouderen meer dan jongeren meer persoonlijke en intieme contacten hebben met anderen en meer relaties hebben waarmee ze tevreden zijn. Hun sociale leven lijkt meer een resultaat van een selectieproces dat in het verleden heeft plaats gevonden. En het komt er mee overeen dat ouderen zich meer selectief engageren. Ze zijn beter in staat om hun inspanningen te richten op zaken die ze belangrijk en zinvol vinden. Een aanpassing aan het ouder worden en daarmee aan de kortere tijdsspanne die nog voor hen ligt?

En die grotere selectiviteit zou er weleens aan kunnen bijdragen dat ouderen de stress van de statuscompetitie achter zich kunnen laten.

Ik denk dus dat die U-vorm van geluk voortkomt uit de grote mate van statuscompetitie die we in onze maatschappij toelaten. Als dat zou kloppen, dan zou je diezelfde U-vorm moeten zien bij andere primaten die ook behoorlijk statuscompetitief zijn.

En ziedaar, dat is ook het geval. Bij de statuscompetitieve chimpansees en de orang-oetans zien we diezelfde U-vorm (Weiss, King, Inoue-Murayama, Matsuzawa en Oswald, 2012).

Samengevat: dat wij mensen zoiets als persoonlijke ontwikkeling kennen, en dat we dus lessen uit ons verleden leren, betekent dat we met het ouder worden (uiteindelijk) gelukkiger worden, onze authentieke behoeftes beter kennen, beter met onze emoties omgaan en selectiever worden. En dat alles hangt er weer mee samen dat we opgroeien in een statuscompetitieve maatschappij, dat wil zeggen in een mismatch tussen onze natuurlijke aanleg tot goedheid en de statuscompetitieve omgeving waarin we opgroeien.

Wat zijn eigenlijk die aanwijzingen voor onze natuurlijke goedheid? Daarover gaan de volgende drie blogberichten.

(Blog 29 december 2016)

Zijn wij van nature goed? Ja, volgens nieuw onderzoek is dat zo.

Daarover zo meteen meer. Eerst: wat betekent het eigenlijk om "van nature" iets te zijn of "van nature" iets te kunnen?

Ik dacht daarover na toen ik bij hoofdstuk 2 (The Testimony of the Senses) van David Eagleman's boek Incognito. The Secret Lives of the Brain) was aangekomen. Hersenonderzoeker Eagleman legt daarin uit hoe wij leren zien.

Dat gebeurt niet alsof wij met een leeg schoolbord in onze hersenen geboren worden waarop dan vervolgens alle binnenkomende prikkels worden geprojecteerd en opgeslagen. Dat zou betekenen dat er pas hersenactiviteit ontstaat als er van buiten prikkels arriveren.

Nee, er is in die hersenen al van alles aan de gang en die activiteit wordt veranderd en bijgesteld (gemoduleerd) door wat er binnenkomt.

Waarnemen is dus nooit alleen maar registreren. Het is het bijstellen van wat er al aan activiteit is. Eagleman (p. 45):
internally generated activity is modulated by sensory input. In this view, the difference between being awake and being asleep is merely that the data coming in from the eye anchors the perception. Asleep vision (dreaming) is perception that is not tied down to anything in the real world; waking perception is something like dreaming with a little more commitment to what's in front of you.
Hetgeen verklaart dat wij "hallucinaties" krijgen bij zintuiglijke deprivatie, zoals in een donkere en geluidsdichte kamer. We blijven dan waarnemen, maar zonder input van de buitenwereld.

We worden dus al waarnemend geboren, maar dat speelt zich dan nog af binnen het gesloten systeem van onze hersenen. Op grond daarvan gaan we de externe wereld waarnemen, doordat de interne "beelden" worden bijgesteld aan de hand van wat er binnenkomt.

Vergelijk dat met het programma voor lopen dat in ons zenuwstelsel bij de geboorte klaarligt. Leren lopen betekent dat dat programma wordt bijgesteld zodra een volwassene je onder je armpjes pakt en je met je voetjes op de vloer zet. Je hebt dan al van nature de neiging om een soort pasjes te maken. Wat je dan voelt, zijn de prikkels waarmee je loopprogramma wordt bijgesteld en verfijnd.

Nu terug naar de vraag of wij van nature goed zijn. Zijn wij net zoals op waarnemen en lopen ook voorbereid op een sociaal leven waarin mensen elkaar goedgezind zijn?

Je zou zulks kunnen verwachten omdat kinderen gedurende verreweg het grootste deel van de mensheidsgeschiedenis geboren werden in (jagers-verzamelaars-)groepen waarin delen en samenwerken vanzelfsprekend waren. In de huidige samenleving is er daarnaast ook vrijwel altijd statuscompetitie en statushiërarchie, maar die toestand bestaat nog maar zo'n acht- tot tienduizend jaar.

Een aardig inzicht in onze natuurlijke goedheid geeft de studie The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture (Hepach, Vaish en Tomasello, 2017). Zie ook de eerdere studie Young children are intrinsically motivated to see others helped van dezelfde onderzoekers.

De onderzoekers lieten kinderen van twee en een half jaar een spelletje doen waarbij ze konden slagen of niet. De positieve emotie bij het slagen werd, volgens een bekende procedure, afgelezen aan de lichaamshouding en de gelaatsuitdrukking (glimlachen). Het bleek toen dat de kinderen net zo positief reageerden als ze zelf slaagden als wanneer ze een ander hadden geholpen met te slagen.

In die eerdere studie was al gebleken dat kinderen van twee jaar even positief reageerden als zij zelf iemand hadden geholpen dan wanneer een ander die persoon hielp. Een aanwijzing dat het er om ging dat iemand hulp kreeg. In plaats van dat jij je erop zou willen voorstaan dat jij had geholpen. In dat laatste geval zou het gaan om berekenend pro-sociaal gedrag.

Aanwijzingen dus dat wij van nature goed zijn. Dat we er op zijn voorbereid om anderen bij te staan en om het als plezierig te ervaren dat anderen worden geholpen.

En dat brengt je tot het inzicht dat het opgroeien en het opgevoed worden en het socialiseren in de maatschappij waarin wij leven, er in resulteert dat die natuurlijke goedheid wordt bijgesteld, veranderd en, ja, deels de kop ingedrukt.

Ik moest denken aan Picasso, die gezegd moet hebben dat elk kind als kunstenaar wordt geboren, waarna dat talent in de opvoeding en het onderwijs wordt verdrongen.

(12 januari 2017)

Een andere aanwijzing voor onze natuurlijke goedheid zou zijn als zou blijken dat wij meer pro-sociaal zijn als we minder tijd hebben om na te denken. Als het onze eerste impuls is om iemand te helpen die hulp kan gebruiken, dan wijst dat erop dat die goedheid als het ware is ingebakken. Zeker als zou blijken dat we minder zouden helpen als we meer tijd hebben. Het nadenken over wat het helpen ons zou kosten, zou dan tot gevolg moeten hebben dat we onze help-impuls onderdrukken.

Of dat zo werkt, is onderzocht in de studie Intuitive help and punishment in the field van onderzoekers van de Erasmus Universiteit (Artavia-Mora, Bedi en Rieger, 2017). Ze deden dat onderzoek op het Malieveld in Den Haag. Een van de onderzoekers stelde zich daar op en liet een handschoen op de grond vallen als er een voorbijganger naderde. Daarbij de indruk wekkend dat hij dat zelf niet merkte.Hij deed dat oftewel als die voorbijganger op 13 meter afstand was oftewel als die al tot 4,5 meter genaderd was.

Die afstanden waren gemarkeerd met fietsen die
daar onopvallend waren neergezet (er stonden meer fietsen). Op de foto zie je een situatie met een korte afstand.

Gekeken werd of de voorbijganger gewoon doorliep of op de ene of de andere manier hielp (de handschoen oppakken en aanreiken of erop attenderen dat de handschoen was gevallen). Naderhand werden alle voorbijgangers ondervraagd, waarbij bij degenen die gewoon waren doorgelopen gevraagd werd of ze het vallen van de handschoen hadden opgemerkt. Als dat niet het geval was, werden ze niet meegeteld.

Het bleek toen dat in die gevallen waarin de afstand 4,5 meter was, waarin je ongeveer 3,5 seconden de tijd hebt, meer voorbijgangers hielpen (74,6 procent) dan wanneer de afstand 13 meter was en je ongeveer 10 seconden de tijd hebt (56,5 procent), een statistisch significant verschil. Hoe minder tijd je hebt om na te denken, hoe groter de kans dat je helpt.

(21 mei 2012)

Er is meer onderzoek dat in deze richting wijst. Uit Are social value orientations expressed automatically? Decision making in the dictator game (Cornelissen, Dewitte en Warlop, 2011) valt op te maken dat als we niet te veel nadenken, zeg maar spontaan of automatisch handelen, pro-socialer zijn dan wanneer we weloverwogen handelen.

De onderzoekers baseren zich op de inzichten die we hebben in de verschillen tussen mensen in hun sociale waardenoriëntaties. Mensen lijken behoorlijk goed te kunnen worden ingedeeld in aanhangers van pro-sociale waarden en aanhangers van egoïstische waarden. Als je mensen vraagt om te kiezen tussen allerlei verdelingen over henzelf en "een andere persoon", dan blijken sommigen een voorkeur te hebben voor zo groot mogelijke en zo gelijk mogelijke opbrengsten voor beiden. Dit zijn de pro-socialen. Maar anderen, de egoïsten, geven er blijk van dat ze alleen maar zelf een zo hoog mogelijke opbrengst willen (de individualisten) of een zo groot mogelijk verschil met de andere persoon in hun eigen voordeel (de competitievelingen). Deze waarden blijken behoorlijk stabiel te zijn. En de meeste mensen blijken ingedeeld te kunnen worden als pro-sociaal of egoïstisch.

Van de 159 proefpersonen die aan dit onderzoek meededen, bleken er 80 voldoende consistent pro-sociaal te zijn en 70 voldoende consistent egoïstisch. Deze 150 personen kregen vijf munten van €0,20, die ze moesten verdelen over zichzelf en een willekeurige andere, anonieme, deelnemer, waarbij gold dat ze konden houden wat ze voor zichzelf hielden. Met andere woorden, ze speelden een zogenaamd Dictator Spel.

Voorafgaand aan dat spel kreeg de ene helft van de deelnemers de opdracht om dit getal van zeven cijfers te onthouden: 5684524. Terwijl de andere helft het getal 1234567 moest onthouden. Beide getallen waren gedurende 8 seconden op het computerscherm te zien. Deze opdracht was bedoeld om te kunnen nagaan wat het effect zou zijn van het cognitief afgeleid worden bij het spelen van het Dictator Spel. Uiteraard vergt het veel meer bewuste aandacht om dat eerste getal te onthouden dan het tweede. En de gedachte was dat daardoor de beslissing over hoeveel munten weg te geven veel meer automatisch en minder weloverwogen zou worden genomen.

Wat was het resultaat? De cognitieve afleiding zorgde er alleen bij de pro-socialen voor dat ze meer munten weg gaven. Als ze niet werden afgeleid, en er dus meer over na dachten, gaven ze minder weg en wel net zo veel als de egoïsten. De bestaande neiging tot pro-sociaal gedrag komt dus gemakkelijker tot uiting als je meer automatisch handelt.

Wat gebeurt er dan precies bij dat meer weg geven als je automatisch handelt? De onderzoekers vermoedden dat pro-socialen meer de neiging hebben om zich verbonden te voelen met anonieme, andere personen. En dat egoïsten minder die neiging hebben. Dat bleek in een vervolgonderzoek ook inderdaad het geval te zijn. (Voor de geïnteresseerden: ze deden dat met de Inclusion of Other in the Self Scale.) En bovendien bleek dat grotere gevoel van verbondenheid voor een deel te verklaren waarom pro-socialen meer weg gaven als ze werden afgeleid. Als pro-socialen er minder over nadenken, nemen ze gemakkelijker aan dat een anonieme andere persoon iemand is waar mee je je wel verbonden kunt voelen. En dus geven ze meer weg.

Dat werd tenslotte nog eens op een andere manier bevestigd door in een derde onderzoek de helft van de proefpersonen de indruk te geven dat ze het Dictator Spel speelden met een andere persoon die wat interesses en dagelijkse bezigheden sterk op hen leek. Uit veel onderzoek blijkt dat mensen zich gemakkelijker verbonden voelen met anderen die op hen lijken. En wat bleek? Degenen die speelden met iemand die op hen leek gaven meer weg dan degenen die speelden met iemand die juist weinig op hen leek, maar alleen als ze werden afgeleid. En dit gold niet alleen voor de pro-socialen, maar ook voor de egoïsten. Ook de egoïsten geven meer weg aan iemand waarmee ze zich verbonden voelen, maar alleen als ze er niet te lang over kunnen nadenken.

Wat leren we hiervan? Dat waarschijnlijk ook in situaties in het dagelijks leven waarin mensen meer of minder met anderen rekening kunnen houden, en waarin geen duidelijke normen bestaan over hoe je je hoort te gedragen, mensen die al pro-sociaal van aard zijn, zich pro-socialer gedragen als ze meer op de automatische piloot handelen. En dat laatste geldt zelfs ook voor egoïsten, maar alleen als ze zich met anderen verbonden voelen.

Dit alles lijkt mij te suggereren dat onze impuls tot pro-sociaal gedrag ook echt een impuls is. En dus vanuit een "dieper" niveau van onze hersenen afkomstig is dan daar waar we bewust en weloverwogen over ons gedrag nadenken.

(6 februari 2017)

Dat mensen van nature goed zijn, betekent natuurlijk niet dat ze zich altijd pro-sociaal gedragen. Belangrijk is of ze signalen waarnemen dat anderen zich ook pro-sociaal gedragen.

Want mensen zijn zowel in staat tot gemeenschapsgedrag als tot statuscompetitiegedrag en laten zich bij de "keuze" daartussen leiden door wat ze anderen zien doen.

Het mooie van pro-sociaal gedrag is dus dat je er dubbel goed mee doet: niet alleen doe je zelf iets goed voor anderen, maar je draagt er ook toe bij dat derden dat waarnemen en zich daardoor ook pro-sociaal gaan gedragen.
Dat dat zo werkt, blijkt nu weer eens uit het nieuwe onderzoek: Indirect reciprocity and prosocial behaviour: Evidence from a natural field experiment (Mujcic en Leibbrandt, 2017).

Het gaat om een experimenteel veldonderzoek, uitgevoerd op een grote parkeerplaats in een stad in Australië. Die parkeerplaats had een serie uitgangen naar een over de gehele breedte gelegen weg. Als je die parkeerplaats verlaat, dan kan het gebeuren dat er van rechts een auto komt aanrijden die jou wel of niet de gelegenheid geeft om de weg op te rijden. Als de bestuurder van die auto dat doet, dan is dat een vorm van pro-sociaal gedrag.

De onderzoekers hadden het experiment zo opgezet dat ze eerst na gingen hoe vaak het gebeurde dat als een van hen de parkeerplaats wilde verlaten op het moment dat een auto aan kwam rijden, die automobilist inhield in plaats van door te rijden. Dat bleek in bijna 15 procent van de gevallen te gebeuren. Dat is, zou je kunnen zeggen, in deze situatie de hoeveelheid pro-sociaal gedrag die je als baseline kunt verwachten.

Maar wat gebeurde er als die automobilist die aan kwam rijden, even daarvoor zelf bij het verlaten van de parkeerplaats voorrang had gekregen? Dat gebeurde in die experimentele conditie door de andere onderzoeker die daar "toevallig" net kwam aanrijden en hoffelijk inhield.

In die gevallen verdubbelde het pro-sociale gedrag tot ruim 32 procent, een statistisch significant verschil.

We kunnen dus allemaal iets bijdragen aan een aardiger maatschappij. Door aardig gedrag van anderen uit te lokken door zelf aardig te zijn. Niet als een voor-wat, hoort-wat, maar gewoon als het goede voorbeeld. Als een herinnering aan hoe we zouden willen dat we met elkaar omgaan.

En ook dit onderzoek wijst erop dat we een natuurlijke neiging hebben tot pro-sociaal gedrag, maar dat die in werking treedt als we maar genoeg aanwijzingen krijgen voor de aanwezigheid van een sociale omgeving van wederzijdse hulpvaardigheid en goedgezindheid.

Literatuur
Artavia-Mora, L., Bedi, A.S. en Riger, M. (2017). Intuitive Help and Punishment in the Field. European Economic Review 92: 133-145
Brassen, S., Gamer, M., Peters, J., Gluth, S. en Büchel, C. (2012). Don’t Look Back in Anger! Responsiveness to Missed Chances in Succesful and Nonsuccesful Aging. Science 336: 612-614
Cheng, T.C., Powdthavee, N. en Oswald, A.J. (2015). Longitudinal Evidence for a Midlife nadir in Human Well-being: Results from Four Data Sets. The Economic Journal 127: 126.142
Cornelissen, G., Dewitte, S. en Warlop, L. (2011). Are Social values Orientations Expressed Automatically? Decision Making in the Dictator Game. Personality and Social Psychology Bulletin 37: 1080-1090
Eagleman, D. (2016). Incognito. The Secret Lives of the Brain. Canongate Books, Edinburgh en Londen
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2012). Young children are intrinsically motivated to see others helped. Psychological Science 23: 967-972
Hepach, R., Vaish, A. en Tomasello, M. (2017). The Fulfillment of Others’ Needs Elevates Children’s Body Posture. Developmental Psychology 53: 100-113
Mogilner, C.; Kamvar, S.D. en Aaker, J. (2011). The Shifting Meaning of Happiness. Social Psychological and Personality Science 2: 395-402
Mujcic, R. en Leibbrandt, A. (2017). Indirect Reciprocity and Prosocial Behaviour: Evidence From a Natural Field Experiment. The Economic Journal Accepted manuscript online 24 Januari
Sheldon, K.M. en Kasser, T. (2001). Getting older, Getting Better? Personal Strivings and Psychological Maturity Across the Life Span. Developmental Psychology 37: 491-501
Stone, A.A., Schwartz, J.E., Broderick, J.E. en Deaton, A. (2010). A Snapshot of the Age Distribution of Psychological Well-Being in the United States. PNAS 107: 9985-9990
Weiss, A., King, J.E., Inoue-Murayama, M., Matsuzawa, T. en Oswald, A.J. (2012). Evidence for a midlife crisis in great apes consistent with the U-shape in human well-being. PNAS 109: 19949-19952
Zhang, X., Fung, H.H., Stanley, J.T., Isaacowitz, D.M., en Ho, M.Y. (2013). Perspective Taking in Older Age Revisited: A Motivational Perspective. Developmental Psychology 49: 1848-1858