vrijdag 23 juni 2017

Na de privatiseringsgolf is er nu volop renationalisering - Welke lessen zijn daaruit te trekken?

Een onderdeel van de opkomst van de ideologie van de kleine overheid enkele tientallen jaren geleden was de vaste overtuiging dat publieke diensten veel beter geprivatiseerd konden worden. 

Openbaar vervoer, levering van water en energie, kinderopvang, zwembaden en zelfs gevangenissen, alles kon beter via de markt verschaft worden. Want door gebrek aan concurrentie was overheidsvoorziening altijd inefficiënt, duur en van slechte kwaliteit. Als bedrijven en hun werknemers niet onder druk staan van de tucht van de markt, dan spannen ze zich niet genoeg in en leveren ze slecht werk af.

En zo kwam er wereldwijd een privatiseringsgolf. Maar de aanwijzingen zijn dat er nu een tegengestelde beweging plaats vindt. Er wordt weer volop gerenationaliseerd. Wat eerder de markt op werd geduwd, komt nu weer terug in overheidshanden.

Dat blijkt uit het rapport Reclaiming Public Services:How cities and citizens are turning backprivatisation, waar Trouw vandaag over bericht: Privatisering wordt wereldwijd weer volop teruggedraaid.

Dat rapport opent met een fraai inleidend hoofdstuk, waar ik de eerste alinea's maar even uit citeer (lees daarna verder voor de lessen die zijn te trekken):
You would be forgiven, especially if you live in Europe, to think that public services are by nature expensive, inefficient, maybe even somewhat outdated, and that reforming them to adapt to new challenges is difficult. It would seem natural to assume – because this is what most politicians, media and so-called experts tell us continuously – that we, as citizens and users, should resign ourselves to paying ever higher tariffs for services of an ever lower standard, and that service workers have no choice but to accept ever more degraded conditions. It would seem that private companies will inevitably play an ever larger role in the provision of public services, because everything has a price, because politicians have lost sight of the common good and citizens are only interested in their own individual pursuits. 
This book, however, tells a completely different story. Sometimes it may feel as though we are living in a time when profit and austerity – when it is not authoritarianism and xenophobia – are our only horizons. In reality, below the radar, thousands of politicians, public officials, workers and unions, and social movements are working to reclaim or create effective public services that address the basic needs of people and respond to our social, environmental and climate challenges. They do this most often at the local level. Our research shows there have been at least 835 examples of (re)municipalisation of public services worldwide in recent years, involving more than 1,600 cities in 45 countries. And these (re) municipalisations generally succeeded in bringing down costs and tariffs, improving conditions for workers and boosting service quality, while ensuring greater transparency and accountability.
This (re)municipalisation1 wave is especially strong in Europe, but it is also gaining strength elsewhere in the world. What is more, many of the 835 examples we identified are not merely technical changes in ownership but very often entail broader economic, social and environmental changes. (Re)municipalisation initiatives emerge from a range of motivations, from addressing private sector abuse or labour violations, recovering control over the local economy and resources, or providing affordable services to people, to implementing ambitious energy transition and environmental strategies. (Re)municipalisations occur at all levels, with different models of public ownership, and with various levels of involvement from citizens and workers. But out of this diversity a coherent picture nevertheless can be drawn: the movement for (re)municipalisation is growing and spreading, despite the continued top-down push for privatisation and austerity policies. 
Remunicipalisation refers to the return of public services from private to public delivery. More precisely, remunicipalisation is the passage of public services from privatisation in any of its various forms – including private ownership of assets, outsourcing of services and public-private partnerships (PPPs) – to public ownership, public management and democratic control. While our main focus in this research is on cases of return to full public ownership, the survey also includes cases of predominantly publicly owned services when the model is implemented with clear public values, to serve public objectives and when it contains a form of democratic accountability.
Een eerste les die daaruit valt te trekken is dat we kennelijk met zijn allen nog niet zo goed weten hoe we in het publieke domein de dienstverlening het beste kunnen organiseren. Dat is niet verwonderlijk, want we hebben als mensheid nog maar kort ervaring met de werking van de markt en van de overheid. En met hoe deze beide coördinatiemechanismen aansluiten op de natuurlijke vermogens en beperkingen van mensen.

De privatiseringsgolf was op het vermoeden gebaseerd dat mensen bij uitstek door de noodzaak van concurrentie met anderen en door het streven naar winst gemotiveerd worden. Maar de huidige renationaliseringsgolf lijkt erop te wijzen dat we die andere menselijke motivatie, die om bij te dragen aan de publieke zaak, om iets te doen voor het collectief, niet moeten verwaarlozen.

En dat is de tweede belangrijke les. Want door een publieke dienst te privatiseren en daarmee het signaal te geven dat vanaf nu vertrouwd wordt op de werking van het egoïstische concurrentie- en winstmotief, gooien we dat pro-sociale motief overboord. De wens om je voor het collectief, voor anderen, voor je "klanten", in te spannen wordt door dat signaal als het ware verdrongen. Denk aan dat proces van crowding out.

En misschien is die extra, pro-sociale inspanning nu juist erg nodig als het gaat om publieke dienstverlening. Ik moest denken aan het bezoek dat ik ergens eind jaren tachtig bracht aan een waterleidingbedrijf in het kader van een stagebegeleiding. Dat bedrijf moest weliswaar niet geprivatiseerd worden, maar wel commerciëler gaan werken. Dat hield onder meer in dat er uitkeringen zouden moeten worden verstrekt aan de aandeelhouders, dat wil zeggen de gemeenten. Gemeenten kregen daardoor een belang bij hogere uitkeringen. Het winstmotief zou moeten worden aangeboord.

Het hoofd personeelszaken, die later waarschijnlijk HR-manager is gaan heten, was sceptisch. Hij vertelde dat hij tot dan toe ervan uit kon gaan dat zijn personeel sterk gemotiveerd was door het publieke karakter van hun werk. Mensen moesten altijd kunnen rekenen op veilig drinkwater, dat stond voorop en dat rechtvaardigde de extra inspanningen die soms nodig waren. Hij vreesde dat het winstmotief die motivatie zou verzwakken.

Inzicht in dat proces van crowding-out zou wel eens te maken kunnen hebben met die renationaliseringsgolf die we nu meemaken.

En dat zou geheel in lijn zijn met onderzoek dat laat zien dat werkers in de publieke sector pro-socialer zijn dan in de marktsector. Denk aan Werkers in publieke sector zijn pro-socialer dan in bedrijfsleven en aan Mensen die er meer voor anderen willen zijn, werken meer in de publieke sector dan in de marktsector.

maandag 19 juni 2017

Politiek is niet een debatwedstrijd, maar een zaak van leven en dood - Chris Dillow over de Grenfell-ramp

Het aantal doden als gevolg van de brand in de Grenfell Tower in Londen is nu naar alle waarschijnlijkheid opgelopen tot 79. De ramp is bezig het symbool te worden van een gebroken Groot-Brittannië, van een land waar nu al jaren lang de ideologie van de kleine overheid, de bezuinigingszeepbel, hoogtij vierde.

De ellende die dat idiote bezuinigingsbeleid veroorzaakte, juist ook in economische zin idioot, kon lang verborgen blijven, maar komt nu wel heel schrijnend aan het licht. In Grenfell Tower, blijkt nu, werd onverantwoord bezuinigd op de brandveiligheid. Vanity Fair omschreef dat als volgt:
Indeed, as we now know, the apartment block had just one external stairway, no central alarm or sprinkler systems, and was clad in a combustible material that would have generally been banned in the United States for buildings taller than 40 feet. The tenants were essentially living on the top of a highly inflammable firetrap, one in which mass evacuation was impossible, as was evidenced when a few of victims filmed their last moments with their phones. The authorities appeared to have ignored multiple warnings that drew from the experience of fires in other properties under their control, simply because they were not constrained by the law and knew the tenants were powerless to do anything. The conclusion seemed clear to many—if the complaints and warnings had been made by tenants in any of the wealthier areas of the Royal Borough of Kensington and Chelsea, something would have been done.
Daarmee staat de brand symbool voor wat een politiek kan aanrichten die in de neo-liberale fantasiewereld gelooft van de overheid als probleem in plaats van als oplossing. Minder regulering, meer privatisering, minder sociale zekerheid. Denk ook even aan dat andere symbool, de prachtige en ontroerende film I, Daniel Blake van Ken Loach. En neem kennis van de protesten waar de ramp aanleiding toe heeft gegeven: ‘We want justice’: Grenfell Tower protests spill on to streets.

Chris Dillow verbindt er de les aan dat politiek niet zomaar een debatspelletje is, maar een zaak van leven en dood. De media in Engeland, maar evenzeer in Nederland, hebben er een handje van om politiek als een vorm van amusement te presenteren. Dat zal wel iets te maken hebben met de strijd om kijkcijfers. Dillow daarover:
There’s one aspect of the Grenfell catastrophe that is perhaps under-appreciated – that it should finally kill off what is perhaps the dominant conception of politics in the media.
I’m thinking here of the idea that politics is an Oxford Union-style game. There’s jockeying for position, gossip and backbiting in which (over)-confidence, fluency and a particular conception of “credibility” are prized above all, but the game is mostly among jolly good chaps. And it’s a low-stakes one. The worst crime is to conduct a “car crash” interview, and the losers retire to spend more time with their trust funds and sinecures.
De hoop is dat het drama eraan bijdraagt dat politiek weer gezien wordt als wat het is, een serieuze zaak, die serieus en met verantwoordelijkheidsgevoel dient te worden beoefend en in de media behandeld. Daarzonder kan de democratie niet gedijen.
Herein lies my hope. Grenfell might – just might - be a turning point. It shows that politics can no longer be seen as a debating game from which the poor are excluded. It must instead become a serious matter which has life and death consequences, in which the interests and voices of the worst off are finally given full value, and in which there's no place for childish games.
De blogs van Chris Dillow (op Stumbling and Mumbling) zijn eigenlijk altijd stof tot nadenken.

woensdag 14 juni 2017

Waardoor hebben adolescenten eigenlijk niet allemaal het gevoel dat ze zichzelf kunnen zijn?

Adolescenten staan in onze manier van samenleven voor grote uitdagingen. Ze moeten voldoen aan de eisen van de school en ze moeten een plek zien te vinden in de sociale omgeving van de leeftijdsgenoten. Adolescenten zijn in onze maatschappij ook altijd scholieren.

Dat zijn uitdagingen die slecht tegemoetkomen aan de menselijke behoefte aan authenticiteit, aan de behoefte om jezelf te kunnen zijn. Het onderwijs blijft nu eenmaal een setting waarin je door een molen gaat van vakken, roosters, proefwerken, huiswerkverplichtingen en examens. En de peer group nodigt uit tot een strijd om wie populair is en in die strijd kun je vaak juist niet jezelf zijn.

In de studie Happy To Be “Me?” Authenticity, Psychological Need Satisfaction, and Subjective Well-Being in Adolescence keken onderzoekers naar het belang van jezelf kunnen zijn voor het welzijn van adolescenten. De mate waarin je van oordeel bent dat je jezelf kunt zijn, werd vastgesteld met de Authenticity Scale, die eruit bestaat dat je van de volgende 12 uitspraken moet aangeven in hoeverre ze op jou van toepassing zijn:
  1. I think it is better to be yourself, than to be popular.
  2. I don’t know how I really feel inside.*
  3. I am strongly influenced by the opinions of others.*
  4. I usually do what other people tell me to do.*
  5. I always feel I need to do what others expect me to do.*
  6. Other people influence me greatly.*
  7. I feel as if I don’t know myself very well.*
  8. I always stand by what I believe in.
  9. I am true to myself in most situations.
  10. I feel out of touch with the ‘real me.’*
  11. I live in accordance with my values and beliefs.
  12. I feel alienated from myself.*
Hoe minder je de uitspraken met een sterretje op jou van toepassing vindt en hoe meer de andere uitspraken, hoe meer je het gevoel hebt dat je authentiek kunt zijn.

Uit het onderzoek, deels in Nederland en deels in Engeland uitgevoerd, blijkt een duidelijke samenhang tussen de mate van authenticiteit en het welzijn (gemeten aan het ervaren van positieve en negatieve gevoelens en aan de tevredenheid met het leven). Je voelt je beter als je meer jezelf kunt zijn.

Voor alle duidelijkheid, dat wijst erop dat adolescenten/scholieren dus maar beperkt zichzelf kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk als gevolg van die structuren die wij aan hen opleggen, die van de school en van de groep van leeftijdsgenoten. Een (flink) deel slaagt er desondanks in om toch behoorlijk goed zichzelf te zijn, maar een ander deel lukt dat veel minder. En dat blijkt gevolgen te hebben voor hoe je je voelt. Hoe minder authenticiteit, hoe minder positieve gevoelens, hoe meer negatieve gevoelens en hoe minder tevreden met je leven.

De onderzoekers keken ook naar de samenhang met de mate waarin werd tegemoetgekomen aan de intrinsieke behoeften aan autonomie, verbondenheid met anderen en competentie. (Denk aan de zelfbeschikkingstheorie.)  Het bleek toen dat degenen die meer het gevoel hadden zichzelf te kunnen zijn, ook hoger scoorden op de mate waarin aan die drie behoeften werd tegemoetgekomen.

En dat zegt dus ook iets over de beperkte mate waarin onze adolescenten een leven kunnen leiden waarin die drie fundamentele, intrinsieke behoeften kunnen worden gerealiseerd.

Want zou eigenlijk niet iedereen dat gevoel van autonomie moeten kennen, het gevoel dus van niet alleen maar te moeten doen wat anderen zeggen? En dat gevoel van verbonden te zijn met anderen? En dat gevoel van competentie, van iets te kunnen wat de moeite waard is?

maandag 12 juni 2017

Een natuurlijk experiment met een kleinere overheid. Het Kansas-debacle

In de Amerikaanse staat Kansas hebben de Republikeinen, de ideologen van de kleine overheid, de afgelopen jaren hun kans gegrepen om hun ideologie in de praktijk te brengen. Onder leiding van Gouverneur Sam Brownback voerden ze drastische belastingverlagingen door, met de vaste overtuiging dat ze door deze "adrenalinestoot" snel de economische groei zouden kunnen aanjagen.

Met dit "natuurlijke experiment", zoals Brownback het noemde, zou vast en zeker bewezen worden dat een kleinere overheid beter is voor de economie. Geheel in overeenstemming met de adviezen van economen als Arthur Laffer en Stephen Moore, die eerder President George W. Bush aanzetten tot belastingverlagingen en die nu de auteurs-op-de-achtergrond zijn van de belastingplannen van President Donald Trump.

Maar de feitelijke ontwikkelingen in Kansas komen niet overeen met de hooggestemde verwachtingen. De economische groei en de groei van de werkgelegenheid lopen juist sterk achter bij het gemiddelde van de andere staten. Bovendien heeft de staat grote budgettaire problemen. Terwijl sterk bezuinigd werd op de uitgaven aan infrastructuur en onderwijs. Het Hooggerechtshof greep in met het oordeel dat het gebrek aan middelen in het onderwijs indruiste tegen de Grondwet.

Gematigde Republikeinen die dit beleid aanvankelijk ondersteunden, keren nu op hun schreden terug. Samen met de Democraten beschouwen ze het experiment als mislukt en hebben ze de belastingverlagingen grotendeels teruggedraaid. Tegen de wil van Brownback en andere diehard conservatieven in. Zie de recente berichten Kansas Republicans raise taxes, ending their GOP governor’s ‘real live experiment’ in conservative policy en Kansas Republicans end the state’s failed tax reform experiment. Update. En Finally, Something Isn’t the Matter With Kansas.

Het is een interessante ontwikkeling. De neoliberale ideologie van de kleine overheid kent nog steeds veel aanhangers, ook in Nederland. Mark Rutte behoort daartoe, maar ook de PvdA en de meeste andere politiek partijen. Het is de ideologie die ten grondslag lag aan het idee dat je er juist in een crisis snel weer bovenop komt door, procyclisch, snel en veel te gaan bezuinigen. Eigenlijk hebben we daarmee ook in Nederland een natuurlijk experiment meegemaakt. Dat net als in Kansas geheel verkeerd uitpakte (hoewel de media dat angstvallig proberen te negeren). Zie nog maar weer eens Bas Jacobs, Coen Teulings en de ING.

Dat verband tussen de omvang van de overheid en de economische groei ligt natuurlijk veel genuanceerder als je echt de moeite neemt om naar de wetenschappelijke literatuur te kijken. Die overzie ik geloof ik niet in zijn geheel, maar het lijkt me dat GOVERNMENT SIZE AND GROWTH: A SURVEY AND INTERPRETATION OF THE EVIDENCE van Andreas Bergh en Magnus Henrekson de stand van zaken goed weergeeft.

Zij komen tot de conclusie dat voor de rijkere landen inderdaad geldt dat een grotere omvang van de overheid (als percentage van het BNP) samengaat met een wat lagere economische groei. Maar ook geldt dat de richting van het oorzakelijke verband eigenlijk niet valt te achterhalen:
In fact, it is close to conceptually meaningless to discuss a causal effect from an aggregate such as government size on economic growth. Thus, scholars like Kneller et al. (1999) and Bassaniniet al. (2001) have in our view rightly concluded it is more fruitful to analyse separately the mechanisms through which different taxes and expenditure affect growth. Not all taxes are equally harmful, and some studies identify public spending on education and public investment to be positively related to growth.
Maar ook wijzen Bergh en Henrekson op het gegeven dat er landen zijn, zoals de Scandinavische landen, waar een omvangrijke overheid juist heel goed samengaat met hoge economische groei. En dat zou er aan kunnen liggen dat dat landen zijn met een hoge mate van vertrouwen van burgers in elkaar. Dat vertrouwen maakt een omvangrijke overheid mogelijk, met weinig corruptie en weinig belastingontwijking en -fraude. Terwijl vertrouwen bovendien goed is voor de economie.

Dat is boeiend, als je bedenkt dat die ideologie van de kleine overheid psychologisch gezien wel eens zou kunnen voortkomen uit een lage mate van vertrouwen in anderen. Als je anderen wantrouwt, dan wil je zo weinig mogelijk van anderen afhankelijk zijn. En wil je dus zo weinig mogelijk collectief regelen.

Anderen zijn er immers alleen maar op uit om van jouw inspanningen te profiteren. Klaplopers en profiteurs! Moochers! Daar wil je niets mee te maken hebben. In die psychologie van de kleine overheid zou wantrouwen wel eens de cruciale factor kunnen zijn.
Update. Lees nu ook Paul Krugman over het Kansas-debacle en over de republikeinse partij: We’re Not Even In Kansas Anymore.

vrijdag 9 juni 2017

Over de negatieve gezondheidseffecten van politiek die haat, vooroordeel en verdeeldheid zaait

We weten al veel over het verband tussen de persoonlijke sociale omgeving waarin mensen verkeren en hun gezondheid. Dan gaat het erover dat eenzaamheid en de stress van statuscompetitie de kans op gezondheidsproblemen vergroten. Zie De weg van eenzaamheid en sociale stress via verhoogde ontstekingsactiviteit naar gezondheidsproblemen.

Maar onze sociale omgeving omvat meer dan de persoonlijke relaties die we wel of niet hebben. Er is daaromheen ook het wijdere publieke domein, waarin de politiek zich afspeelt.

En ook de politiek kan onze gezondheid beïnvloeden. Natuurlijk in de eerste plaats doordat die politiek tot beleidsmaatregelen leidt die uitwerkingen hebben op onze gezondheid. Denk even aan de WRR-lezing van Martin McKee van eind vorig jaar (Martin McKee over het vergeten belang van verzorgingsstaat en bestaanszekerheid).

Maar daarnaast staan we ook bloot aan wat politici te melden hebben en aan de stemming en de atmosfeer die ze daarmee in het land creëren.

Als ze oproepen tot vooroordeel, haat en verdeeldheid, dan heeft dat een negatieve uitwerking op de gezondheid van bevolkingsgroepen. In het medisch tijdschrift The New England Journal of Medicine vragen onderzoekers daar aandacht voor: Health Effects of Dramatic Societal Events — Ramifications of the Recent Presidential Election. Zie ook dit bericht op Vox voor een interview met een van de onderzoekers: Study: the wave of hostility under Trump is going to make us sick.

De aanleiding daartoe is de verkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. Het lijkt erop dat die verkiezing het onderlinge gedrag van Amerikanen negatief heeft beïnvloed en het anti-minderhedensentiment in het land heeft versterkt. Ik stond daar in het bericht van gisteren al bij stil (Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump). 

Een indruk van de ontstane atmosfeer geeft deze passage uit dat artikel:
One of the first postelection messages on the Daily Stormer, a hate website, claimed that the election was a referendum on “multiculturalism” and encouraged verbal intimidation of foreigners, especially those wearing Islamic clothing. It declared, “We want these people to feel unwanted. We want them to feel that everything around them is against them. And we want them to be afraid.”
Waarna de onderzoekers een overzicht geven van de aanwijzingen dat zulke vormen van racisme, vooroordelen tegen minderheden en vijandigheid tegen immigranten negatieve gezondheidseffecten hebben op de betreffende bevolkingsgroepen. Die effecten ontstaan deels doordat mensen rechtstreeks blootstaan aan zulke gedragingen en uitingen, maar ook door een algehele toename van zorgen, waakzaamheid en piekeren.

Politiek is, dat wisten we natuurlijk al, niet een onschuldig tijdverdrijf. Maar niet alle politici lijken daar oog voor te hebben.

woensdag 7 juni 2017

Over de slechte invloed van statuscompetitieve leiders. En dus over Donald Trump

De tijd waarin we leven is boeiender dan je zou wensen. Dat wil zeggen dat je vaak je hart vasthoudt voor hoe het verder moet. Toekomstige historici zullen er met de afstand die dan mogelijk is verstandige dingen over kunnen zeggen. Nu kunnen we niet veel meer doen dan proberen om de eerste indrukken zo goed mogelijk onder woorden te brengen.

Een van die indrukken die zich aan mij opdringen is dat we in het publieke domein in alle hevigheid een periode van strijd meemaken tussen de algemeen-menselijke, aan elkaar tegengestelde neigingen tot enerzijds statuscompetitie en anderzijds gemeenschapsgedrag. Waarbij het erop lijkt dat de statuscompetitie aan de winnende hand is.

Als het statuscompetitiepatroon overheerst, dan gaan mensen ervan uit dat je niet op de goedgezindheid van anderen kunt vertrouwen. Je moet altijd op je hoede zijn. En om te voorkomen dat anderen over je heen lopen, waar ze altijd op uit zijn, moet je je altijd krachtig en vastberaden proberen voor te doen.

Laat nooit je kwetsbare kanten zien. Straal krachtdadigheid uit. Intimideer anderen, om te voorkomen dat anderen jou intimideren. Beschouw anderen als instrumenten om jouw doelen te bereiken, om een zo hoog mogelijke positie in de statushiërarchie te bereiken. Ga allianties aan, maar alleen met dat doel. Laat anderen meteen vallen als ze niet meer voor jou nuttig zijn.

Statuscompetitie gaat dus altijd gepaard met een sterke nadruk op uiterlijkheid en uiterlijk vertoon. Het theatrale staat voorop. Enscenering is van levensbelang.

Het gedrag van veel van onze hedendaagse leiders en anderen die leiderschap ambiëren past naadloos in dat statuscompetitiepatroon. Waar je dan natuurlijk meteen aan denkt is het gedrag van Donald Trump, de leider van het machtigste land ter wereld.

Ik denk even aan dit bericht van gisteren dat de nadruk op het theatrale en de enscenering mooi illustreert: Trump launches infrastructure initiative with fake signing ceremony. Het gebeuren zou vermakelijk zijn als het een minder machtige leider betrof. Ik citeer even de eerste alinea:
Donald Trump, a fan of spectacles and spotlights, has a habit of signing executive orders that don’t actually do anything. The president likes to appear before cameras and give the appearance of work, but in nearly every instance, Trump’s “accomplishments” are little more than political theater.
Die hang naar het theatrale, met volstrekt voorbijgaan aan enige eigen inhoudelijke inbreng, blijkt ook dit interview met Trumps biograaf: Trump biographer: "He's an actor who's been playing himself for his entire life".

En ik denk aan de mooie column van David Brooks van al weer een paar dagen geleden: Donald Trump Poisons the World (met dank aan Arie Glebbeek). Waarin Brooks niet alleen precies dat statuscompetitiepatroon beschrijft, maar vooral ook waarschuwt voor de sociale beïnvloeding die ervan uitgaat als zulk gedrag prominent in de media belicht wordt.

Goede leiders hebben, schrijft Brooks, wel degelijk oog voor de egoïstische en competitieve kanten van de menselijke sociale natuur, maar, zo vervolgt hij:
they have another foot in the realm of the moral motivations. They seek to inspire faithfulness by showing good character. They try to motivate action by pointing toward great ideals.
Realist leaders like Trump, McMaster and Cohn seek to dismiss this whole moral realm. By behaving with naked selfishness toward others, they poison the common realm and they force others to behave with naked selfishness toward them. (McMaster en Cohn zijn medewerkers van Trump)
By treating the world simply as an arena for competitive advantage, Trump, McMaster and Cohn sever relationships, destroy reciprocity, erode trust and eviscerate the sense of sympathy, friendship and loyalty that all nations need when times get tough.
By looking at nothing but immediate material interest, Trump, McMaster and Cohn turn America into a nation that affronts everybody else’s moral emotions.
Dat het gedrag van een slechte leider als Donald Trump ook inderdaad invloed uitoefent, blijkt uit het bericht Kids Are Quoting Trump To Bully Their Classmates And Teachers Don’t Know What To Do About It.

Kinderen herkennen het gedrag maar al te goed en zien het als een aanmoediging om zich net zo te gedragen. Buzzfeeds News inventariseerde 54 incidenten verspreid over de Verenigde Staten, waarin een leerling een mede-leerling bestookt met verwijzing naar Trump als een soort van rechtvaardiging. Ik citeer:
On a school bus in San Antonio, Texas, a white eighth-grader said to a Filipino classmate, “You are going to be deported.” In a classroom in Brea, California, a white eighth-grader told a black classmate, “Now that Trump won, you're going to have to go back to Africa, where you belong.” In the hallway of a high school in San Mateo County, California, a white student told two biracial girls to “go back home to whatever country you're from.” In Louisville, Kentucky, a third-grade boy chased a Latina girl around the classroom shouting “Build the wall!” In a stadium parking lot in Jacksonville, Florida, after a high school football game, white students chanted at black students from the opposing school: “Donald Trump! Donald Trump! Donald Trump!”
Je vraagt je dus wel af hoe dat moet aflopen nu we zulke slechte leiders aan de macht hebben. En zoveel media-aandacht voor andere figuren die die macht ambiëren.

dinsdag 6 juni 2017

Hoe langer in flexibele arbeidsrelaties, hoe meer stress en hoe slechter de gezondheid

Een van de neoliberale obsessies is die met de flexibiliteit van de arbeidsmarkt. Terwijl in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog de voordelen werden ingezien van langdurige arbeidsrelaties (de invisible handshake in plaats van de invisible hand), heerst nu de opvatting dat "de economie" vraagt om flexibiliteit. Banen voor het leven bestaan niet meer en horen ook niet meer te bestaan.

Dat heeft zoals bekend zijn uitwerking niet gemist. Volgens het CPB (Flexibiliteit op de arbeidsmarkt) hadden in 2016 vier van de tien werkenden geen vast contract. Zowel het aandeel flexibele dienstverbanden als het aandeel zzp'ers nam sterk toe, sterker dan in de meeste andere landen.

Die snelle toename leidt wel tot discussie over de voordelen en de nadelen ervan. Zo was er vorige week de KVS-lezing aan gewijd, met bijdragen van Bas Jacobs, Paul de Beer en Bas ter Weel (Flexibiliteit op de arbeidsmarkt, vloek of zegen?)

Maar mijn indruk is dat die discussie zich vooral afspeelt binnen de nauw getrokken grenzen van de economie. Als voordeel wordt opgevoerd dat meer flexibiliteit goed is voor het "aanpassingsvermogen" van de economie. Hij brengt ons dichter bij het ideaal (de fantasiewereld) van de zo onbelemmerd mogelijke werking van het marktmechanisme.

Maar daar staan nadelen tegenover, zoals minder loyaliteit met het bedrijf, minder scholing op het werk en een grotere (bestaans-)onzekerheid. Het CPB zegt daarover:
Op economische gronden valt niet te zeggen welk aandeel flexibele arbeidsrelaties in de beroepsbevolking wenselijk is. Een flexibele arbeidsmarkt heeft voordelen, zoals een sterker aanpassingsvermogen van de economie. De nadelen die aan flexibele arbeidsrelaties zijn verbonden, komen echter voor een betrekkelijk groot deel voor rekening van zwakkere groepen op de arbeidsmarkt. 
Maar er valt veel voor te zeggen dat de negatieve welzijns- en gezondheidseffecten van flexibilisering in die discussie te weinig aandacht krijgen.

Een voordeel van langdurige arbeidsrelaties is dat ze beter tegemoetkomen aan de fundamentele menselijke behoefte aan bestaanszekerheid. Dat kan doen vermoeden dat flexibilisering inderdaad negatief uitwerkt op welbevinden en gezondheid en daarmee ook economische kosten met zich meebrengt (ziekteverzuim, gezondheidszorg).

Het nieuwe onderzoek The Unintended Consequences of Flexicurity: The Health Consequences of Flexible Employment geeft een goed inzicht in die negatieve effecten van flexibele arbeidsrelaties (hier full text).

De onderzoekers kunnen met gebruikmaking van de gegevens van de British Household Panel Survey de gezondheidseffecten inschatten van de duur die werknemers in flexibele arbeidsrelaties hebben doorgebracht (seizoenswerk en tijdelijke contracten).

Daaruit komen de negatieve gezondheidseffecten (zoals op zelf ervaren gezondheid, hartproblemen, spijsvertering, ademhaling, angst/depressie en migraine) duidelijk naar voren. Die effecten bleven bestaan toen de onderzoekers er rekening mee hielden dat het verband ook omgekeerd kan zijn: dat gezondheidsproblemen de kans op een flexibele arbeidsrelatie vergroten.

Bovendien kan het onderzoek licht werpen op hoe deze effecten tot stand kwamen. Het bleek namelijk dat het ervaren van stress de tussenliggende stap is tussen flexibiliteit en de gezondheidsproblemen. Hoe langer in flexibele arbeidsrelaties, hoe meer stress (slapeloosheid, besluiteloosheid, gespannenheid, kwetsbaarheid, vertrouwensverlies) en daardoor meer gezondheidsproblemen.

Zoveel flexibiliteit is dus niet goed voor mensen. Zo verwonderlijk is dat niet. Er wordt wel gedacht dat vooral jongeren die onzekerheid niet zo erg vinden. Maar juist ook jongeren willen graag een vast contract: Millennials willen echte banen: vast en zeker.

donderdag 1 juni 2017

Er zijn twee motivaties voor pro-sociaal gedrag: streven naar geluk en voldoen aan morele verplichting

Hoe zouden kinderen (van 3 en van 5 jaar) een beloning (zes stickers) anoniem verdelen over zichzelf en een ander kind, als ze die beloning zelf verdiend hadden en ze dus niet hoefden te delen, en als die beloning samen verdiend was en er dus een gevoel van morele verplichting bestond om te delen? En waar zouden ze gelukkiger van worden, van delen in het geval dat delen niet hoeft of van delen in het geval van een verplichting?

In beide gevallen is het delen een vorm van pro-sociaal gedrag. De kinderen hadden ook egoïstisch de stickers voor zichzelf kunnen houden.

We weten dat je door pro-sociaal gedrag je geluksgevoel kunt vergroten. Ook kinderen blijken dat inzicht te hebben. Zie Hebben kinderen beter door dan volwassenen dat je je door te delen gelukkiger voelt?

Maar zou dat gelukseffect ook bestaan als dat delen voortkomt uit een gevoel van morele verplichting? En zou het dan dus zo zijn dat in beide gevallen de motivatie voor het delen er uit kan bestaan dat je verwacht je er gelukkiger door te voelen?

Het pas verschenen onderzoek Motivation Counts: Autonomous But Not Obligated Sharing Promotes Happiness in Preschoolers wijst erop dat dat geluksgevoel alleen optreedt in het geval van het spontane delen.

In de experimentele onderzoeksconditie waarin je spontaan kon delen, waren de kinderen die dat gedaan hadden, gelukkiger dan de kinderen die egoïstisch alle stickers voor zichzelf hadden gehouden. (De verschillen in geluk werden vastgesteld door onafhankelijke beoordelaars, die de emotionele expressie van de kinderen codeerden volgens een vaker gebruikt en gevalideerd procedé.)

Daartegenover was er in de conditie waarin er een morele verplichting bestond om te delen, geen verschil in geluk tussen de kinderen die deelden en de kinderen die alles voor zichzelf hielden.

Je ziet de resultaten in het plaatje afgebeeld. Links de conditie van het spontane (autonome) delen en rechts die van het moreel verplichte delen. De hoogtes van de staafjes staan voor de mate van geluk. In het geval van egoïstisch gedrag is het staafje blauw en in het geval van pro-sociaal gedrag oranje.



In de conditie van het spontane delen is het verschil groot genoeg om statistische significantie te bereiken. Als het delen moreel verplicht was, zie je dat het egoïstische gedrag juist gepaard ging met meer geluk, maar het verschil is niet groot genoeg om toeval te kunnen uitsluiten.

Wat natuurlijk ook opvalt is dat er in het geval van morele verplichting meer gedeeld werd dan in het geval van het spontane delen (het blauwe staafje rechts is langer dan het blauwe staafje links). Dat wijst er op dat een gevoel van morele verplichting ook inderdaad werkt zoals "bedoeld".

De resultaten zijn in de lijn met eerder onderzoek dat er op wijst dat pro-sociaal gedrag op tweeërlei wijze gemotiveerd kan zijn:
  • als een gedrag waarvan je verwacht of kunt verwachten dat je je er gelukkiger door voelt (pleasure-based prosocial motivation
  • of als een gedrag waartoe je je moreel verplicht voelt (pressure-based prosocial motivation). 
En dat is om over na te denken. Want pro-sociaal gedrag kan dus zowel voortkomen uit ons streven naar het goede gevoel (hedonisme) als uit onze behoefte om te voldoen aan een gevoel van morele verplichting.  Het is dus zaak om altijd beide motieven als mogelijke verklaringen en veroorzakers van pro-sociaal gedrag in de beschouwing te betrekken.

dinsdag 30 mei 2017

Over veerkracht na partnerverlies in een maatschappij met sociaal isolement van gezinnen

We leven in een maatschappij met een historisch gezien hoge mate van sociaal isolement van gezinnen. Een gevolg daarvan is dat het verlies van je partner een ingrijpende gebeurtenis is. Als je voor je sociale leven erg op elkaar was aangewezen, dan kan het verlies van de ander als een mokerslag aankomen.

In het sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van die ingrijpende gebeurtenis kom je vaak de notie van veerkracht (resilience) tegen. Uit dat onderzoek leek je namelijk te kunnen opmaken dat opvallend mensen (60 procent of meer) over veerkracht beschikken. Na een zo groot verlies blijken ze toch behoorlijk goed in staat om hun leven weer op te pakken, zonder blijvende schade.

Maar dat positieve beeld kan er ook aan liggen dat dat onderzoek vaak beperkt van opzet was. Vaak was de verandering in welbevinden maar beperkt gemeten, met maar een enkele indicator (zoals tevredenheid met het leven). En vaak bestreken de metingen een beperkte periode. Het zou kunnen zijn dat de veerkracht van mensen daardoor is overschat.

Dat laatste is de strekking van de nieuwe studie The Multidimensional Nature of Resilience to Spousal Loss. De onderzoekers maakten gebruik van gegevens van de Household Income and Labour Dynamics of Australia Study (HILDA). Die gegevens kwamen voort uit 13 jaarlijkse metingen over de periode 2001 - 2013. Van alle ondervraagden waren er 421 personen die gedurende het onderzoek het verlies van hun partner meemaakten. De gemiddelde leeftijd was tegen de 69 jaar. De jongste was 22 en de oudste 93 jaar.

De onderzoekers maakten gebruik van de gegevens van (maximaal) vijf jaar voor het partnerverlies en (maximaal) vijf jaar er na. Bovendien hadden ze de beschikking over een reeks van indicatoren voor het welbevinden, namelijk: tevredenheid met het leven, negatieve gevoelens, positieve gevoelens, de zelf ervaren gezondheid en het fysieke functioneren.

Het bleek toen dat de veranderingen na het partnerverlies tussen die verschillende indicatoren sterk verschilden. Als je veerkracht opvat als geen verandering op alle vijf indicatoren, dan was slechts 8 procent veerkrachtig. Daartegenover was 20 procent niet veerkrachtig in de zin dat ze op alle vijf indicatoren een negatieve verandering ondergingen. Anders gezegd: met een op de vijf ging het ronduit beroerd.

Wat de onderzoekers doet opmerken:
Considered collectively, our findings emphasize the dangers in definitively declaring “rates of resilience” based on a limited set of measured outcomes.
En wat bleek vooral het verschil te maken? Dat was de mate waarin op bestaande sociale contacten kon worden teruggevallen. Hoe minder de partners voor hun sociale leven uitsluitend op elkaar waren aangewezen, hoe groter de veerkracht na het partnerverlies. Hoe meer de achtergeblevenen het gevoel konden hebben dat er anderen zijn om je te steunen, hoe veerkrachtiger.

En dat wijst dus op hoe kwetsbaar we kunnen zijn bij een hoge mate van sociaal isolement van gezinnen.

maandag 29 mei 2017

Met het verstrijken van de levensloop minder contacten met vrienden - Nieuwe aanwijzingen

Een bekend sociologisch inzicht is dat voor het ontstaan en onderhouden van sociale contacten nodig is dat er geregelde spontane ontmoetingen zijn in een veilige sfeer waarin mensen niet op hun hoede hoeven te zijn.

En evenzeer weten we dat in onze huidige manier van samenleven maar beperkt aan deze voorwaarden is voldaan. Dat verklaart onder meer dat we in ons volwassen leven nog maar weinig nieuwe vrienden maken. Zie Waardoor maken we in ons volwassen leven maar weinig nieuwe vrienden?

Er is nu het nieuwe onderzoek Getting Together: Social Contact Frequency Across the Life Span dat in dezelfde richting wijst. De onderzoekers konden met behulp van gegevens van het German Socioeconomic Panel mensen van tussen de 15 en 85 jaar gedurende vijftien jaar volgen.

In dat panel was onder meer gevraagd naar hoe vaak mensen bezoek uitwisselden met buren, familie en vrienden. Uit de analyses blijkt dat die frequentie gedurende de levensloop alleen maar afneemt. Vooral tot het vijftigste levensjaar is die afname opvallend sterk. Daarna zwakt hij wat af, waarna hij na de leeftijd van 70 jaar weer steiler wordt. (Zie over de afname van het uitwisselen van bezoek in Nederland: We gaan minder en minder en minder bij elkaar op bezoek. Gezinnen weer meer sociaal geïsoleerd.)

Er was ook bekend of mensen waren verhuisd over een afstand van 100 kilometer of meer. Hoewel we weten dat het vaker verhuisd zijn tot een grotere sociale vluchtigheid leidt, bleek er in dit onderzoek geen verband tussen verhuisd zijn en de frequentie van contact met buren, vrienden en kennissen.

De algemenere les lijkt te zijn dat het in onze huidige maatschappij moeilijk is om gedurende de volwassen levensloop sociale contacten in stand te houden en nieuwe contacten aan te gaan. Vandaar dat we een eenzaamheidsprobleem hebben.

Bedenk daarbij dat contacten via telefoon en sociale media een beperkte vervanging zijn voor het bij elkaar over de vloer komen. Zie Facebook is leuk, maar geen vervanging voor echte sociale contacten en Gelukkiger door real-life vrienden, niet door on-line vrienden.

En het is natuurlijk een aanleiding om weer eens stil te staan bij alles wat we weten over de negatieve gezondheidseffecten van weinig sociale contacten.

En bij de negatieve effecten van het sociale isolement van gezinnen op het opgroeien van kinderen.

donderdag 25 mei 2017

Waar komt de gevaarlijke obsessie met het concurrentievermogen van landen toch vandaan?

De menselijke sociale natuur is ambivalent. We zijn erop voorbereid om met anderen samen te werken, maar evenzeer op de mogelijkheid dat we met anderen moeten concurreren.

Die ambivalentie maakt dat er zich situaties kunnen voordoen waarin we moeten beslissen wat de beste gedragslijn is: samenwerking of competitie. Het spreekt vanzelf dat je met vrienden samenwerkt en met tegenstanders concurreert. Maar het kan ook gebeuren dat we eerst goed zouden moeten nadenken en ons goed zouden moeten informeren voor we een keuze maken.

Anders gezegd: er doen zich omstandigheden voor waarin we een informatieprobleem hebben. Waarin we graag hulp zouden krijgen, aanwijzingen voor hoe ons te gedragen en voor wat we van anderen hebben te verwachten. Dat verklaart het verschijnen van een soort self-help boekje als Friend & Foe. When To Cooperate, When To Compete, And How To Succeed At Both van Adam Galinsky en Maurice Schweitzer.

Maar zulke informatieproblemen spelen daarnaast ook in de sfeer van maatschappij-inrichting en economische politiek. We leven in een marktmaatschappij en dat houdt in dat we proberen zo goed mogelijk te profiteren van een economisch stelsel, het kapitalisme, waarin het domein van de markt bedoeld is om de concurrentie tussen ondernemingen, zelfstandigen en werknemers zijn werk te laten doen. Dat suggereert echter meer duidelijkheid dan in feite geboden kan worden, want in de reële markt draait niet alles om concurrentie, maar integendeel juist ook om samenwerking en onderling vertrouwen. 

Dit alles als inleiding op de vraag in de titel van dit bericht: hoe zit het met de economische relaties tussen landen? Hoe kunnen we in de economische politiek het beste onze relatie met andere landen zien? Moeten we er van uitgaan dat landen net als ondernemingen met elkaar concurreren?

Dat is een opvatting die je vaak tegenkomt, juist ook bij politici. Die hoor je vaak over het grote belang van het "concurrentievermogen" van het land. Dat vermogen (competitiveness) wordt dan gezien als het succes in de internationale handel. Als je betere en/of goedkopere producten aan te bieden hebt dan andere landen, dan kun je een handelsoverschot creëren. Je exporteert meer dan je importeert. Je blinkt uit in concurrentievermogen.

De vraag is echter of politici wel gelijk hebben met zo te schermen met het belang van dat concurrentievermogen.

Paul Krugman waarschuwde  al in 1994 voor de heersende obsessie met het concurrentievermogen (Competitiveness:A Dangerous Obsession). Het is bepaald niet zo dat het hebben van een handelsoverschot altijd gezien kan worden als een teken van economische sterkte. En het vooropgezette streven naar een positieve handelsbalans leidt gemakkelijk tot slechte economische politiek. Niet alleen protectionisme en handelsoorlogen kunnen het gevolg zijn, maar ook slecht binnenlands economisch beleid, gericht op lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden en lage milieu-eisen.

Sindsdien zijn er pogingen geweest om het begrip concurrentievermogen te herdefiniëren in een richting die het als doel van economisch beleid zinvoller maakt. Maar tegelijk maakt dat de term minder toepasselijk, omdat landen dan juist niet meer met elkaar concurreren, maar juist van elkaars beleid profiteren door positieve spillovers. Zie Competitiveness: From a Dangerous Obsession to a Welfare Creating Ability with Positive Externalities. Economisch verstandig beleid blijkt dan dus juist niet gebaseerd te zijn op het idee van concurrentie tussen landen.

Maar in de politieke praktijk is dat inzicht bij lange na nog niet gemeengoed. Te denken valt dan natuurlijk meteen aan wat we nog steeds in de eurozone zien gebeuren. Daar heerst nog volop de gevaarlijke obsessie met het concurrentievermogen. Met Duitsland voorop als prediker van de weldaden van het streven naar concurrentie tussen landen. Door middel van terugdringen van de overheidsuitgaven (de bezuinigingszeepbel) en van lage lonen en slechtere arbeidsvoorwaarden.

Zie over de gevaren daarvan nu Martin Hellwig in de FAZ: Leistungsbilanzüberschüsse. Bitte nicht großdeutsch. Ik citeer deze cynische alinea:
Natürlich sind wir Deutsche stolz darauf, Exportweltmeister zu sein. Das ist fast so gut wie Fußball-Weltmeister – und lässt sich mit größerer Regelmäßigkeit erreichen. Man muss aber auch fragen, ob es wirklich im Interesse des Landes liegt, einen großen Teil der deutschen Ersparnisse im Ausland anzulegen – in Verbriefungen minderwertiger Hypotheken in den Vereinigten Staaten, in Krediten an irische oder spanische Banken, die ihrerseits Immobilienblasen finanzieren, in Kredite an Staaten, die dann ihre Schulden nicht bedienen können.
En zie ook de kritiek van Oostenrijkse econoom Georg Feigl (Was bringt die einseitige Exportorientierung?), met als conclusie:
Anstelle der einseitigen Exportorientierung ist eine aktivere Steuerung der Gesamtnachfrage gefragt – insbesondere mittels expansiver Budget- (zB goldene Investitionsregel) und Lohnpolitik (zB EGB-Kampagne „Europe needs a payrise“). Diese Nachfrageförderung sollte eingebettet werden in ein breiteres Konzept der – in den europäischen Verträgen als übergeordnetes wirtschaftspolitisches Ziel verankerte – Wohlstandsorientierung. Die Krise hat gezeigt, dass sozial- und wirtschaftspolitische Konvergenz und eine stabile wohlstandsorientierte Entwicklung keine Selbstverständlichkeiten sind, sondern eine aktive sozial- und wirtschaftspolitische Koordinierung bzw. eine Europäische Sozialunion erfordern.
Merkwaardig dat die obsessie met concurrentie tussen landen in de politiek zo opvallend blijft voortbestaan. Tegen de heersende economische inzichten in.

maandag 22 mei 2017

Zijn de kiezers linkser dan de politici? Nieuwe aanwijzingen

We maken een tijd mee waarin er sprake is van verrechtsing van het electoraat. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat die verrechtsing, en vooral de populariteit van het neo-liberalisme, vooral een fenomeen is dat zich afspeelt in de kringen van de politici.

Het lijkt soms alsof dat kringetje van politici, waar overigens politieke verslaggevers graag dicht tegenaan schurken, een eigen wereldje is geworden. Waarbinnen natuurlijk verschillen van mening bestaan, maar waarin ook een stilzwijgende afspraak lijkt te heersen dat het met die verschillen niet uit de hand moet lopen. Vooral als je de verdenking op je laadt dat je "te links" bent, dan loop je kans om niet meer echt serieus te worden genomen. In dat wereldje en de daaromheen cirkelende media is links "uit".

Verrechtsing dus in de politiek. Maar ook bij de kiezers?

Dat staat nog te bezien. Ik stond daarbij stil in de berichten Burgers willen geen kleinere overheid met lagere belastingen en Zijn de kiezers linkser dan de politici? Er zijn aanwijzingen dat de steun voor de sociale zekerheidsarrangementen en voor de kleinere inkomensverschillen van de verzorgingsstaat onverminderd hoog is. En dat de ideologie van de kleine overheid bij de kiezers helemaal niet populair is. Zie voor meer daarover ook Over ontevredenheid met de politiek en de steun voor de verzorgingsstaat - leven we in een pre-revolutionaire toestand? en Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Daar komen nu nieuwe aanwijzingen bij voor wat de Verenigde Staten betreft. Laat je geen rad voor ogen draaien: dat daar Donald Trump op een of andere manier aan de macht is gekomen ( op welke manier zal nog blijken), doet er niets aan af dat het Amerikaanse kiezersvolk in feite steeds meer naar progressief en links tendeert. Het lijkt er zelfs op dat het verschijnsel Trump die tendens heeft versterkt.

Dit blijkt uit cijfers die Ruy Teixeira vandaag op Vox geeft. Zie What right-wing populism? Polls reveal that it’s liberalism that’s surging. We zien bijvoorbeeld dat de houding tegenover immigranten overwegend positief is en positiever is geworden. 60 procent van de Amerikanen is nu van oordeel dat immigratie Amerika meer helpt dan schaadt, terwijl slechts ruim 30 procent van het tegendeel overtuigd is. En de houding tegenover de Affordable Care Act (Obamacare) is nu positief, ondanks de massieve rechtse propaganda. Waartegenover slechts 21 procent zijn goedkeuring geeft aan het door de Republikeinen ingediende alternatief voor Obamacare.

En hoe opvallend is dit plaatje, dat ik naar ik aanneem als een citaat wel mag overnemen:



We zien dat de algemene houding tegenover de rol van de overheid in het oplossen van problemen en het tegemoetkomen aan de behoeften van mensen sinds 1995 sterk positiever is geworden. De Republikeinse anti-overheidspropaganda, die met Ronald Reagan een aanvang nam en door George Bush werd voortgezet, slaat niet meer aan. En heel recent lijkt het afschrikwekkende fenomeen Trump zijn werk te doen.

Blijft natuurlijk de vraag hoe het kon gebeuren dat er in de kringen van politici en media zo'n merkwaardige neo-liberale zeepbel kon ontstaan. Wat dat betreft zijn we denk ik voorlopig nog niet uitgepraat over de betreurenswaardige rol die de sociaal-democraten daarin gespeeld hebben.

zondag 21 mei 2017

Zondagochtendmuziek - Swing, Sing & Think: David Fray – Bach’s Keyboard Concertos (HD 1080p)

Wat weer een prachtige film van Bruno Monsaingeon. Nu over de Franse pianist David Fray, die drie pianoconcerten van Bach repeteert en uitvoert met de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen. Fray wordt wel vergeleken met Glenn Gould.  Lees daarover de reacties onder aan de film op YouTube. En lees wat Wikipedia meldt:
Fray's love of Bach and his playful, idiosyncratic appearance in the ARTE documentary, in which he excitedly bobs his eyebrows, bends low over the piano, hums along with the orchestra, and jokes with his fellow musicians, have caused him to be compared with pianist Glenn Gould.[5] However, Fray's style is radically different from Gould's—it is fluid where Gould's was sharply articulate.[6] Fray has said that he is "not such a fan of Glenn Gould" and that pianist Wilhelm Kempff is an especially important influence: "What I love about his playing is that he makes the piano sing and speak. That is my ultimate goal.”[7]
De film is anderhalf uur intrigerend. En wat een tijdloze muziek! Bijna dansmuziek, want probeer maar eens om er stil bij te blijven zitten. Zo nu en dan een stukje bekijken.

vrijdag 19 mei 2017

Extreem individualisme en het immateriële culturele erfgoed van de woonwagencultuur

Laten we even stilstaan bij de volgende twee berichten:
  • Klinisch psycholoog Jan Derksen ziet in een interview met de Volkskrant (9 mei) een verband tussen toenemend narcisme en het oprukkende extreme individualisme. Hij verwijst naar Amerikaans onderzoek naar de toename van narcisme en naar eigen onderzoek: "We deden een groot onderzoek onder leraren, politiemensen, trambestuurders, huisartsassistenten en vroegen ze om hun klanten te karakteriseren, zonder zelf het woord narcisme te gebruiken. Uit de analyse blijken mensen eigengereider dan twintig jaar eerder, kritische, minder gevoelig voor autoriteit, overtuigder dat ze voorrang verdienen, egocentrischer, extraverter, minder sociaal angstig.' (Dat laatste onderzoek ken ik niet, maar zie voor dat Amerikaanse onderzoek het bericht Goedbeschouwd kunnen we niet verbaasd zijn over de toename van narcisme en populisme in de politiek.)
  • In het rapport Woonwagenbewoner zoekt standplaats schrijft de Nationale Ombudsman dat gemeenten meer moeten doen om de woonwagencultuur te beschermen, in concreto voor meer standplaatsen moeten zorgen. Die verplichting vloeit eruit voort dat die woonwagencultuur op de Unesco-lijst voor immaterieel cultureel erfgoed staat. Bovendien is er het mensenrechtskader van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en het College voor de Rechten van de Mens. 
Sociaalwetenschappelijk gezien is het heel interessant dat de woonwagencultuur als immaterieel cultureel erfgoed wordt beschouwd en een speciale juridische bescherming geniet.

Want kenmerkend voor die cultuur is dat er een doelbewust streven aan ten grondslag ligt om het sociale isolement van gezinnen te voorkomen. Tot woonwagenbewoners worden de Sinti en Roma en de "reizigers" (travellers) gerekend. Dat ze zich niet op een plaats willen vestigen, gaat ermee samen (of vloeit er zelfs uit voort) dat ze sterk gehecht zijn aan familiebanden en dus ook op elkaars voortdurende nabijheid. 

Dat streven is maar moeilijk te realiseren in de "burgerlijke" wooncultuur. Je kunt alleen per gezin een woonhuis huren of kopen en niet met een familie een aantal woningen bij elkaar. Zodra je je zou willen vestigen, dreigt het proces van fragmentatie van familiebanden een aanvang te nemen. Woonwagenbewoners hebben dat door en verzetten zich er dus tegen.

En dat houdt in dat ze zich verzetten tegen dat oprukkende extreme individualisme waar Derksen het over heeft. Over het algemeen bestaat er een negatief beeld van woonwagenbewoners. Maar in hun hang naar instandhouding van familiebanden en hun beduchtheid voor het sociale isolement van gezinnen ligt eigenlijk een diep sociaal inzicht besloten. Waar we wat van zouden kunnen leren.

Een beeld van die woonwagencultuur krijg je bijvoorbeeld hier: Woonwagencultuur. wat is dat? Een citaat:
Wie wel eens bij een woonwagenbewoner op bezoek is geweest – verreweg de meeste mensen zullen dat nooit gedaan hebben – zal zich over een aantal gewoonten en gebruiken van ons verbaasd hebben. Als we weten dat je niet met kwade bedoelingen komt, ben je van harte welkom. Maar er wordt wel verwacht dat je bij de deur je schoenen uittrekt, want in de wagen loop je niet op schoenen. Als je je handen wil wassen, doe je dat niet in de gootsteen, dat vinden we onhygiënisch want in de keuken wordt het eten klaargemaakt. Wat dat eten betreft, je mag altijd wel mee-eten. In de wagen wordt niet voor een precies aantal mensen gekookt, want er kunnen altijd onverwachte gasten komen. En meestal komt er ook wel iemand binnenlopen, een zoon, een neef, een zus, een buurvrouw.
Op een woonwagenkamp kennen we elkaar goed en zien en spreken elkaar iedere dag. We zorgen ook voor elkaar. Kinderen op een kamp gaan niet naar de crèche, er is altijd wel iemand die oppassen wil. En het is ondenkbaar dat iemand die oud is naar een verzorgingshuis gaat, ook de zorg voor ouderen regelen we op het kamp zelf. Deze zorg voor elkaar is precies wat de overheid op dit moment aan alle Nederlanders vraagt!
Me dunkt, belangrijk cultureel erfgoed in een maatschappij met oprukkend extreem individualisme.

maandag 15 mei 2017

Na, en door, overgang naar voortgezet onderwijs meer statuscompetitie onder leerlingen

Hoe onze kinderen opgroeien verschilt sterk van de stabiele en leeftijdsheterogene sociale omgeving waar ze naar aanleg op zijn voorbereid en waar ze het beste in gedijen.

Want buiten het eigen gezin is er tegenwoordig vooral de leeftijdshomogene groep van de klasgenoten. We weten dat die omgeving gemakkelijk statuscompetitie uitlokt, de strijd om wie populair en wie cool en wie stoer is. En we weten dat het meedoen aan die competitie negatief uitwerkt op het welbevinden. En trouwens ook op de schoolprestaties. Zie nog eens de berichten De sociale uitdaging van de adolescentie: gemeenschap en/of statuscompetitie en Vriendschap? Of status? Waar het sociale leven van de adolescent om draait. En zie over het verband tussen statuscompetitie en pesten: Pesten is een vorm van statuscompetitie - Nieuwe aanwijzingen.

Daar komt bij dat die sociale omgeving weinig stabiel is. In een stabiele omgeving leren kinderen elkaar beter kennen, waardoor gemakkelijker onderlinge vertrouwdheid en vriendschappen ontstaan en waardoor de strijd om populariteit wordt teruggedrongen.

Maar door overgangen tussen onderwijsniveau's vinden er van tijd tot tijd reshuffles plaats in de groepssamenstellingen, die de kans op een opleving van de statuscompetitie doen toenemen.

Dat dat laatste inderdaad het geval is, blijkt uit de nieuwe studie The Trajectory of Popularity Goal During the Transition to Middle School. De onderzoekers volgden leerlingen voor en na die overgang en namen op gezette tijden een vragenlijstje af met onder meer vragen naar hoe belangrijk leerlingen het vonden om populair te zijn en om populariteit na te streven.

Het bleek toen dat het populariteitsdoel na de overgang naar het voortgezet onderwijs gedurende een bepaalde periode significant meer werd nagestreefd.

Wat bovendien naar voren kwam is dat leerlingen ook zelf die toename van de statuscompetitie waarnamen. En dus werden beïnvloed om er aan mee te doen. Ja, je past je aan aan wat je om je heen ziet gebeuren. Denk aan Het puberbrein en de peergroup.

Die kunstmatige sociale omgeving van leeftijdshomogeniteit en instabiliteit waaraan we onze kinderen blootstellen, die heeft door dat aanwakkeren van de statuscompetitie voorspelbare negatieve gevolgen.

En we hebben daar, zo lijkt het, onvoldoende oog voor.

donderdag 11 mei 2017

Ongelijkheid verhoogt de Sociale Dominantie Oriëntatie en daarmee racisme, seksisme en anti-immigranten- en anti-uitkeringstrekkerssentiment

Zaken als ongelijkheid, economische onzekerheid en gebrek aan democratie blijken samen te gaan met een verhoogde mate waarin burgers de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO) aanhangen. En die verhoogde mate van SDO blijkt weer samen te gaan met racisme, seksisme en anti-immigranten en anti-uitkeringstrekkerssentiment. Daarop wijst de studie Preferences for group dominance track and mediate the effects of macro-level social inequality and violence across societies.

Iemands SDO is hoger hoe meer hij het eens is met uitspraken als:
Sommige groepen mensen zijn gewoon inferieur aan andere groepen
Het is oké als sommige groepen betere levenskansen hebben dan andere
Als bepaalde groepen meer hun plaats kenden, dan hadden we minder problemen
Met een hoge SDO-score ben je gefascineerd door de gedachte dat de samenleving een statushiërarchie is en door de innerlijke behoefte om jezelf en je soortgenoten (het eigen volk) aan de top daarvan te zien. Dat suggereert dat er een samenhang is met narcisme en dat blijkt ook het geval te zijn. Zie Collective narcissism and its social consequences 

We zagen al dat PVV-stemmers en in het algemeen stemmers op rechts-extremistische partijen uitblinken in een hoge SDO-score. Zie PVV-stemmers willen overheersen - Over Sociale Dominantie, collectief narcisme en rechts-extremisme.

Dit nieuwe onderzoek verschaft inzicht in hoe de gemiddelde SDO-score in een land samenhangt met andere kenmerken van dat land. Uit een vergelijking van 27 landen komt naar voren dat de SDO-score van de dominante bevolkingsgroep hoger is als er in een land meer ongelijkheid is, als er meer gewelddadige conflicten zijn, als er meer corruptie is, als er minder persvrijheid is en als er minder sociale vooruitgang is.

Het lijkt plausibel dat zulke macro-kenmerken van een land er aan bijdragen dat burgers zo'n hoge SDO-score ontwikkelen, maar het onderzoek kan daarover geen uitsluitsel geven.

De onderzoekers vergeleken ook de staten van de Verenigde Staten. Daaruit kwam naar voren dat Amerikanen die in een staat wonen met een grotere economische ongelijkheid en met meer geweldsincidenten een hogere SDO-score hebben. En die hogere SDO-score gaat op zijn beurt samen met meer racisme, meer seksisme en een negatievere houding tegenover minderheden en uitkeringstrekkers.

Tezamen genomen lijken die macro-kenmerken te staan voor de mate waarin in een land de statuscompetitie overheerst. Want we weten dat ongelijkheid en bestaansonzekerheid het statuscompetitiegedrag aanwakkeren. Zich uitend in het neerkijken op minderheden en verliezers en in ressentiment als je zelf verliezer bent.

Anders gezegd, collectief narcisme, rechts-extremisme en het neerkijken op minderheden en verliezers, dat zijn geen raadselachtige verschijnselen, maar te verwachten bij meer ongelijkheid, meer bestaansonzekerheid en een meer statuscompetitieve maatschappij.

woensdag 3 mei 2017

De mistroostige wereld waarin de gezonden niet meebetalen aan de zieken en de rijken niet aan de armen

De Republikeinse Afgevaardigde van de staat Alabama, Mo Brooks, licht zijn afkeer van Obamacare toe met te verklaren dat je van gezonde mensen niet mag eisen dat ze meebetalen aan de kosten van medische behandeling van zieke mensen. Zie Republican Blurts Out That Sick People Don’t Deserve Affordable Care van Jonathan Chait.

Want volgens hem, en volgens het overheersende denken in zijn partij, is ziek of gezond zijn iets wat jezelf in de hand hebt. Als je de moeite neemt om gezond te leven, zul je niet ziek worden. En als je die moeite niet neemt, dan moet je zelf voor de gevolgen en dus voor de kosten opdraaien.

Het is een gedachte die al langer rondzingt in de kringen van de Amerikaanse conservatieven. Chait verwijst naar een citaat van een van hen, de libertariër John MacKey, waaruit tevens de link naar voren komt met het neo-liberalisme en de ideologie van de kleine overheid:
Rather than increase government spending and control, we need to address the root causes of poor health. This begins with the realization that every American adult is responsible for his or her own health.
Mensen die die verantwoordelijkheid niet nemen, moeten niet hun hand willen ophouden en vragen dat anderen, via belastingen en premies, aan de gevolgen daarvan meebetalen.

Amerika is inderdaad uitzonderlijk, in de zin dat dit sentiment er al langer heerst en meer dan in de meeste andere landen. (Maar in Duitsland kom je het tegen als de vaak door Schäuble aangehaalde wijsheid dat iedereen zijn eigen stoepje moet schoonhouden.)

John Kenneth Galbraith omschreef het als het concurrentiemodel van het publieke domein en de rol van de overheid daarin. In het bericht De anti-overheidsideologie door de geschiedenis heen: aan de hand van John Kenneth Galbraith haalde ik dit citaat uit 1952 aan:
Een hedendaagse verhandeling over de Amerikaanse economie concludeert dat de overheid door de progressieve inkomstenbelasting weloverwogen "zijn meest succesvolle burgers van zijn voortbrengselen berooft en ze toedeelt aan degenen met minder succes; op die manier bestraft de overheid de vlijt, de zuinigheid, de kundigheid en de efficiëntie en ondersteunt hij de luiheid, de verkwisting, de incompetentie en de inefficiëntie. Door de zuinigen te beroven, vernietigt de overheid de bron van het kapitaal, onderdrukt hij investeringen en het scheppen van banen en remt hij de industriële vooruitgang....".
En merk op dat George Lakoff dat model omschrijft als de moraliteit-van-de-strenge vader.

Met als tegenstelling de moraliteit-van-de-zorgzaamheid, die er juist van uitgaat dat wij ook in het publieke domein een verantwoordelijkheid voor elkaar hebben, die in de democratische overheid een uitingsvorm hoort te vinden.

Uit onderzoek blijkt dat die moraliteit-van-de-zorgzaamheid over het algemeen (gelukkig) de meeste aanhang heeft, zoals naar voren komend in de vorm van steun voor de verzorgingsstaat. Zie mijn Essay De lokale verzorgingsstaat: bestaanszekerheid in het geding?

Dat dat concurrentiemodel toch zo vaak de kop op steekt, zou te maken kunnen hebben met de intuïtie van de rechtvaardige wereld, de just-world hypothesis.

Die intuïtie is een overblijfsel van de jagers-verzamelaarssamenleving, waarin de hang naar rechtvaardigheid en wederkerigheid als vanzelfsprekend in de dagelijkse praktijk van het samenleven tot uitdrukking kon komen.

In de hedendaagse samenleving kan hij er echter toe leiden dat we individuele tegenslag, zoals ziekte, maar al te gauw zien als een aanwijzing voor in het verleden begane zonde. In die "maatschappijvisie" is ongeluk, net als geluk, altijd verdiend. Want de wereld is immers rechtvaardig.

Vandaar dat die Amerikaanse conservatieven er zoveel moeite mee hebben om de gezonden voor de zieken te laten betalen en de rijken voor de armen. De gezonden hebben hun gezondheid immers verdiend. En de rijken hun rijkdom.

Wat een mistroostige wereld komt daaruit naar voren.

dinsdag 2 mei 2017

Juist meer persoonlijke vrijheid in landen met een omvangrijkere overheid - Over de ideologie van de kleine overheid

Ergens in het laatste kwart van de vorige eeuw is, samen met de opkomst van het neoliberalisme, de ideologie van de kleine overheid gemeengoed geworden. Het politieke denken vindt doorgaans plaats in de vorm van een aansprekend hoofdverhaal en het verhaal werd dat de overheid niet de oplossing is,  maar het probleem. De Amerikaanse president Ronald Reagan gebruikte dat verhaal in zijn inaugurele rede in 1981.

Dat verhaal sloeg aan. Zelfs de sociaal-democratie ging er in mee. En na de financiële crisis van 2008-2010 zette het de politici ertoe aan de ontstane budgettaire problemen aan te grijpen om de overheid, de verzorgingsstaat, een kopje kleiner te maken. Dat was de nauwelijks verborgen agenda achter het economisch rampzalige bezuinigingsbeleid dat alom werd gevoerd.

Volgens dat verhaal zou een grote overheid een bedreiging zijn voor economische groei en voor persoonlijke vrijheid.

Ondertussen weten we dat het verband met economische groei sterk afhankelijk is van wijze van belastingheffing en van het uitgavenpatroon. Zie Does Big GovernmentHurt Economic Growth? van Peter Lindert.

En over dat verband met persoonlijke vrijheid is er nu They Go Together: Freedom, Prosperity, and Big Government. Countries with larger government sectors tend to have more personal freedom van Edwin Dolan. Bij die persoonlijke vrijheid gaat het om zaken als rechtszekerheid (rule of law), vrijheid van beweging en vergadering, persoonlijke veiligheid, vrijheid van informatie en meningsuiting en vrijheid in de sfeer van persoonlijke relaties.

En wat blijkt? Dolan's analyse van 143 landen waarvoor data beschikbaar zijn, levert op dat de persoonlijke vrijheid niet kleiner, maar juist groter is in landen met een meer omvangrijke overheid.

Die ideologie van de kleine overheid, met dat verhaal van de overheid als probleem in plaats van als oplossing, die zouden we nu eens, als een van die sociale zeepbellen, achter ons moeten laten.

vrijdag 21 april 2017

George Lakoff over morele intuïties in de politiek en over Trump. En over de Dual-Mode theorie

George Lakoff, eminent onderzoeker op het gebied van taal en morele intuïties, wordt geïnterviewd naar aanleiding van het verschijnsel Trump. Zie Read our full conversation with George Lakoff on "your brain on Trump"

Lakoff schreef het boek Moral Politics, waarin hij uitlegt hoe de morele intuïties over het publieke domein tussen links (progressives) en rechts (conservatives) verschillen.

In dat interview komen die twee morele intuïtie-pakketten nader aan de orde. Hij omschrijft ze als enerzijds de moraliteit-van-de-strenge-vader, de conservatieve intuïties waar Trump zo goed op weet in te haken, en anderzijds de moraliteit-van-de-zorgzaamheid, de progressieve intuïties waarin de emoties van zorgzaamheid uitbreiding krijgen naar anderen dan de eigen familie en in de overheid hun uitwerking dienen te vinden.

Lees even mee met Lakoffs omschrijving van de moraliteit-van-de-strenge-vader:
The main thing is that this is a natural thing that this is how the world should be how it is. And if you look at history, you will see that the strict fathers win. And you can take a look at who wins, and they win because they're right. That morality and authority go together, that the strict father knows right from wrong. So that if you want to see who's better than who, you look at who beat who. And so you have religion won out, you have God above man and you have, we have conquered nature, you have man above nature. We can take anything we want for our use. You have the strong above the weak. We need a strong army, and so on. You have the rich above the poor, who deserve it, because they're disciplined. The employers above employees, because they're richer. The adults above children in 21 states. Teachers and coaches can beat children with sticks if they don't just obey them and if they ever talk back. You have Western culture above non-Western culture. We won out. You have America above other countries, men above women, whites above non-whites, Christians above non-Christians, straights above gays. That hierarchy follows from one idea, not a bunch of different ideas. It's strict father morality as applied to all aspects of life.
En met de omschrijving van de moraliteit-van-de-zorgzaamheid:
There is what is called nurturant morality. That is, you care about other people in a family. Adults care about their children, you know, are honest with them. They try to talk directly with them and they have an answer to all their questions. They take care of them, they want them to be fulfilled in life and they want them to care about other people. And that comes out as a progressive moral view, which goes like this: that citizens care about other citizens, work through the government to provide resources, public resources for everybody starting with business. You can't have a business if you don't have streets and roads and airports and sewers and, you know, science like computer science developed by the NSF and so on. All the current technology was developed and maintained by the government. And that isn't the government, it's the people, it's the public. The private depends on the public. And that's something that Republicans don't want to understand, that if you have strict father morality, then you did it all. It's personal responsibility. But the fact is that you didn't do it all, that you got a lot of it from the public.
 Hoe verhouden die twee intuïtie-pakketten zich tot elkaar? Lees daarover:
And one of the major things you have to know is that people are not just all one or the other. Most people are what I call bi-conceptual. Most conservatives have some progressive views about some things or other, most progressives have some conservative things about some things or other, perhaps business or whatever. And there are people who are both. In the brain, that means you have both moral systems mainly used for one thing but not the other. But they are what are called "mutually inhibitive." That is, the activation of one turns off the other.
Lees verder vooral dat hele interview. En natuurlijk dat boek, waarvan vorig jaar de derde druk is verschenen.

Ik lees dit alles met grote instemming. Dat ligt er natuurlijk aan dat deze gedachten sterk overeenkomen met wat ik de Dual-Mode theorie heb genoemd, waarin ik het gemeenschapspatroon onderscheidt van het statuscompetitiepatroon. Zie hier alle blogberichten tot nu toe achter dat label. De moraliteit-van-de-strenge-vader overlapt sterk met het statuscompetitiepatroon en de moraliteit-van-de-zorgzaamheid met het gemeenschapspatroon.

In het bericht Het Hitler-bewind sociaalwetenschappelijk bekeken. En over de Dual-Mode theorie omschreef ik die theorie als bestaande uit de volgende twee stellingen:
Stelling 1. In hun sociale gedrag (d.i. gedrag ten opzichte van anderen) zijn er twee bundels van gedragspatronen die mensen vaak onbewust en ongepland uitvoeren of gaan uitvoeren: het statuscompetitiepatroon en het gemeenschapspatroon.
Stelling 2. Mensen worden bij het aanleren en uitvoeren van deze gedragspatronen sterk beïnvloed door de mate waarin ze met het ene dan wel het andere gedragspatroon in hun sociale omgeving in aanraking komen. (Speltheoretisch gezien gaat het om frequentie-afhankelijke strategieën.)
Bij Lakoff gaat het er vooral om hoe progressieven en conservatieven in de politiek met elkaar communiceren. Of er maar beperkt in slagen om dat te doen.

Volg hier een prachtig college van Lakoff uit 2005: George Lakoff: Moral Politics. En zie hier een recent interview met hem over Trump: George Lakoff on Trump's moral challenge to liberals.
Update. Zie ook het bericht Morele intuïties in het persoonlijke en onpersoonlijke domein.

dinsdag 18 april 2017

Door slechte media hebben we slecht geïnformeerde kiezers die slecht geïnformeerde leiders kiezen

De Verenigde Staten hebben met Donald Trump een president aan de macht die om verschillende redenen voor dat ambt ongeschikt is. In ieder geval een van die redenen is dat hij meestal niet weet waarover hij praat. Hij voerde campagne met een eenvoudig wereldbeeld, door Matthew Yglesias (Donald Trump’s big problem is he doesn’t know what he’s talking about) omschreven als
Trump’s basic worldview, as articulated on the campaign trail, was that all the major dilemmas of American public policy had easy solutions. The reason the problems had not been solved already was that America’s political leaders were too stupid, too corrupt, or too “politically correct” to solve them.
This is a reasonably widespread view of things among the mass public, but as Trump has been discovering since taking office, it’s not true.
Nu hij in de positie terecht is gekomen waarin hij niet kan volstaan met praten en tweeten, ontdekt hij dat de wereld anders en ingewikkelder in elkaar zit. Yglesias noemt drie in het oog springende voorbeelden van zulke ontdekkingen:
Als hij wat minder onsympathiek was geweest, zou je de naïviteit, die maakt dat hij meestal het standpunt inneemt van zijn laatste gesprekspartner, nog wel ontwapenend kunnen vinden.

Maar hoe dan ook, het is natuurlijk verbijsterend dat iemand die zo overduidelijk van niets weet door kiezers in het zadel kan worden gehesen.

Toch is dat verschijnsel niet uniek. Want ook in Europa, en dus ook in Nederland, hebben we leiders aan de macht die slecht geïnformeerd zijn over hoe je op een economische crisis moet reageren en over hoe je een muntunie moet organiseren. Vandaar dat ik verzuchtte dat we in Europa een sekte aan de macht hebben: Als je door een sekte geregeerd wordt, dan loopt dat niet goed af.

En in Groot-Brittannië hebben slecht geïnformeerde kiezers een regering aan de macht gebracht die met Brexit een beleid uitvoert dat niet kan waarmaken wat de Brexiteers beloofden en dat slecht voor het land zal uitpakken.

Als je bedenkt dat slecht geïnformeerde leiders zijn gekozen door slecht geïnformeerde kiezers, dan vraag je je af hoe het komt dat kiezers zo slecht geïnformeerd zijn.

En dan kom je onvermijdelijk terecht bij de rol van de media. Wat zich dan wel erg opdringt, is dat die hun werk slecht doen. De Brits-Amerikaanse journalist Harold Evans heeft het daarover in het interview dat vorige week verscheen: ‘Slechte journalisten hebben Trump groot gemaakt’:
Harold Evans wil op een warme lentemiddag praten over de beroerde staat van zijn vak. Slechte journalistiek, zegt hij, heeft Donald Trump groot gemaakt. Slechte journalistiek heeft de Brexit in gang gezet. „It stinks. De Angelsaksische journalistiek is gecorrumpeerd door geld en machtshonger. De pers dient een politiek doel, of het commerciële belang van de eigenaren. Het publieke belang is ondergeschikt gemaakt. Ik heb het zelf zien veranderen. Ik ben geen journalist geworden om rijk te worden.”
In dezelfde richting beklaagt de Engelse macro-econoom Simon Wren-Lewis zich al langer over de Britse media, de tabloids en de BBC. Hier lees je de laatste aflevering: When journalism becomes propaganda.

En, o ja, lees vooral ook Jesse Frederik over de "de alternatieve werkelijkheid waarin Nederlandse politici en journalisten zijn terechtgekomen" waarin Jeroen Dijsselbloem als de redder (in plaats van als de slager) van Griekenland wordt beschouwd: Als je nog steeds denkt dat Jeroen Dijsselbloem Griekenland heeft geholpen, lees dan dit.

Nu is het klagen over de media van alle tijden, maar misschien is er nu toch meer aan de hand. Want het is onderdeel van de neoliberale golf waarin we zijn terechtgekomen om te denken dat je de media kunt overlaten aan de commercie. De markt is overal goed voor en zal er dus ook wel voor zorgen dat de burgers goed worden geïnformeerd over het publieke domein.

Dat is een ernstige misvatting. Media overlaten aan de markt heeft in feite betekend dat de mediamagnaten het heft in handen hebben genomen. En die hebben hun eigen belangen.

En zijn zo machtig geworden dat ze niet alleen de berichtgeving en de politieke commentaren naar hun hand zetten, maar ook rechtstreeks de politici beïnvloeden.

En nog los daarvan, heeft de commercialisering van de media in de hand gewerkt dat er een omvangrijke amusementsindustrie kon ontstaan. Een bijkomend effect daarvan is dat de indruk wordt gewekt dat het ook helemaal niet nodig is om je goed te informeren. Wat weer de ruimte creëerde voor de populist die gemakkelijke oplossingen aandraagt en die de verpersoonlijking is van dat amusement en van de alternatieve feiten.

Aanwijzingen voor de invloed van amusementstelevisie op populistisch stemgedrag komen naar voren uit onderzoek waarover hier gerapporteerd wordt: People who watch entertainment TV are more likely to vote for populist politicians.
Update. Slechte geïnformeerdheid verhoogt niet alleen de kans op slecht geïnformeerde leiders maar meer in het algemeen ook de kans op sociale zeepbellen. Zie Sociale zeepbellen in economie en politiek.

maandag 17 april 2017

Naast gehechtheid aan personen is er natuurlijk ook de gehechtheid aan plekken - Over je thuis voelen en nostalgie

In ons sociale verkeer speelt vertrouwdheid een grote rol. Na de geboorte hechten we ons aan vertrouwde zorgverleners. Met als andere kant van de medaille dat we een angst voor vreemden kunnen ontwikkelen, vooral als gezinnen meer sociaal geïsoleerd zijn.

Die gehechtheid aan vertrouwde anderen lijkt de uitkomst van een evolutionair proces dat ons er toe heeft aangezet om onzekerheid en risico te vermijden. Als er anderen zijn die ons goedgezind zijn, dan is het "verstandig" om die contacten in stand te houden en om nabijheid van die anderen te waarderen. Vandaar onze positieve gevoelens van gehechtheid en vertrouwdheid en negatieve gevoelens van eenzaamheid en van afgewezen zijn.

Dat mechanisme van waardering voor het vertrouwde en ongemak bij het onbekende lijkt in de evolutie al te zijn ontstaan op het moment dat organismen in staat waren zich voort te bewegen. Zodra je je kunt voortbewegen, dus bij het ontstaan van de eerste dieren, heb je te maken met de uitdaging uit te vinden waar je je het beste kunt bevinden.

En omdat je je altijd ergens bevindt, al was het maar de plek waar je leven begint, is er dus onvermijdelijk ook de grens tussen de plek die je kent en die je vertrouwd is (geworden) en alle andere plekken, die onbekend zijn en dus risico's in zich dragen. Het kan elders beter zijn, maar ook slechter.

Er is aanleiding om te denken dat de plek waar je geboren bent een goede plek is. Dat is zo doordat je moeder die plek heeft uitgekozen en op dat keuzeproces is in het verleden ook weer geselecteerd. Denk aan Bernd Heinrichs Huiswaarts. Het wonderbaarlijke instinct van trekvogels en andere dieren.

Dat doet vermoeden dat mensen niet alleen een hechting aan personen kennen, maar ook een hechting aan plekken. En onderzoek naar place attachment bevestigt dat.

In die lijn van onderzoek is er nu de studie Place Attachment Enhances Psychological Need Satisfaction.

Uit eerder onderzoek is al gebleken dat hechting aan plekken psychologisch functioneert op een manier die vergelijkbaar is met hechting aan personen. Al was het maar in de zin dat nabijheid tot de plek waaraan je gehecht bent net zo je welbevinden vergroot als nabijheid tot de personen waaraan je gehecht bent.

In deze nieuwe studie gaat het om de vraag of dat positieve effect op welbevinden ook al optreedt als je je alleen maar voorstelt om op die gehechtheidsplek aanwezig te zijn.

Proefpersonen werd gevraagd om zich een plek voor te stellen waaraan ze zich gehecht voelden. Dat gebeurde met omschrijvingen als "Deze plek is een deel van wie ik ben", "Op deze plek voel ik mij het gelukkigst", "Op deze plek heb ik een gevoel van thuis zijn" en "Op deze plek wil ik blijven".

In vergelijking met andere proefpersonen die zich een neutrale plek hadden voorgesteld, bleek dat het zich een gehechtheidsplek voorstellen tot hogere scores leidden op aspecten van welbevinden.

Het lijkt een verklaring te verschaffen voor het verschijnsel van de nostalgie, dat we kennen omdat we in een maatschappij leven met een grote mate van mobiliteit. Denk even aan Over de sociale nadelen van vaak verhuizen, in het bijzonder ook voor kinderen en Leidt het vaak verhuisd zijn tot sociale vluchtigheid?